Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-10-05
ECLI:NL:GHSHE:2023:3254
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,191 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 oktober 2023
Zaaknummer: 200.263.045/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/331745/ FA RK 18-1189
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. van Oers,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.W.F. van Wijk.
Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats].
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie],
hierna te noemen: de raad.
In het kort: deze zaak gaat over de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader.
5De beschikking van 19 mei 2022
Bij die beschikking heeft het hof, kort gezegd, de moeder en de vader voor een omgangstraject verwezen naar Stichting [stichting] te [vestigingsplaats], daarbij partijen bevolen gevolg te geven aan de oproep van Stichting [stichting] en de moeder bevolen haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het traject bij de [stichting], zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder in gebreke blijft aan haar verplichtingen uit hoofde van de beschikking te voldoen, met een maximum van € 10.000,-.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft nadien ontvangen:
- de brief van [jeugdhulpverlening] van 8 november 2022, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V8-formulier van 8 november 2022, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V5-formulier van 9 november 2022, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V8-formulier van 13 december 2022, met bijlage, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V8-formulier van 16 december 2022, met bijlage, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op 19 december 2022;
- de brief van [jeugdhulpverlening] van 9 februari 2023, met bijlage, ingekomen bij het hof op 10 februari 2023.
6.2.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de advocaat van de moeder;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].
6.2.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
7De verdere beoordeling
7.1.
Uit het eindverslag van het [omgangshuis] van [jeugdhulpverlening] van 29 december 2022 blijkt, onder meer, het navolgende. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is niet tot stand gekomen. [minderjarige] heeft heel duidelijk aangegeven dat zij op dit moment geen contact wil met de vader. De omgangsbegeleider heeft tijdens de gesprekken met [minderjarige] toch wel wat nieuwsgierigheid geproefd bij [minderjarige] en de vraag is daarom of de deur voor [minderjarige] helemaal gesloten is. Mogelijk zou [minderjarige] wel de ruimte voelen om het contact met de vader aan te gaan als zij door de moeder hierin daadwerkelijk gemotiveerd wordt in plaats van dat de keuze hierin bij [minderjarige] blijft liggen. Volgens het [omgangshuis] heeft de moeder haar best gedaan gedurende het traject, maar zij zien ook dat de moeder het niet belangrijk vindt om [minderjarige] te ondersteunen en te motiveren in het hebben van contact met de vader. Het lukt de moeder niet om in te zien dat het goed is voor [minderjarige] als zij weet waar ze vandaan komt en weet wie haar vader is.
7.2.
De vader voert - samengevat - het volgende aan. Het traject bij het [omgangshuis] is voor de tweede keer vroegtijdig afgebroken omdat de moeder niet meewerkt. Volgens de vader is er sprake van ouderverstoting. De moeder wil de vader geen plek geven in het leven van [minderjarige] en laat de beslissing of zij wel of geen contact wil met de vader bij [minderjarige] liggen. De vader vreest dat de deur tot herstel van het contact dicht gaat als zijn verzoek tot omgang wordt afgewezen. De vader hoopt dat er opnieuw een ondertoezichtstelling kan komen en vraagt het hof de beslissing op de verzoeken in verband hiermee aan te houden.
7.3.
De moeder voert - samengevat - het volgende aan. [minderjarige] is heel duidelijk in haar standpunt dat ze geen contact wil met de vader op dit moment. De structuur en rust die er op dit moment zijn doen haar goed. De moeder heeft de afgelopen periode haar best gedaan om mee te werken aan wat van haar gevraagd is. Het is belangrijk dat er nu een eindbeslissing wordt genomen en het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen. Hoewel dat in hoger beroep niet voorligt, staat de moeder niet achter een ondertoezichtstelling.
7.4.
De raad voert - samengevat - het volgende aan. De raad ziet bij de moeder een gebrek aan motivatie om [minderjarige] te stimuleren in het hebben van contact met de vader. De raad heeft de moeder er meerdere keren op gewezen dat zij behandeling moet ondergaan voor haar trauma’s. De raad wil een onderzoek gaan starten om te kijken of er weer een ondertoezichtstelling moet komen. Daarom adviseert de raad de zaak opnieuw aan te houden.
7.5.
Het hof overweegt als volgt.
7.5.1.
Aangezien de vader [minderjarige] heeft erkend, is hij de juridische ouder. De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. Ingevolge artikel 1:377a, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ingevolge lid drie van artikel 1:377a BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of,
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of,
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of,
omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.
7.5.2.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een begeleide omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader moet worden afgewezen. Het hof licht dat hierna toe.
7.5.3.
De vraag of er omgang moet zijn tussen de vader en [minderjarige] houdt de ouders al heel lang verdeeld. De vader heeft reeds op 6 mei 2018 bij de rechtbank een verzoek tot vaststelling van een begeleide omgangsregeling via een omgangshuis ingediend.
Dictum
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juni 2019;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af het inleidend verzoek van de vader tot vaststelling van een begeleide omgangsregeling;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.D.M. Lamers en C.N.M. Antens en is in het openbaar uitgesproken door mr. C.N.M. Antens op 5 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.