Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-08-22
ECLI:NL:GHSHE:2023:2677
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
4,579 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.308.299/01
arrest van 22 augustus 2023
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. P.F.M. Verstegen te Nijmegen,
op het bij exploot van dagvaarding van 18 maart 2022, hersteld bij herstelexploot van 8 april 2022, ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 januari 2022, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 juni 2022.
Procesverloop
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het bovengenoemd tussenarrest van het hof;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord;
de mondelinge behandeling van 31 mei 2023, waarbij partij [geïntimeerden] spreekaantekeningen heeft overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
Kern van de zaak
6.1.
In deze zaak gaat het in hoger beroep in de kern om de vraag of [appellant] gehouden is tot betaling van een bedrag van € 25.000,-- uit hoofde van gemaakte afspraken ter zake de levering van twee percelen bouwgrond door [geïntimeerden] aan [appellant] . [appellant] heeft twee percelen bouwgrond van [geïntimeerden] gekocht. Partijen hebben onder andere in de akte van levering afspraken gemaakt over een te betalen vergoeding bij planschade. [geïntimeerden] willen dat [appellant] op grond daarvan veroordeeld wordt tot betaling van een bedrag van € 25.000,00. Volgens [appellant] moeten de gemaakte afspraken zo worden uitgelegd dat bij afwezigheid van enige planschade er geen bedrag aan [geïntimeerden] verschuldigd is.
Feiten
6.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.2.1.
[geïntimeerden] hebben op 14 april 2008 twee percelen grond (hierna: de Percelen) aan [appellant] verkocht. De overeengekomen koopsom bedroeg € 200.300,00.
6.2.2.
[appellant] heeft de Percelen gekocht om er woningen op te laten bouwen. Hiervoor was een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.
6.2.3.
Doordat de mogelijkheid bestond dat [appellant] als gevolg van de bestemmingsplan-wijziging een of meer planschadevergoedingen aan derde partijen uit zou moeten keren, hebben [appellant] en [geïntimeerden] daarover afspraken gemaakt. In de akte van levering van 18 april 2008 staat hierover:
6.2.4.
Op 27 april 2011 hebben [geïntimeerden] de overeengekomen koopsom voor de Percelen aan [appellant] betaald. Diezelfde dag is bij de notaris een akte van kwijting opgemaakt. Daarin staat onder andere:
6.2.5.
[appellant] heeft geen planschadevergoedingen aan derden hoeven uitkeren.
6.2.6.
[geïntimeerden] hebben [appellant] bij brief van 27 september 2017 verzocht om artikel 9 van de akte van levering na te komen.
6.2.7.
Bij brief van 30 oktober 2017 hebben [geïntimeerden] [appellant] gesommeerd om hen binnen 2 weken na dagtekening van de brief een bedrag van € 25.000,00 te betalen. Hierbij hebben zij verwezen naar de bepalingen uit de hiervoor aangehaalde notariële aktes.
6.2.8.
[appellant] heeft bij brief van 21 december 2017 laten weten dat [geïntimeerden] de afspraken die partijen gemaakt hebben over de planschade verkeerd uitleggen en dat hij daarom geen vergoeding aan [geïntimeerden] verschuldigd is. Hierover schrijft [appellant] onder meer:
6.2.9.
Op 16 oktober 2020 is op verzoek van [geïntimeerden] een voorlopig getuigenverhoor gehouden. Hierbij is [persoon B] (hierna: [persoon B] ) als getuige gehoord over de uitleg van de bepalingen uit de notariële aktes. [persoon B] is als notaris betrokken geweest bij het opstellen van de akte van levering door zijn vader, die ook notaris was. De akte van kwijting heeft [persoon B] zelf opgesteld.
6.2.10.
[appellant] heeft volhard in zijn standpunt dat hij het bedrag van € 25.000,00 niet aan [geïntimeerden] verschuldigd is, waarna [geïntimeerden] deze procedure gestart zijn.
Procesverloop
6.3.1.
In de onderhavige procedure vorderden [geïntimeerden] in eerste aanleg – verkort weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [appellant] tot betaling van € 25.000,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2011, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum. Verder vorderden [geïntimeerden] buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.240,25, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum vonnis, althans vanaf datum betekening en ook de kosten voor het voorlopig getuigenverhoor ad € 6.394,54, een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente.
6.3.2.
