Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-06-08
ECLI:NL:GHSHE:2023:1889
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,180 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 8 juni 2023
Zaaknummer : 200.325.155/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/403968 / JE RK 22-2090
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
en
[de stiefvader],
beiden wonende te [woonplaats],
verzoekers in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder en de stiefvader, dan wel: appellanten,
advocaat: mr. C.C. Peterse,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
Als belanghebbenden wordt aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te [vestigingsplaats], de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.
Procesverloop
1.1.
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, uitgesproken onder voormeld zaaknummer op 2 januari 2023, en op schrift gesteld op 16 januari 2023.
1.2.
Deze zaak gaat over de uithuisplaatsing van [minderjarige].
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 maart 2023, hebben de moeder en de stiefvader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de machtiging uithuisplaatsing ten behoeve van [minderjarige] te beperken in duur en deze te laten eindigen op 2 juli 2023, dan wel een datum die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 mei 2023, heeft de raad verzocht om het verzoek van de moeder en de stiefvader in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder en de stiefvader, bijgestaan door mr. Peterse;
mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad;
mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
2.4.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met de voorzitter gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 januari 2023.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en [de vader] (de vader) is de minderjarige [minderjarige] geboren. De moeder heeft het gezag over [minderjarige]. [minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader.
3.2.
Bij beschikking van 13 oktober 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is er een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen. [minderjarige] verblijft sindsdien bij [instantie].
3.3.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] met ingang van 2 januari 2023 tot 2 januari 2024 onder toezicht gesteld en een machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 5 januari 2023 tot uiterlijk 2 januari 2024 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3.4.
De moeder en de stiefvader kunnen zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft en zijn hiervan in zoverre hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder en de stiefvader voeren, samengevat, het volgende aan.
De uithuisplaatsing heeft een grote impact op het leven van [minderjarige] en het gezin. Een kind van zijn ouders scheiden is een uiterste maatregel, die alleen mag worden toegepast als dat in het belang van het kind is. Gelet op de meest recente ontwikkelingen, waaronder de uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige] en de positieve ontwikkelingen die [minderjarige] zelf heeft doorgemaakt, kan [minderjarige] in afwachting van de juiste behandelplaats weer volledig thuis worden geplaatst, waar hij inmiddels al van vrijdagmiddag tot zondagochtend verblijft. [minderjarige] heeft bij [instantie] weinig om handen. Hij gaat nog niet naar een reguliere school, maar krijgt praktijklessen bij [instantie]. Er zijn verder weinig mogelijkheden voor een bijbaantje en voor sport. Het verblijf bij [instantie] wordt als weinig zinvol ervaren, aangezien [minderjarige] bij [instantie] niet de hulpverlening kan krijgen die voor hem noodzakelijk is. Bovendien is een deel van het trauma bij [minderjarige] in [plaats] ontstaan, zodat zijn verblijf bij [instantie] in [plaats] voor zijn welzijn niet bevorderlijk is. Dit alles bemoeilijkt de acceptatie van het verblijf bij [instantie]. De moeder en de stiefvader hebben nu meer kennis over de problematiek waarmee [minderjarige] te kampen heeft en ook [minderjarige] heeft meer inzichten gekregen. Nu er nog geen juiste behandelplek beschikbaar is, hetgeen nog enige tijd kan duren, hebben de moeder en de stiefvader er vertrouwen in dat [minderjarige] bereid en gemotiveerd is om straks de behandeling vanuit de thuissituatie aan te gaan.
3.6.
De raad voert, samengevat, het volgende aan.
Nu de uitkomst van het persoonlijkheidsonderzoek bekend is, kan er gericht gezocht worden naar een geschikte plek voor [minderjarige]. Het is nu duidelijker geworden welke behandeling [minderjarige] nodig heeft en het best bij zijn problematiek aansluit. Ter overbrugging dient [minderjarige] op de behandelgroep te blijven om te voorkomen dat er opnieuw een crisisplaatsing nodig is vanuit de thuissituatie. Alhoewel wordt gezien dat [minderjarige] het bij de moeder en de stiefvader fijn heeft, is het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat er met kleine stapjes en met proefperiodes worden toegewerkt naar een uitbreiding van de terugplaatsing. [minderjarige] heeft tijd nodig om dingen te leren, zodat een nieuwe teleurstelling kan worden voorkomen. Dit maakt dat er nog steeds een machtiging uithuisplaatsing nodig is.
