Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-09-26
ECLI:NL:GHSHE:2023:3080
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht, Civiel recht; Goederenrecht
Hoger beroep
3,381 tokens
Volledig
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.291.029/01
arrest van 26 september 2023
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J. de Roo te Oosterhout (NB),
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna tezamen in enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,
advocaat: mr. M.J.W. van Osch te Tiel,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 20 april 2021 en 14 maart 2023 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/358650 / HA ZA 19-328 gewezen vonnissen van 19 februari 2020 en 21 oktober 2020.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 14 maart 2023;
een akte zijdens [geïntimeerde 1] van 11 april 2023 met vijf producties;
een antwoordakte zijdens [appellant] van 9 mei 2023.
Het hof heeft daarna opnieuw een datum voor arrest bepaald.
9De verdere beoordeling
9.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof, zakelijk weergegeven, het navolgende overwogen en beslist:
bij de splitsing van het oude perceel [nummer 4] is het de bedoeling van [appellant] en [persoon] geweest dat dit perceel in twee ongeveer gelijke delen zou worden gesplitst (r.o. 6.11);
op grond van een in opdracht van [appellant] uitgevoerde meting is een schets van zijn perceel gemaakt op grond waarvan de oppervlakte daarvan zich globaal laat vaststellen op 287 m2, aangenomen dat een doorgetrokken lijn rechts van het woord ‘Schuur’ de actuele feitelijke erfgrens is, (r.o. 6.9);
met het overleggen van de tekening en zijn verdere onderbouwing heeft [appellant] zijn standpunt dat de kadastrale grenscorrectie niet juist kan zijn, althans daaruit niet volgt dat de erfgrens ligt in het verlengde van een schuur op zijn perceel, voldoende onderbouwd (r.o. 6.12);
voor de vaststelling van de ligging van de erfgrens zou een opname door medewerkers van het kadaster nodig kunnen zijn (r.o. 6.14.1), waarbij het het hof zinvol voorkomt om daarbij aanwezig te zijn (r.o. 6.14.2.);
een beroep van [geïntimeerde 1] op schending van de klachtplicht (artikel 6:89 BW) en verjaring heeft het hof verworpen (respectievelijk in r.o. 6.16.1 en 6.16.3);
met betrekking tot de toegankelijkheid van de ark aan de [adres] is tussen partijen op 11 juni 2016 een overeenkomst gesloten die mede door [appellant] is ondertekend (r.o. 6.18 en 6:20);
een beroep van [appellant] op het bestaan van een wilsgebrek ten aanzien van deze overeenkomst heeft het hof verworpen (r.o. 6.19.2).
De zaak is verwezen naar de rol om partijen de gelegenheid te bieden zich uit te laten over het voornemen van het hof om één of meer medewerkers van het Kadaster te benoemen als deskundige(n), over de aan de deskundige(n) te stellen vraag of vragen en over het hiervoor te storten voorschot ter dekking van de kosten.
9.2.
In zijn akte van 11 april 2023 wijst [geïntimeerde 1] erop dat [appellant] op 7 juni 2021 perceel [nummer 2], waar de overeenkomst van 11 juni 2016 op ziet, heeft overgedragen aan zijn zus met een bijzonder beding waarbij de vervreemding hiervan aan [geïntimeerde 1] wordt uitgesloten op straffe van verbeurte van een boete van € 25.000,=. Op 25 oktober 2021 heeft zij, aldus [geïntimeerde 1], het perceel op haar beurt overgedragen aan een B.V. die eigendom is van een neef van [appellant] . Deze heeft [geïntimeerde 1] bij brief, door [geïntimeerde 1] ontvangen op 10 januari 2022, laten weten niet bekend te zijn met enig gebruiksrecht van [geïntimeerde 1] om over [nummer 2] naar zijn woonark te komen en heeft [geïntimeerde 1] laten weten dat hij, [geïntimeerde 1], het gebruik van [nummer 2] moet staken. Ook in de overeenkomst met de neef is het beding opgenomen dat overdracht van [nummer 2] aan [geïntimeerde 1] uitsluit.
9.3.
In zijn antwoordakte heeft [appellant] erkend dat [nummer 2] inmiddels in eigendom is overgedragen aan een B.V. van zijn neef. [appellant] heeft aangevoerd dat bij de verkoop is bedongen dat hij, [appellant] , zolang hij leeft, het recht heeft het perceel en de zich daarop bevindende kippenren voor persoonlijk gebruik te betreden en gebruiken. Als gebruiker behoudt [appellant] een materieel belang bij de discussie over het bestaan van een overeenkomst met [geïntimeerde 1] met betrekking tot dit perceel. [appellant] betwist dat hij bij verkoop van het perceel artikel 19 van de overeenkomst van 11 juni 2016 heeft geschonden. Dat beding heeft, aldus [appellant] , geen zakelijke werking en vermeldt niet dat het om een kettingbeding gaat. [appellant] kan de huidige eigenaar niet dwingen de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst van 11 juni 2016 over te nemen.
9.4.1.
Het hof overweegt op dit punt als volgt.
