Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-07-06
ECLI:NL:GHSHE:2023:2214
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,632 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 6 juli 2023
Zaaknummers : 200.324.874/01 en 200.327.834/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/404946/ JE RK 23-9
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. van Vliet,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
Deze zaak gaat over (de verlenging van) de ondertoezichtstelling van de minderjarigen:
[minderjarige 1]
(hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005;
[minderjarige 2]
(hierna: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,
[minderjarige 3]
(hierna: [minderjarige 3] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;
hierna tezamen ook genoemd: de kinderen.
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
- [de vader], wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de vader;
- Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Procesverloop
Het hof verwijst in de zaak onder zaaknummer 200.324.874 voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 21 februari 2023 op schrift gesteld op 7 maart 2023, uitgesproken onder zaaknummer C/02/404946/ JE RK 23-9, en in de zaak onder zaaknummer 200.327.834 naar de beschikking van dezelfde rechtbank van 17 mei 2023 onder zaaknummer C/02/404946 / JE RK 23-9.
Procesverloop
In de zaak 200.324.874:
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 maart 2023, heeft de moeder primair verzocht voormelde beschikking van 21 februari 2023 op grond van strijd met artikel 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) nietig te verklaren en subsidiair verzocht voormelde beschikking te vernietigen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 28 april 2023, heeft de vader verzocht de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen.
2.3.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 1 mei 2023 heeft de raad verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking van 21 februari 2023 in stand te laten.
In de zaak 200.327.834:
2.4.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 juni 2023, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 17 mei 2023 te vernietigen.
In beide zaken:
2.5.
Het hof heeft beide zaken op de mondelinge behandeling gelijktijdig behandeld en zal in deze beschikking in beide zaken beslissen.
2.6.
De mondelinge behandeling in beide zaken heeft plaatsgevonden op 7 juni 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Van Vliet.
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad;
- de vader, bijgestaan door mr. M.B.A. de Bruijn;
- [vertegenwoordigers van de GI] namens de GI.
2.6.1.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.
Zij hebben hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 5 juni 2023. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brieven zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.7.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
de brief met bijlage van de GI d.d. 25 mei 2023;
het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 31 mei 2023;
de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de moeder overgelegde pleitnota.
Feiten
3.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders. De kinderen wonen bij de moeder.
In de zaak met zaaknummer 200.324.874/01:
3.2.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 21 februari 2023 heeft de rechtbank de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 21 februari 2023 tot en met 20 mei 2023 onder toezicht gesteld en de behandeling van het resterende deel van het verzoek aangehouden.
In de zaak met zaaknummer 200.327.834/01:
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 17 mei 2023 heeft de rechtbank, gelet op de afloopdatum van de ondertoezichtstelling op 20 mei 2023 en vanwege het feit dat het niet mogelijk was de zaak opnieuw voor een mondelinge behandeling in te plannen vóór die afloopdatum, de ondertoezichtstelling voor een periode van twee maanden ambtshalve verlengd tot 21 juli 2023 en de zaak voor het overige aangehouden.
3.4.
Het hof heeft de raad en de vader, vanwege de korte termijn, in de gelegenheid gesteld tijdens de mondelinge behandeling verweer te voeren.
In beide zaken:
De standpunten
3.5.
De moeder voert in de beroepschriften, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan. De eerste grief van de moeder tegen de beschikking van 21 februari 2023 richt zich tegen het feit dat de kinderrechter heeft geoordeeld dat de moeder is opgeroepen maar niet is verschenen. Zij heeft verzocht digitaal deel te nemen aan de mondelinge behandeling vanwege haar zeer kwetsbare gezondheid en omdat zij tot de risicogroep voor Covid-19 behoort maar dat verzoek is ten onrechte afgewezen. Op grond van artikel 30p lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) kan de rechter alleen tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen wanneer alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen. De rechter heeft in strijd hiermee gehandeld waardoor de beschikking nietig is.
