Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-07-13
ECLI:NL:GHSHE:2023:2342
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,088 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.323.604/01
zaaknummer rechtbank : C/03/304092 / FA RK 22-1415
beschikking van de meervoudige kamer van 13 juli 2023
inzake
[de man]
,
wonende te [woonplaats] (Nigeria),
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. W.G.A. van Hoogstraten,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R.F. Cohen.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht,Limburg (Maastricht) Rechtbank Civiel van 6 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De man is op 3 maart 2023 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking.
2.2.
De vrouw heeft op 12 april 2023 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juni 2023. De vrouw is in persoon verschenen en zij is bijgestaan door haar advocaat. De man heeft de mondelinge behandeling digitaal bijgewoond, daarbij bijgestaan door zijn advocaat, die in de zittingszaal aanwezig was.
2.3.1.
Door de advocaat van de man zijn pleitaantekeningen overgelegd.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- een V8-formulier namens de man van 8 mei 2023;
- een V8-formulier namens de vrouw van 9 mei 2023;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 oktober 2022;
- het V6-formulier met bijlage (productie 9) namens de man van 25 mei 2023;
- het V6-formulier met bijlage (productie 13) namens de vrouw van 31 mei 2023;
- het V8-formulier namens de man van 1 juni 2023.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen zijn op 8 februari 2019 met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd. Op 3 december 2021 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 25 maart 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
3.3.
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de man met ingang van 8 april 2022 een bedrag van € 3.690,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
4.2.
De man heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de vorderingen van de vrouw af te wijzen. De grieven van de man zien op de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw (grief 1), de draagkracht van de man (grief 2) en de brutering van de partneralimentatie (grief 3).
4.3.
De vrouw heeft in haar verweerschrift verzocht de bestreden beschikking, zo nodig onder aanvulling van gronden, te bekrachtigen.
Motivering
Rechtsmacht en toepasselijk recht.
5.1.
De man woont in Nigeria, waardoor de zaak een internationaal karakter heeft. Dit vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Het Nederlands recht is van toepassing.
Ingangsdatum/terugwerkende kracht
5.2.
De door de rechtbank bepaalde ingangsdatum, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg (8 april 2022) is tussen partijen niet in geschil, en staat
daarmee vast.
Partneralimentatie
5.3.
De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de brutering van de partneralimentatie zijn in hoger beroep in geschil.
De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw
5.4.1.
De man stelt dat de rechtbank bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw ten onrechte is uitgegaan van een netto gezinsinkomen van € 7.177,- per maand. De man heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. De man stelt, onder verwijzing naar de in hoger beroep overgelegde productie 2 tot en met 8, dat moet worden uitgegaan van een inkomen van € 138.875, - over de totale huwelijkse periode (8 februari 2019 tot 3 december 2021 = 34 maanden). De man gaat uit van een netto gezinsinkomen van € 4.084,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte bedraagt in dat geval € 2.450,- netto per maand. Over de periode van 28 augustus 2020 tot en met 15 november 2020 heeft de man geen inkomen gehad en vanaf 16 november 2020 heeft de man een inkomen van € 1.223,52 bruto per maand.
5.4.2.
De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij heeft, kort samengevat, het volgende gesteld. In de echtscheidingsprocedure heeft de man zich op het standpunt gesteld dat over de periode van 21 januari 2019 tot en met mei 2020 een bedrag van € 114.830,60 aan inkomsten van de man op de rekening van de vrouw zijn binnen gekomen. De vrouw verwijst naar productie 3 in eerste aanleg. Het gaat hier over een periode van 16 maanden. Per maand gaat het dus over een inkomen van € 7.177,- netto per maand. Gelet op dit gezinsinkomen kan de huwelijksgerelateerde behoefte van vrouw worden vastgesteld op een bedrag van € 4.306,- netto per maand. De vrouw betwist dat de man over de periode van 28 augustus 2020 tot en met 15 november 2020 geen inkomen zou hebben gegenereerd. Verder betwist de vrouw dat de man vanaf 15 november 2020 slechts een inkomen van € 1.223,52 bruto per maand zou genereren. Hetgeen de man stelt over zijn inkomen vanaf 16 november 2020 is niet volledig en onjuist.
5.4.3.
Het hof volgt de man niet in zijn stellingen. Voor de vaststelling van de behoefte is de welstand tijdens het huwelijk bepalend, met name de periode voorafgaand aan het feitelijk uiteengaan van partijen. Partijen zijn op 8 februari 2019 gehuwd. Het staat vast dat partijen eind november 2019 feitelijk uiteen zijn gegaan, toen de vrouw uit Nigeria vertrok en naar Nederland terugkeerde, waarna zij in augustus 2020 het echtscheidingsverzoek heeft ingediend. Het hof acht derhalve met name het netto besteedbaar inkomen in 2019 voor de behoefte van belang. Dat de man vanaf 28 augustus 2020 geen inkomen en vanaf 16 november slechts een beperkt inkomen heeft genoten, speelt dus geen rol bij de bepaling van de behoefte van de vrouw. Gelet hierop gaat het hof uit van het netto bedrag dat door de man gedurende het huwelijk op de rekening van de vrouw is gestort in de periode van 21 januari 2019 tot en met mei 2020. Dit resulteert in een huwelijksgerelateerde behoefte van
€ 4.306,- per maand. De grief van de man faalt.
