Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-08-17
ECLI:NL:GHSHE:2023:2660
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,504 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 17 augustus 2023
Zaaknummers : 200.328.529/01 en 200.328.532/01
Zaaknummers 1e aanleg : C/03/308709 / FA RK 22-3225 en C/03/308704 / FA RK 22-3223
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.F.C. Eliëns,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming
,
regio Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna
te noemen: [minderjarige 2] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de GI;
- [de pleegouders] , beide wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 maart 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummers.
Procesverloop
Zaaknummer 200.328.529/01:
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2023, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de raad in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken als zijnde ongegrond te ontzeggen, en voorts te bepalen dat de griffier krachtens het bepaalde in het besluit gezagsregister een aantekening maakt van deze beslissing in het centraal gezagsregister. Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juli 2023, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van het beroepschrift van de moeder.
2.3.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juli 2023, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.4.
Het hof heeft geen kennis kunnen nemen van de inhoud van het proces verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, nu dit stuk in het procesdossier ontbreekt.
Zaaknummer 200.328.532/01:
2.5.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2023, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de raad in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken als zijnde ongegrond te ontzeggen, en voorts te bepalen dat de griffier krachtens het bepaalde in het besluit gezagsregister een aantekening maakt van deze beslissing in het centraal gezagsregister. Kosten rechtens.
2.6.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juli 2023, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van het beroepschrift van de moeder.
2.7.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juli 2023, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.8.
Het hof heeft geen kennis kunnen nemen van de inhoud van het proces verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, nu dit stuk in het procesdossier ontbreekt.
In beide zaken:
2.9.
Vanwege pragmatische redenen zijn de twee zaken tegelijkertijd behandeld tijdens de mondelinge behandeling. Partijen hebben hiertegen geen bezwaren geuit.
2.10.1
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juli 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. L.W.M. Hendriks, waarnemer van mr. J.F.C. Eliëns;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad];
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].
2.10.2.
De pleegouders van [minderjarige 2] zijn hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen.
2.10.3.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
Zaaknummer 200.328.529/01:
3.1
[minderjarige 1] is een meisje van dertien jaar oud. De moeder oefent het gezag uit over [minderjarige 1] .
3.2.
Bij beschikking van 28 mei 2015 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, is [minderjarige 1] voor het eerst onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd; voor het laatst tot 27 november 2022. Bij beschikking van 12 november 2019 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij een pleegouder verleend met ingang van 27 november 2019. Deze maatregel is daarna steeds verlengd. Voor het laatst tot 27 november 2023. [minderjarige 1] woont circa zes jaar deeltijd uit huis (vanaf 2017) en circa drieënhalf jaar volledig uit huis in een pleeggezin.
[minderjarige 1] verbleef sinds november 2022 in een pleeggezin, maar dit is recent beëindigd. Er is nog geen geschikte vervolgplek gevonden.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] beëindigd.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Zaaknummer 200.328.532/01:
3.5.
[minderjarige 2] is een jongen van negen jaar oud. De moeder oefent het gezag uit over [minderjarige 2] .
3.6.
Bij beschikking van 28 mei 2015 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, is [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd; voor het laatst tot 27 november 2022. Bij beschikking van 12 november 2019 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een zorgaanbieder verleend met ingang van 27 november 2019. Bij beschikking van 26 april 2021 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, is een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij een pleegouder verleend met ingang van 26 april 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd. Voor het laatst tot 27 november 2023. Sinds november 2021 verblijft [minderjarige 2] in het huidige pleeggezin.
3.7.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 2] beëindigd.
3.8.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
In beide zaken
3.9.1.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de moeder niet in staat is [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te bieden wat zij nodig hebben en dat zij niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hen te dragen binnen een voor hen aanvaardbare termijn. De moeder heeft nimmer de kans gekregen om te werken aan een thuisplaatsing. Dat terwijl het goed gaat met de moeder. De moeder is weer aan het werk en heeft een netwerk waarmee zij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kan opvangen als zij weer thuis komen wonen. Ook de woning van de moeder is op orde. De Gespecialiseerde Thuisbegeleiding (hierna te noemen: de GTB) stelt ook voortdurend vast dat de woning goed is onderhouden en is opgeruimd. Uit de rapporten van GTB volgt eveneens dat de moeder rustig communiceert met de kinderen en zij zien vaak rustige en vrolijke kinderen tijdens de bezoekmomenten. De kinderen zien er schoon en verzorgd uit. De moeder accepteert dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de huidige pleeggezinnen verblijven, maar wenst, zoals iedere andere moeder, niets anders dan dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weer thuis komen wonen. De hulp die de moeder krijgt aangeboden accepteert zij en zij is dankbaar voor de hulp. De moeder werkt nimmer de uitoefening van het gezag tegen. Beëindiging van het gezag is niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
3.9.2.