[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie onder IV een verklaring voor recht gevorderd dat de gebruiksovereenkomst voor het [nummer 2] op 15 december 2018 is geëindigd, dan wel een datum voor de beëindiging daarvan vast te stellen. Die vordering berust dus op de aanname dat op 11 juni 2016 een overeenkomst tot stand is gekomen. En hoewel [appellant] dat vervolgens is gaan betwisten, heeft het hof in het tussenarrest vastgesteld dat op 11 juni 2016 inderdaad een overeenkomst met betrekking tot een beperkt gebruik door [geïntimeerde 1] van [nummer 2] tot stand is gekomen tussen hem en [appellant] .
9.4.2.
Door het aangaan van die overeenkomst heeft [appellant] zich jegens [geïntimeerde 1] gebonden tot nakoming daarvan. [appellant] is ook in de toekomst in staat en bevoegd om deze overeenkomst na te komen, doordat hij de feitelijk gebruiker is gebleven van [nummer 2]. [appellant] erkent dit ook in zijn akte. De vraag of na de herhaalde overdracht van de juridische eigendom de juridisch eigenaar van [geïntimeerde 1] mag verlangen dat [geïntimeerde 1] zijn gebruik van [nummer 2] staakt maakt geen onderdeel uit van het onderhavige geschil tussen [geïntimeerde 1] en [appellant] . Het hof gaat daarom verder aan die kwestie voorbij. In hoger beroep is slechts de vraag aan de orde of de overeenkomst van 11 juni 2016 is geëindigd door opzegging, dan wel nog bestaat een datum voor de beëindiging daarvan vastgesteld kan worden.
9.5.
Over het voornemen om medewerkers van het kadaster een onderzoek uit te laten voeren heeft [appellant] zich niet uitgelaten. [geïntimeerde 1] heeft bij akte van 11 april 2023 laten weten hier geen bezwaar tegen te hebben en heeft voorgesteld om de navolgende vragen aan de deskundige(n) te stellen:
I. Is bij de Kadastrale grensreconstructie van 10 mei 2017 een juist verloop van de grens vastgesteld tussen de percelen [gemeente], [sectieletter], [sectienummer 1] en [gemeente], [sectieletter], [sectienummer 2]? Kunt u ter plekke de grens (alsnog) vaststellen?
II. Wat is de omvang van perceel [gemeente], [sectieletter], [sectienummer 1] en indien dit perceel kleiner zou zijn dan vier are vijfenveertig centiare, wat is hier dan volgens u de oorzaak van?
III. Heeft er volgens u in het verleden een dijkverzwaring plaatsgevonden aan de westzijde van perceel [gemeente], [sectieletter], [sectienummer 1] en zo ja, wat is hiervan dan de invloed geweest op de omvang van dit perceel?
IV.
Volledig
Wat is de omvang van perceel [gemeente], [sectieletter], [sectienummer 2]?
9.6.
Het hof kan zich met deze vraagstelling verenigen. Gelet op hetgeen al is overwogen in het tussenarrest van 14 maart 2023, zal het hof daarom nu beslissen als hierna vermeld.
10De uitspraak
Het hof:
10.1.
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 9.5 van dit arrest geformuleerde vragen, in elk geval voor wat betreft vraag I: in aanwezigheid van het hof;
10.2.
bepaalt dat het hof daartoe, vergezeld van de griffier, op een door het hof in overleg met de deskundige(n), partijen en hun advocaten nader te bepalen datum en tijd waarop de deskundige ter plaatse onderzoek zal verrichten, de situatie ter plaatse zal opnemen, waarbij partijen, vergezeld door hun advocaten, aanwezig dienen te zijn;
10.3.
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 17 oktober 2023 voor opgaaf door partijen van hun verhinderdata, de verhinderdata van hun advocaten en de verhinderdata van de hierna te benoemen deskundige in de maanden november en december 2023, waarna het hof een datum en uur zal bepalen voor de te houden plaatsopneming en het onderzoek ter plekke door de deskundige;
10.4.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen en eventueel nog bij gelegenheid van het onderzoek ter plekke rijzende vragen:
Het Kadaster
De heer F. van de Laar
Postbus 9046
7300 GH Apeldoorn
[telefoonnummer] / [mobielnummer]
[e-mailadres]
10.5.
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;
10.6.
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
10.7.
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
10.8.
bepaalt dat de deskundige(n) bij het onderzoek – en ten aanzien van het concept-rapport – partijen in de gelegenheid stelt/stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
10.9.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige(n) nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige(n) geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
10.10.
verzoekt de deskundige(n) een schriftelijk en met redenen omkleed rapport, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het rapport aan de advocaten van partijen toe te zenden;
10.11.
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
10.12.
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige(n) op het door de deskundige(n) begrote bedrag van in totaal € 4.500,=, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
10.13.
bepaalt dat partij [appellant] laatstgenoemd bedrag zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
10.14.
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
10.15.
benoemt mr. R.J.M. Cremers tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige(n) zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
10.16.
verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenrapport naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van [appellant] ;
10.17.
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.J.M. Cremers en J.K.B van Daalen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 september 2023.
griffier rolraadsheer