[geïntimeerden] leggen aan hun vordering ten grondslag dat partijen bij de verkoop van de Percelen met elkaar hebben afgesproken dat [appellant] een vergoeding aan [geïntimeerden] moet betalen als [appellant] minder dan € 50.000,00 aan planschadevergoedingen hoeft uit te keren. [appellant] heeft geen planschadevergoedingen hoeven uitkeren. Daarom moet [appellant] volgens [geïntimeerden] een vergoeding van € 25.000,00 aan hen betalen. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] niets aan hen betaald, zodat hij ook de kosten voor het voorlopig getuigenverhoor, de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente verschuldigd is.
6.3.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
6.3.4.
In het tussenvonnis van 17 februari 2021 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling bevolen. Deze heeft op 21 september 2021 plaats gevonden.
6.3.5.
In het eindvonnis van 5 januari 2022 heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 25.000,-- vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 14 november 2017 tot de dag van volledige betaling. De gevorderde bedragen ter zake het voorlopig getuigenverhoor en de buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen. De rechtbank heeft [appellant] in de proceskosten veroordeeld.
Procesverloop
6.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] Tevens vordert [appellant] om [geïntimeerden] te
veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag groot € 27.161.63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 20 januari 2022 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van eerste aanleg en het appel als ook de nakosten.
6.4.2.
[geïntimeerden] voeren verweer in hoger beroep en zij hebben geconcludeerd tot, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorbaat, bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten.
De grieven en de beoordeling
6.5.
Met grieven 1 en 2 betoogt [appellant] dat [geïntimeerden] niet hebben voldaan aan de stelplicht doordat de grondslag van hun vorderingen onvoldoende concreet is. Verder voert [appellant] aan dat [geïntimeerden] toegelaten dienen te worden tot nadere bewijslevering. Volgens [appellant] hadden [geïntimeerden] – gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellant] – belast moeten worden met het bewijs ten aanzien van hun standpunt dat partijen een hogere koopsom waren overeengekomen dan de koopsom die is betaald.
6.6.
Naar het oordeel van het hof is de grondslag van de vordering van [geïntimeerden] voldoende helder. [geïntimeerden] beroepen zich op nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken. Ter onderbouwing hebben zij verwezen naar de leveringsakte van de Percelen als ook de kwijtingsakte. [geïntimeerden] hebben daardoor voldaan aan de op hen rustende stelplicht. Het is juist dat [appellant] deze gemaakte afspraken betwist. In dat kader voert [appellant] aan dat hij maximaal € 10,- per m2 voor de grond wilde betalen, maar dit volgt noch uit de akte van levering, noch uit de akte van kwijting. Evenmin blijkt dit uit de overige stukken die in het geding zijn gebracht. Hierdoor heeft [appellant] zijn betwisting niet voldoende met stukken onderbouwd, terwijl dit wel op zijn weg lag. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting bestaat geen aanleiding om [geïntimeerden] te belasten met bewijslevering ter zake hun stellingen. Bewijslevering is in deze omstandigheden niet aan de orde.
6.7.
Grieven 1 en 2 falen.
6.8.
In grief 3 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] uitvoering zou hebben gegeven aan de door [geïntimeerden] gestelde afspraak en dat [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de betaling heeft plaats gevonden. [appellant] voert aan dat geen betaling van € 25.000,- aan de notaris heeft plaats gevonden. Ter toelichting wijst [appellant] erop dat de verklaring van notaris [persoon B] daaromtrent onjuist is. Ook is de beweerde betaling volgens [appellant] niet relevant omdat de notaris ook verklaart dat dit bedrag weer is teruggestort.
6.9.
Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of er nu wel of geen (tijdelijke) betaling door [appellant] ten bedrage van € 25.000,- heeft plaats gevonden. Voor de beoordeling acht het hof dit van ondergeschikt belang, aangezien daarvoor uiteindelijk essentieel is de uitleg die gegeven moet worden aan de tussen partijen gemaakte afspraken. In die zin kan grief 3 niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.
6.10.
Grieven 4 en 5 zien beide op de uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken. Om die reden zal het hof deze grieven gezamenlijk behandelen. Grief 5 houdt - verkort weergegeven - in dat de onduidelijke afspraken niet in het voordeel van [geïntimeerden] kunnen worden uitgelegd zonder kennisname van de koopovereenkomst en nadere bewijslevering door [geïntimeerden] Met grief 4 betoogt [appellant] dat geen sprake is van een bevrijdend verweer door zijn betoog dat art. 9 van de akte van levering - gezien art. 9 van de akte van kwijting - alleen zijn werking behoudt als [appellant] daadwerkelijk enig bedrag aan planschadevergoeding dient te betalen. Dit vormt een betwisting, aldus [appellant] .
