Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-07-20
ECLI:NL:GHSHE:2023:2645
Strafrecht
Hoger beroep
4,766 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002954-20
Uitspraak : 20 juli 2023
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 december 2020, in de strafzaak met parketnummer 02-293256-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
woonplaats kiezende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
- feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
- feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 3 maanden hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en met gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte is verweer gevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
1.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 januari 2018 tot en met 14 november 2018 te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 811 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 januari 2018 tot en met 14 november 2018 te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 811 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door in of omstreeks de periode van 2 januari 2018 tot en met 14 november 2018 te Standdaarbuiten opzettelijk heeft geholpen en/of doende is geweest door opzettelijk de gelegenheid te verschaffen door aan die persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 januari 2018 tot en met 14 november 2018 te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 januari 2018 tot en met 14 november 2018 te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
bij het plegen waarvan verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 14 november 2018 te Standdaarbuiten heeft geholpen en/of doende is geweest door opzettelijk de gelegenheid te verschaffen door aan die persoon/personen voornoemd pand voor de diefstal elektriciteit beschikbaar te stellen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Deelvrijspraak
Met de verdediging is het hof van oordeel, dat het bewijs er voor tekort schiet dat de hennepkwekerij al eerder dan op 22 mei 2018 aanwezig was. Op die datum is namelijk (blijkens diens verklaring bij de raadsheer-commissaris van dit hof op 18 november 2022) [betrokkene] , werkzaam als makelaar en taxateur, ter plaatse geweest en zij heeft aldaar niets gezien of geroken dat op de aanwezigheid van een hennepkwekerij duidde.
Dictum
De verdediging heeft ten verweer betoogd dat de verdachte geen rol heeft gehad bij de hennepkwekerij. De verdediging heeft daartoe gewezen op de door de medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak tegen de verdachte afgelegde getuigenverklaring.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op 14 november 2018 in een loods gelegen achter een woning aan [adres 2] in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. De woning en de loods waren destijds eigendom van de verdachte en haar echtgenoot, zijnde de medeverdachte [medeverdachte] .
De verdachte heeft over de hennepkwekerij niets willen verklaren en is in eerste aanleg noch in hoger beroep verschenen. De medeverdachte [medeverdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2023 in de zaak van de verdachte als getuige een verklaring afgelegd.
[medeverdachte] heeft als getuige verklaard dat andere personen de hennepkwekerij in de loods hebben geëxploiteerd, dat hij daartoe de loods ter beschikking heeft gesteld en dat er verder geen afspraken waren gemaakt, bijvoorbeeld over de vergoeding die hij voor het ter beschikking stellen van de loods zou krijgen. Op vragen van het hof om nadere en specifieke informatie te verstrekken over de door de getuige bedoelde personen heeft de getuige geen antwoord willen geven.
Nu de verklaring van de getuige [medeverdachte] dat andere personen dan hijzelf en de verdachte de hennepkwekerij zouden hebben opgezet of bij de teelt waren betrokken, niet concreet, specifiek of verifieerbaar is, gaat het hof hieraan voorbij.
Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat andere personen dan leden van het gezin van de verdachte gebruik maakten van de achter de woning van de verdachte gelegen loods. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt juist dat de loods, waarin de hennepkwekerij was ingericht, in gebruik was de verdachte en haar gezin. In de loods waren twee ruimtes ingericht als slaapkamer/kantoor, terwijl in een andere ruimte in de loods verschillende honden en hondenmanden aanwezig waren. De illegale aansluiting voor het wegnemen van de elektriciteit ten behoeve van de kwekerij bevond zich bovendien (in de hoofdaansluitkast) in de woning van de verdachte en de medeverdachte.
Nu de loods waarin de hennepkwekerij zich bevond en het woonhuis destijds eigendom waren van de verdachte en haar echtgenoot, zij aldaar met het gezin ook woonachtig was en zowel de loods als de woning bij hen in gebruik waren en niet aannemelijk is geworden dat anderen bij de hennepkwekerij betrokken waren, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte en de medeverdachte zich als medeplegers aan de hennepteelt en stroomdiefstal schuldig hebben gemaakt, zoals bewezen is verklaard.
Het verweer wordt mitsdien verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft in een loods achter haar woning samen met haar partner een omvangrijke hennepkwekerij gehad van ruim 800 hennepplanten. Het op grote schaal kweken van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Daarnaast zijn met de handel in verdovende middelen grote winsten te behalen, hetgeen mede tot gevolg heeft dat deze vorm van criminaliteit regelmatig gepaard gaat met ernstige vormen van geweld. Daarbij heeft de verdachte zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Een kwekerij waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net kan, indien de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar opleveren voor de omgeving. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op de straffen die zijn opgenomen in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, en bij straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Daarbij is voor een hennepkwekerij als de onderhavige bij een first offender het uitgangspunt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Het hof acht de in de oriëntatiepunten geformuleerde straf in beginsel passend. Echter, bij
de strafvervolging van verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden. In eerste aanleg was sprake van een overschrijding met enkele weken en in hoger beroep is de redelijke termijn met bijna 7 maanden overschreden. In totaal is daardoor sprake van een overschrijding van 6-12 maanden. Dit leidt volgens vaststaande jurisprudentie in beginsel tot een reductie van de op te leggen straf met 10%. Het hof zal die in mindering brengen op de taakstraf.
Derhalve zal een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 162 uren, subsidiair 81 dagen hechtenis.
Met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 11.635,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. Ter zitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij deze vordering gehandhaafd als primair standpunt en subsidiair een schadevergoeding gevorderd van een bedrag van € 5.600,88. Dit bedrag is gebaseerd op het uitgangspunt dat er in de kweekruimtes 1 en 3 twee oogsten hebben plaatsgevonden en in kweekruimte 2 één oogst en dat in kweekruimte 2 gedurende vier weken voor 188 planten stroom is gebruikt.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 162 (honderdtweeënzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 81 (eenentachtig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.600,88 (vijfduizend zeshonderd euro en achtentachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, aan de zijde van de benadeelde partij tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.600,88 (vijfduizend zeshonderd euro en achtentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 63 (drieënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 november 2018.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,
en op 20 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.C. Bosch en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.