Verder komt de moeder in beide beroepen op tegen het oordeel dat de kinderen meer rust, structuur en duidelijkheid nodig zouden hebben. De moeder bestrijdt dit met klem. Toen in maart 2020 Covid is gekomen en de kinderen als gevolg daarvan thuis onderwijs moesten volgen, heeft de moeder de kinderen intensief begeleid en is zij nauw in contact gebleven met de scholen. De moeder heeft de kinderen juist duidelijkheid en structuur geboden. Het is juist het negatieve handelen van de leerplichtambtenaar die de rust, structuur en duidelijkheid verstoord heeft.
Ook betoogt de moeder dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld bij haar onderzoek dat tot het beschermingsrapport heeft geleid. Er is geen acht geslagen op de gemotiveerde stellingen van de moeder en de kinderrechter is ten onrechte volledig meegegaan met de visie en de conclusies van de raad.
De ondertoezichtstelling is niet in het belang van de kinderen en verstoort juist de rust, regelmaat en duidelijkheid voor de kinderen.
Er is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. De moeder betwist dat het de scholen van de kinderen niet gelukt is goede afspraken met haar te maken. De kinderen hebben gedurende drie jaar wekelijks van de scholen hun huis- en leerwerk toegestuurd gekregen en gemaakt. Door toedoen van de leerplichtambtenaar is dit gestopt. De kinderen volgen sinds september 2022 via InterTeach volledig onderwijs. Er is bij InterTeach zicht op de kinderen en de directrice stelt zelfs dat er geen zorgen over hen zijn. De moeder was en is altijd bereikbaar en benaderbaar en indien noodzakelijk kan hulpverlening vanuit het vrijwillig kader plaatsvinden. Een gedwongen kader is niet noodzakelijk. De ondertoezichtstelling is een onacceptabele inbreuk op de privacy van haar en de kinderen. Zij heeft het recht haar kinderen naar eigen inzicht op te voeden.
3.6.
De raad voert in het verweerschrift, en aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – in beide zaken het volgende aan. Het raadsonderzoek is zorgvuldig uitgevoerd en tot stand gekomen. Voor zover de moeder hierover klaagt, dient zij een andere procedure te volgen.
De raad heeft in het rapport van 5 januari 2023 geconcludeerd dat de kinderen behoefte hebben aan rust en duidelijkheid en ook aan de hand van voorbeelden uitgelegd waarom die behoefte bestaat. Zo hebben de kinderen onduidelijkheid ervaren over het al dan niet vertrekken naar Suriname, en als ze zouden vertrekken hoe hun leven er daar dan zou gaan uitzien. Ook was er onduidelijkheid op het gebied van de schoolgang van de kinderen. Voor [minderjarige 1] was het onduidelijk of hij examen zou kunnen doen bij InterTeach, en het was voor hem onduidelijk hoe zijn leven er na zijn examens uit zou gaan zien. De raad blijft bij zijn standpunt dat het voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] belangrijk is dat zij opgroeien in een emotioneel veilige opvoedingsomgeving, waarbij zij worden gestimuleerd in hun ontwikkeling en er duidelijkheid, voorspelbaarheid, stabiliteit, rust en regelmaat wordt geboden. De zorgen die de raad heeft zijn nog onverminderd aanwezig.
De raad is van mening dat er voldaan is aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Het vrijwillige kader is niet passend bij de langdurige en complexe zorgen binnen het gezin. Vanwege hun onderlinge verstandhouding kunnen de ouders niet samen handelen. Ook toont de moeder een gering probleembesef. De inzet van de GI wordt door de moeder niet geaccepteerd met als gevolg dat er geen enkel zicht is op de kinderen. Daardoor ontstaan er zorgen en lukt het niet die zorgen voldoende weg te nemen. Het feit dat de moeder (ondanks dat dit niet geverifieerd kan worden) tot de Covid risicogroep behoort, mag er niet toe leiden dat de kinderen nooit meer, althans niet zolang er corona rondgaat, fysiek deelnemen aan de maatschappij. De kinderen zelf hebben geen verhoogd risico op corona of op hevige gevolgen als gevolg van een coronabesmetting in verband waarmee fysiek onderwijs voor de kinderen onmogelijk is. Hoewel de raad de keuze van de moeder voor digitaal onderwijs accepteert, worden de zorgen rondom de ontwikkeling van de kinderen, waaronder de zorg dat zij voldoende worden voorbereid op een zelfstandig volwassen leven, niet weggenomen. Zolang niemand, ook de GI niet, door de moeder in de gelegenheid wordt gesteld om meer duidelijkheid over het leven van de kinderen te krijgen, zullen de zorgen onverminderd blijven bestaan. Een ondertoezichtstelling is vanwege de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog steeds noodzakelijk.