6.11.
Het hof stelt het volgende voorop. Waar het aankomt op de uitleg van door partijen gemaakte afspraken in een overeenkomst geldt als uitgangspunt de Haviltex-maatstaf. Dit is ook door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep als zodanig vermeld, en daartegen is niet gegriefd. Dit betekent dat bij de beoordeling of aanspraak gemaakt kan worden op betaling van een bedrag aan [geïntimeerden] de uitleg van de overeenkomst van belang is. Volgens de Haviltex-maatstaf komt het daarbij aan op wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden en verwachten.
6.12.
Partijen zijn het erover eens dat zij een financiële regeling zijn overeengekomen om te komen tot een onderlinge verdeling van de te vergoeden planschade. Deze regeling is opgenomen in art. 9 van de leveringsakte (zie rov. 6.2.3.). Het hof is van oordeel dat de verschillende formuleringen van de bepalingen in art. 9 van de leveringsakte in onderlinge samenhang moeten worden bekeken. Daarbij is duidelijk dat partijen tot uitgangspunt hebben genomen dat een bedrag van € 50.000,-- in totaal aan planschadevergoeding betaald moest worden. Dat komt tot uitdrukking in de eerste zin van art. 9 van de leveringsakte: ”Partijen gaan uit van vijftigduizend euro (€ 50.000,00) totaal aan planschadevergoeding aan de verkopers.” Weliswaar is aan het eind van deze zin ‘aan de verkopers’ vermeld, maar met de rechtbank gaat het hof ervan uit dat sprake is van een verschrijving en dat bedoeld is ‘aan derden’. De planschadevergoeding waarover partijen hier een afspraak maken, moest door [appellant] als kopende partij van de Percelen (mogelijk) betaald worden aan derden (en niet aan verkopers).
6.13.
De kern van het geschil tussen partijen ziet op de situatie dat minder dan € 50.000,= aan planschadevergoeding betaald zou moeten worden en meer specifiek op de situatie dat niets aan planschadevergoeding betaald zou moeten worden. In de leveringsakte is over die situatie opgenomen: “Mocht de planschade minder zijn dan vijftigduizend euro (€ 50.000,00), dan vergoed de koper de helft daarvan aan de verkopers gezamenlijk.” Het hof legt deze bepaling zo uit dat ‘daarvan’ ziet op het mindere van € 50.000,-- aan planschade. Deze meest voor de hand liggende taalkundige uitleg sluit aan bij de bedoeling van partijen om tot een onderlinge verdeling van de planschade te komen. [appellant] wilde niet zelf opdraaien voor de kosten. Ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst en de levering van de Percelen was nog niet duidelijk hoe hoog de planschadevergoeding zou zijn. Partijen zijn uitgegaan van een door [appellant] als kopende partij te betalen planschadevergoeding van € 50.000,=. In die situatie zou geen nabetaling door of aan koper en/of verkopers plaats vinden. Conform deze uitleg dragen beide partijen voor de helft de last van een hogere planschadevergoeding dan € 50.000,--, terwijl beide partijen eveneens ieder voor de helft profiteren van een lagere planschadevergoeding dan € 50.000,--. Gelet op de omstandigheid dat [appellant] als kopende partij de planschade in eerste instantie moest voldoen, betekent deze uitleg dat [geïntimeerden] als verkopers de helft van een hogere planschadevergoeding dan € 50.000,-- aan [appellant] moeten voldoen met een maximum van € 25.000,--. Bij een lagere planschadevergoeding dan € 50.000,-- ontvangen [geïntimeerden] van het mindere de helft.
Conclusie
6.18.
De slotsom is dat alle grieven falen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe nu [appellant] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangedragen die daartoe aanleiding geven.
6.19.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Bijgevolg is ook de vordering van [appellant] tot terugbetaling van het bedrag van € 27.161.63,00, te vermeerderen met wettelijke rente, niet toewijsbaar. Van onverschuldigde betaling is immers geen sprake aangezien het vonnis in stand blijft.
6.20.
Als de in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de [geïntimeerden] als volgt begroot:
- Griffierecht € 783,00
- Salaris advocaat (2 punten x tarief III € 1.531,00) € 3.062,00Totaal: € 3.845,00
6.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.
6.22.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente daarover, met dien verstande dat de wettelijke rente over de nakosten die zijn verbonden aan noodzakelijke betekening van de uitspraak, is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Het hof zal de nakosten en de wettelijke rente daarover niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.
7De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] op € 3.845,00 en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, A.C. van Campen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 augustus 2023.
griffier rolraadsheer