Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-06-14
ECLI:NL:GHSHE:2023:1950
Strafrecht
Hoger beroep
2,255 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000140-22
Uitspraak : 14 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 januari 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-006957-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. De vordering van de benadeelde partij [naam aangever] is gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 645,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen gijzeling. Tevens is de verdachte veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en is bepaald dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroep op noodweer(exces) zal verwerpen en bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam aangever] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof een bedrag ter hoogte van € 2.645,06 zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, inhoudende 36 dagen gijzeling bij gebreke van betaling en verhaal.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hem een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam aangever] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met een geslaagd beroep op noodweer(exces). Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof en ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding dient te worden gematigd tot nihil in verband met de eigen schuld van de benadeelde partij.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 10 oktober 2020 te Grave [naam aangever] heeft mishandeld door die [naam aangever] een of meermalen met kracht op/tegen diens gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen, een gebroken kaak en/of een gebroken neus, althans een of meerdere breuken in diens aangezicht, ten gevolge heeft gehad.
Vrijspraak
Op grond van het dossier stelt het hof vast dat tussen de verdachte en aangever [naam aangever] (hierna: (de) aangever) op 10 oktober 2020 op het parkeerterrein bij de Lidl te Grave een woordenwisseling is ontstaan. Op enig moment is de verdachte richting aangever gelopen, waarop aangever tegen de verdachte heeft gezegd dat hij zijn bril dubbel in zijn gezicht zou slaan, althans woorden van gelijke strekking. Hierop heeft de verdachte verbaal gereageerd maar, naar het oordeel van het hof, heeft de verdachte hierbij geen bedreigende woorden geuit tegen aangever. Vervolgens heeft aangever de verdachte geschopt in zijn kruis, waarop de verdachte éénmaal een vuistslag heeft gegeven in/tegen het gezicht van aangever.
Anders dan de politierechter is het hof van oordeel dat de door de verdachte aan aangever gegeven vermeende duw buiten beschouwing dient te worden gelaten, nu de verklaringen hieromtrent uiteenlopen. De verdachte heeft verklaard dat er geen duw heeft plaatsgevonden en aangever heeft verklaard dat hij een stomp tegen zijn schouder heeft gekregen van de verdachte. De getuige [naam getuige] heeft op zijn beurt weer verklaard dat juist aangever de verdachte zou hebben geduwd. Gelet op het voorgaande kan door het hof niet worden vastgesteld of er een duw tussen de verdachte en aangever heeft plaatsgevonden en wie deze duw zou hebben gegeven. Daarnaast gaat het hof uit van de omstandigheid dat de verdachte aangever éénmaal een vuistslag in/tegen het gezicht heeft gegeven, nu de verklaringen van de verdachte en aangever op dit punt overeenkomen.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer een beroep gedaan op noodweer. Het hof ziet zich aldus voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte onder de gegeven feiten en omstandigheden gerechtvaardigd was, in die zin dat hem een geslaagd beroep toekomt op noodweer. In dat verband overweegt het hof als volgt.
In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de tenlastegelegde gedragingen en moet de verdachte bijgevolg in zoverre van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal is het hof, met de verdediging, van oordeel dat aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, nu op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden sprake was van een noodweersituatie waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Het hof overweegt daartoe het navolgende. Het hof is van oordeel dat tijdens de woordenwisseling tussen de verdachte en aangever en het lopen van de verdachte richting aangever geen sprake is van handelingen van de verdachte die waren gericht op een confrontatie. Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de situatie is geëscaleerd door de bedreigende woorden die aangever richting de verdachte heeft geuit, waarop aangever vervolgens de verdachte in zijn kruis heeft geschopt.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [naam aangever]
Verklaart de benadeelde partij [naam aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter,
mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 14 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.