3.7.
De vader voert in zijn verweerschrift, en aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, in beide zaken het volgende aan. De kinderrechter heeft niet in strijd met artikel 30p Rv gehandeld. Het feit dat de advocaat van de moeder aanwezig was, volstaat voor het kunnen doen van een mondelinge uitspraak. De moeder heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd verzocht waarom zij de zitting digitaal wilde bij te wonen. Zij had passende maatregelen kunnen nemen die haar voldoende zouden beschermen tegen Covid-19.
Omdat er geen zicht is op de kinderen, kan de vader onvoldoende beoordelen of de moeder de kinderen voldoende rust, structuur en duidelijkheid biedt. Vanwege het feit dat daar geen zicht op is, zijn er grote zorgen over de sociaal emotionele ontwikkeling van de kinderen. De vader staat achter de bevindingen van de raad en de conclusies die de raad in zijn rapport trekt.
Er is voldaan aan de wettelijke vereisten tot ondertoezichtstelling.
Motivering
In de zaak met nummer 200.324.874/01:
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
Mondelinge uitspraak rechtbank
3.9.1
Anders dan de moeder aanneemt heeft de kinderrechter, zo begrijpt het hof uit de schriftelijke uitwerking van 7 maart 2023, geen toepassing gegeven aan artikel 30p Rv, maar gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling uitspraak te doen in alle soorten van uitspraken, dus ook einduitspraken, in het geval dat een zodanig spoedeisend belang bestaat bij een uitspraak dat een (volledige) schriftelijke uitwerking daarvan niet kan worden afgewacht en de uitspraak dus aanvankelijk alleen in mondelinge vorm kan worden gedaan. Reeds op die grond faalt deze grief van de moeder. Overigens constateert het hof dat de moeder weliswaar niet in persoon is verschenen tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg maar wel vertegenwoordigd werd door haar advocaat die ook namens haar het woord heeft gevoerd. De rechtbank heeft zowel een proces-verbaal van de mondelinge behandeling opgemaakt alsook de beschikking binnen twee weken na de mondelinge behandeling aan partijen verstrekt. Niet valt in te zien dat de moeder onevenredig in haar belangen bij een tijdige kennisname van de beslissing is geschaad.
Rechtmatigheidstoets
3.9.2.
De periode waarvoor de ondertoezichtstelling in de bestreden beschikking van 21 februari 2023 is uitgesproken, is op 20 mei 2023 verstreken. Dit brengt mee dat in de zaak met nummer 200.327.834/01 enkel de rechtmatigheid van die beslissing ter beoordeling staat. De moeder heeft immers gemotiveerd betoogd dat zij belang bij deze beoordeling heeft.
3.9.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , kort gezegd, omdat zij alle drie sinds de uitbraak van corona niet meer fysiek naar school zijn geweest. Nadat het de scholen en de moeder niet is gelukt passende afspraken te maken, heeft de moeder de kinderen voor het schooljaar 2022/2023 zonder toestemming van de vader noch met vervangende toestemming van de rechtbank ingeschreven bij InterTeach (een school die digitaal onderwijs aanbiedt).
3.9.4.
Het hof is van oordeel dat de gronden voor ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de periode van 21 februari 2023 tot 20 mei 2023 aanwezig waren. De beslissing van de rechtbank tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in die periode zal het hof daarom bekrachtigen.
3.9.5.
Hoe het hof tot dat oordeel is gekomen, zal het hof hieronder onder rov. 3.11.8. en verder motiveren nu het hof van oordeel is dat dezelfde gronden voor de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook thans nog aanwezig zijn.
In de zaak met nummer 200.327.834/01:
3.9.6.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
3.9.7.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.9.8.
Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van oordeel dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (nog steeds) ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Deze bedreiging is onder meer gelegen in het feit dat de kinderen sinds de coronapandemie niet meer fysiek naar school gaan. Voorop gesteld wordt dat de Onderwijsinspectie de onderwijsinstelling waar thans onderwijs wordt gevolgd, Interteach, niet heeft aangemerkt als een school die voldoet aan de Leerplichtwet. Een procedure daarover is nog lopende.
De zorgen spitsen zich in dit geval onder meer toe op de vraag of de kinderen door deze slechts digitale leeromgeving een adequate ontwikkeling doormaken. Het aanleren en ontwikkelen van bepaalde vaardigheden, nodig voor de ontwikkeling, acht het hof in beginsel in het bijzonder mogelijk als minderjarige kinderen elkaar buiten het gezin op school fysiek treffen en op deze wijze sociale interactie met elkaar en met de docenten hebben. Alhoewel het hof er oog voor heeft dat voor een bepaalde
groep leerlingen (bijvoorbeeld kinderen die gedijen in een prikkelarme omgeving)
onderwijs op afstand zou kunnen werken, moet als uitgangspunt worden
aangenomen dat voor een ononderbroken ontwikkelproces van kinderen fysiek onderwijs nodig is.
Niet aannemelijk is geworden dat voor de kinderen van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.
3.9.9.
Op de vraag waarom de kinderen nog steeds digitaal onderwijs volgen en tot wanneer heeft de moeder - ook tijdens de mondelinge behandeling - geen duidelijk antwoord gegeven. De omstandigheid dat de kinderen bij Interteach goed gedijen en het naar de zin hebben, dat zij kwetsbaar zijn voor Covid en er geen geschikt alternatief zou zijn, is, nog daargelaten de juistheid ervan, niet voldoende om te concluderen dat het volgen van regulier onderwijs niet in het belang van de kinderen is. Dit klemt temeer nu twee van de drie kinderen vֶóór de coronapandemie speciaal onderwijs volgden, terwijl bij de door de Onderwijsinspectie niet erkende school Interteach juist geen gespecialiseerde leerkrachten zijn, zoals blijkt uit het overgelegde advies van de Onderwijsinspectie. De kinderen behalen weliswaar goede resultaten op InterTeach en op cognitief gebied zijn er mogelijk geen zorgen, maar dat neemt niet weg dat de zorgen rondom de kinderen veel verder strekken dan alleen de cognitieve ontwikkeling. Omdat de kinderen geen fysiek onderwijs volgen, missen zij de hierboven noodzakelijke geachte contacten met anderen, zoals leeftijdsgenoten en leerkrachten. Weliswaar zegt de moeder dat de kinderen ook buiten het onderwijs actief zijn en optrekken met andere leeftijdsgenoten, maar dit is nergens uit gebleken. Ook de Raad heeft dit tijdens het onderzoek niet kunnen vaststellen terwijl ieder contact met de GI tot op heden wordt afgehouden. Daarmee kunnen deze mededelingen van de moeder niet worden geverifieerd en daarmee de zorgen ook niet weggenomen. Overigens heeft ook het hof zich geen eigen beeld van de kinderen kunnen vormen omdat de kinderen geen gebruik hebben gemaakt van de hen geboden gelegenheid met de rechter te komen praten.
De moeder lijkt een zodanig beperkte sociale omgeving voor de kinderen te creëren dat er grote zorgen zijn over hun sociale ontwikkeling. Uit het raadsrapport van 5 januari 2023 komt naar voren dat er zorgen zijn wanneer en op welke wijze [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] weer fysiek en op continue basis gaan deelnemen aan de maatschappij. De drie kinderen hebben volgens de informatie van de moeder nagenoeg dezelfde interesses en invulling van hun vrije tijd.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de moeder niet slagen en dat leidt ertoe dat de beide bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd en de verzoeken van de moeder worden afgewezen.
Dictum
Het hof:
In de zaak met nummer 200.324.874/01 (instellingsbeschikking):
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zittingsplaats Middelburg van 21 februari 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte;
In de zaak met nummer 200.327.834/01 (verlengingsbeschikking):
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zittingsplaats Middelburg van 17 mei 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte;
In beide zaken:
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.J.F. Manders en H.M.A.W. Erven en is op 6 juli 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.