De raad voert, samengevat, het volgende aan. Het valt de raad op dat de moeder zich baseert op passages uit de verslagen van de GTB zoals zij dat ook deed bij de procedure in eerste aanleg, maar dat zij overigens geen nieuwe informatie aandraagt. Het merendeel van de bevindingen van de GTB ligt bovendien in de lijn met de bevindingen van de raad gedurende het raadsonderzoek. De moeder lacht vaak problemen weg en zodra er zorgen zijn ten aanzien van de moeder zelf dan is zij het hier niet mee eens. De moeder laat de hulpverlening binnen, maar er is geen sprake van intrinsieke motivatie. Zodra de hulpverlening kritisch is richting de moeder , laat zij ze niet meer binnen. De moeder herkent de zorgen niet en legt alles buiten zichzelf. Inmiddels is [instantie] betrokken in het gezin en ook hier wordt gezien dat de moeder niet wil samenwerken. Tijdens het raadsonderzoek is verder gezien dat de moeder in een enorme vechtstand zit ten aanzien van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, maar ook ten aanzien van de betrokken instanties zoals de GI. Dit gedrag staat haaks op hetgeen de moeder in haar beroepschrift beweert. De moeder belast de kinderen ook onnodig met volwassenproblematiek. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] om onzekerheid over hun perspectief te ervaren, is ruimschoots verstreken.
3.9.3.
De GI voert, samengevat, het volgende aan. Ook de GI ziet dat de moeder bij iedere procedure vaak dezelfde dingen aanhaalt en met niets nieuws komt. In het huidige beroepschrift leest de GI geen nieuwe feiten. Anders dan de moeder stelt, zijn de kinderen niet alleen vanwege de burenruzie uit huis geplaatst. De thuissituatie was om meerdere redenen onhoudbaar geworden. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] lieten gedragsproblemen zien, de moeder was ernstig overbelast en de ingezette hulpverlening gericht op stabilisatie en opvoedondersteuning had geen effect. Verder blijkt uit het beroepschrift dat de moeder de ernst van de problematiek bagatelliseert door enkele zinsneden uit de vele verslagen van de GTB aan te halen waaruit zou volgen dat het thuis goed gaat. De conclusie van GTB is namelijk anders. De moeder staat niet open voor hulpverlening, heeft geen inzicht in haar eigen tekortkomingen, is niet leerbaar en stuurbaar, heeft alle tips, handvatten en beloningssystemen niet kunnen toepassen, stelt haar eigen behoefte op de voorgrond en kan haar kinderen niet “lezen” (sensitief opvoederschap). Inmiddels is de hulpverlening overgenomen door [instantie] vanwege het feit dat GTB in 2023 geen jeugdzorgcontract meer is aangegaan met de gemeenten. Het klopt dus niet dat de GTB is gestopt omdat alle doelen behaald waren en de GTB de hulp niet langer nodig achtte. De GI ziet dat de moeder in de praktijk de hulp niet accepteert en niet in staat is om naar haar eigen aandeel te kijken en ook niet om veranderingen door te voeren in het belang van de kinderen. Dit is ook terug te lezen in de verslagen van [instantie]. Vanaf de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is er voortdurend zonder onderbreking vanuit verschillende instanties hulpverlening geweest gericht op de opvoedvaardigheden van de moeder en allen komen tot dezelfde conclusie: de moeder kan de vier kinderen niet bieden wat zij nodig hebben en is niet of zeer beperkt leerbaar ten aanzien van de opvoedingsvaardigheden en inzicht in eigen handelen. De plaatsing van [minderjarige 1] bij het huidige pleeggezin (familie [familie]) is recent beëindigd. Dit betekent opnieuw een afwijzing voor [minderjarige 1] . Dit betrof een plaatsing die door de moeder zeer gewenst werd en waarin de GI schoorvoetend in mee gegaan is. Er is nog geen geschikte vervolgplek gevonden.
Dictum
Het hof:
in de zaken met zaaknummer 200.328.532/01 en 200.328.529/01:
bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 maart 2023;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
verklaart deze beschikkingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.D.M. Lamers en E.M.D.M. van der Linden en is op 17 augustus 2023 uitgesproken in het openbaar door mr. H. van Winkel in tegenwoordigheid van de griffier.