3.7.
De GI voert, samengevat, het volgende aan.
Uit het persoonlijkheidsonderzoek is naar voren gekomen dat er bij [minderjarige] sprake is van een laag, disharmonisch IQ, en van trauma’s en hechtingsproblematiek. Dit maakt het vinden van een passend hulpverleningstraject belangrijk, maar tegelijkertijd ook complex. [minderjarige] is al bij twee instanties afgewezen omdat hij buiten de regio woonachtig is, hetgeen heel spijtig is. De GI wil samen met de moeder en de stiefvader inzetten op een systeemgerichte behandeling. Er is sprake van een goede samenwerking met de ouders en de GI acht het van belang om deze samenwerking te continueren.
Ten onrechte is het beeld ontstaan dat het verblijf van [minderjarige] bij [instantie] niet zinvol is. Alhoewel er een nieuwe plek voor [minderjarige] moet worden gevonden, waar hij ook behandeld kan gaan worden, wordt er bij [instantie] gewerkt aan het nakomen van afspraken, het bieden van kaders en structuur en aan het volgen van onderwijs. [minderjarige] heeft positieve stappen gezet, maar hij laat nog steeds zelfbepalend gedrag zien. Het is belangrijk dat er door middel van kleine stapjes wordt toegewerkt naar een terugplaatsing, zodat het risico op een nieuwe crisisplaatsing verkleind wordt. De GI beseft dat het onderwijs bij [instantie] [minderjarige] niet bevalt, maar deze schoolgang is van belang om de overgang te kunnen maken naar regulier onderwijs. Het is te vroeg voor [minderjarige] om nu naar huis te gaan en van daaruit te wachten op een goede behandelplek.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Overwegingen
3.9.
Het hof is op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling in stand blijft. Het hof zal uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.
Het is niet in geschil dat [minderjarige] te kampen heeft met forse problematiek en dat hij als gevolg daarvan ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Inmiddels heeft er een diagnostisch onderzoek plaatsgevonden en is gebleken dat [instantie] niet de geschikte plaats is om [minderjarige] te behandelen. Er is bij [minderjarige] sprake van trauma- en hechtingsproblematiek als gevolg van zijn belaste verleden. Het vinden van een passende behandelplek is lastig en kost tijd, omdat [minderjarige] een laag, disharmonisch IQ heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI druk doende is om een geschikte organisatie te vinden.
Dat [instantie] niet de juiste behandeling aan [minderjarige] kan bieden, betekent niet dat het verblijf van [minderjarige] bij [instantie] niet zinvol is. [minderjarige] krijgt bij [instantie] onder meer de nodige kaders en structuur aangeboden en hij volgt bij [instantie] weer onderwijs, hetgeen een terugkeer naar het regulier onderwijs eenvoudiger zal maken. Verder is gebleken dat [minderjarige] op sommige momenten nog steeds zelfbepalend gedrag laat zien, hetgeen een risico met zich brengt indien er te snel wordt ingezet op een volledige thuisplaatsing. Het hof twijfelt niet aan de goede intenties van zowel [minderjarige] als de moeder en de stiefvader, maar voorkomen moet worden dat [minderjarige] te snel en met te grote stappen weer (tijdelijk) terug naar huis gaat, met alle mogelijke gevolgen van dien. Met de raad en de GI is het hof van oordeel dat een nieuwe crisisplaatsing moet worden voorkomen.
Het voorgaande staat er niet aan in de weg dat er stapsgewijs wordt toegewerkt naar een uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige] enerzijds en de moeder en de stiefvader anderzijds. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI zich hiertoe inzet en dat de GI zich inspant om een goede samenwerking met de moeder en de stiefvader te behouden. [minderjarige] heeft echter nog een lange weg te gaan en het traject heeft tijd nodig.
Dit alles maakt dat de verleende machtiging uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk is, zodat de grieven van de moeder en de stiefvader niet slagen.
De conclusie
3.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 januari 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, H. van Winkel en K.A. Boshouwers en is op 8 juni 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.