Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-09-18
ECLI:NL:GHSHE:2023:3374
Strafrecht
Hoger beroep
2,456 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002158-22
Uitspraak : 18 september 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 september 2022, in de strafzaak met parketnummer 03-304751-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte integraal vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde en ter zake van ‘opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument, meermalen gepleegd en medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument’ (feit 2), ‘medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’ (feit 3), ‘medeplegen van valsheid in geschrift’ (feit 4) en ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ (feit 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
[benadeelde] heeft zich aanvankelijk als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 2.445,99. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Bij wensenformulier van 4 april 2023 heeft de benadeelde partij onder meer te kennen gegeven dat de vordering met € 2.445,99 wordt verlaagd, dat het verzoek wordt ingetrokken en dat het verzoek in hoger beroep niet behandeld hoeft te worden.
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding niet langer wenst te handhaven en heeft ingetrokken, waardoor die vordering derhalve niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank integraal vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde en partieel van het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het gebruik van valse identiteitskaarten ten behoeve van het ondertekenen van de huurovereenkomst aan de [adres 2] . Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat ook deze partiële vrijspraak van feit 2 als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van feit 1 en de partiële vrijspraak van feit 2.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling en verbetering van gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen van de rechtbank in hun geheel worden vervangen op de wijze als hierna vermeld. Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Verbetering van de bewezenverklaring van feit 5
Het hof zal de bewezenverklaring van het onder feit 5 tenlastegelegde, opgenomen op pagina 10 in het vonnis van de rechtbank verbeteren en verbeterd lezen door ‘ [betrokkene] ’ te vervangen door: [betrokkene] . Deze verbetering van de bewezenverklaring houdt slechts een vaststelling van de juiste inhoud van deze bewezenverklaring in en leidt niet tot een ander oordeel omtrent hetgeen is bewezen, reden waarom zulks naar het onderdeel van het hof geen grond voor vernietiging van het bestreden vonnis oplevert.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
Voorts behoeven de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verbetering en aanvulling, daaronder mede begrepen de ten overstaan van het hof afgelegde bekennende verklaring van de verdachte ter zake van hetgeen door de rechtbank bewezen is verklaard. Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal het hof vanwege die bekennende verklaring volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht aan de verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 240 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is allereerst bewezenverklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van een valse identiteitskaart ten behoeve van een huurovereenkomst van het pand gelegen aan [adres 3] alsmede het valselijk opmaken van die huurovereenkomst. Voorts heeft de verdachte tezamen met zijn vrouw onder valse namen opzettelijk gebruik gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst alsmede een valse salarisspecificatie door deze te overhandigen aan de betreffende verhurende makelaar en verhurende eigenaar van het pand gelegen aan [adres 3] respectievelijk het pand gelegen aan [adres 2] . De verdachte heeft naar de verhurende makelaar en verhurende eigenaar de schijn gewekt dat de tweetal panden daadwerkelijk door een traceerbare en werkende man en vrouw zouden worden bewoond.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 2 (ziende op het gebruik van valse identiteitskaarten ten behoeve van de huurovereenkomst op de [adres 2] );
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,
en op 18 september 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.