De aanvullende behoefte de vrouw
5.5.
De door de rechtbank bepaalde aanvullende behoefte van de vrouw, te weten € 2.030,- netto per maand, zijnde € 3.862,- bruto per maand is tussen partijen niet in geschil, en staat
daarmee vast.
De draagkracht van de man
5.6.
De man stelt dat hij geen draagkracht heeft nu hij over de periode van 28 augustus 2020 tot en met 15 november 2020 geen inkomen heeft gegenereerd en sedertdien, vanaf 16 november 2020, een inkomen van € 1.223,52 bruto per maand verdient. Het hof overweegt hierover als volgt.
Het staat vast dat de man op 20 februari 2019 in dienst is getreden bij [onderneming 1] tegen een salaris gedurende de 6 maanden proeftijd van € 7.000 netto en daarna € 8.000 netto. Op 1 mei 2020 is de man in dienst getreden bij [onderneming 2] tegen een salaris gedurende de drie maanden proeftijd van € 5.000 netto en daarna € 10.000 netto. Na ommekomst van de drie maanden proeftijd echter werd die proeftijd verlengd met drie maanden tegen een netto salaris van € 3.500. De man maakte daarbij gebruik van de zogenaamde “20%-regeling”. In een e-mail van de man aan mr. [mr.] van 4 november 2018 schrijft de man dat in de wet van Nigeria is vastgelegd dat 20% van het salaris moet worden gestort op een Nigeriaanse bank en de rest kan op een bank naar keuze worden gestort. Voorts wordt in de arbeidsovereenkomsten van zowel [onderneming 1] als [onderneming 2] de 20% regel genoemd, in die zin dat van het salaris van de man 20% zal worden betaald in locale valuta en 80% in euros zal worden betaald op een buitenlandse bankrekening. Het staat vast dat de man in zijn functies voorafgaand aan zijn huidige functie het grootste deel van zijn salaris liet overmaken naar een bank naar keuze, waaronder een Zwitserse bankrekening. Op 28 augustus 2020 werd de arbeidsovereenkomst bij [onderneming 2] door de werkgever beëindigd. Op 16 november 2020 trad de man in dienst bij zijn huidige werkgever [onderneming 3] .
De man heeft beargumenteerd dat het verschil in inkomen is ontstaan vanwege het feit dat hij geen expat contract meer kan krijgen als gevolg van de corona-epidemie en de enorme inflatie in Nigeria, en dus noodgedwongen genoegen heeft moeten nemen met een zogenaamd “local contract”. De man heeft echter deze stellingen op geen enkele wijze onderbouwd met stukken en/of verifiëerbare gegevens. Voorts acht het hof een dergelijke inkomensachteruitgang niet aannemelijk, nu een inkomen van € 1.223,50 bruto per maand in geen verhouding staat tot zijn eerdere inkomen, terwijl hij thans een functie als Sales Director bekleedt bij [onderneming 3] dat een van de grootste bedrijven van Nigeria is en waarbij hij als secundaire arbeidsvoorwaarden een auto met privéchauffeur heeft en zijn werkgever bovendien een luxueus appartement voor hem bekostigt.
Voorts heeft de man ook in hoger beroep onvoldoende (financiële) stukken overgelegd. Zo heeft de man nagelaten onder andere zijn jaaropgave van 2019, 2020, 2021 en 2022, een overzicht van zijn vermogenspositie (banksaldi) en een overzicht van (de door zijn werkgever) betaalde belastingen te verstrekken. Ook tijdens de mondelinge behandeling is onvoldoende inzichtelijk gemaakt waaruit op dit moment het inkomen van de man bestaat. De overgelegde salarisspecificaties, de Nigeriaanse bankafschriften met de storting van zijn salaris, de arbeidsovereenkomst en enkele algemene stellingen over het relatief goedkope leven dat de man naar Nigeriaanse standaarden zou leiden, volstaan daartoe niet.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat de man onvoldoende inzicht in zijn financiële positie heeft gegeven. Nu de man onvoldoende adequate financiële gegevens in het geding heeft gebracht heeft hij niet voldaan aan de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 december 2022.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, J.C.E. Ackermans-Wijn en M.A. Ossentjuk en is op 13 juli 2023 uitgesproken in het openbaar door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van de griffier.