Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-06-05
ECLI:NL:GHSHE:2023:1849
Strafrecht
Hoger beroep
2,412 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000017-20
Uitspraak : 5 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 17 december 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-993232-16 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van de onder 3, 5 en 6 ten laste gelegde feiten en ter zake van:
- feit 1: medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd;
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep moet, blijkens de appelakte van 31 december 2019 en de akte partiële intrekking hoger beroep van 19 mei 2023, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 4 ten laste is gelegd.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, met dien verstande dat het hof hierna tevens voor de overige, door de eerste rechter bewezenverklaarde feiten, gelet op het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, na te melden beslissing zal nemen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde en met inachtneming van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf zal bepalen en mitsdien de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Door de verdediging is vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit en voor het overige is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
4.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 september 2015 tot en met 08 november 2016 op/aan [adres 2] en/of op/aan [adres 3] en/of op/aan [adres 4] , gemeente Beek, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) elektriciteit, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes mededader(s), waarbij verdachte en/of verdachtes mededader(s) die weg te nemen elektriciteit (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat het bewijs tekort schiet dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Op te leggen sanctie
Het hof dient met inachtneming van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een straf te bepalen voor de door de rechtbank onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft voor de bepaling van de straf gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, en bij straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Voor een hennepkwekerij met 100-500 hennepplanten is het uitgangspunt een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Aangezien de bewezenverklaring van feit 2 ziet op een tweetal hennepkwekerijen met elk 286 hennepplanten, zou dit – bij eenvoudige vermenigvuldiging -neerkomen op een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Het hof is echter van oordeel dat, nu het gaat om twee kwekerijen op ongeveer gelijktijdige tijdstippen en op twee verschillende locaties, daarmee duidelijk wordt dat verdachte op grotere en professionele schaal bezig was met de teelt van hennep.
Het hof is van oordeel dat daardoor niet meer kan worden volstaan met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, maar voor deze feiten een vrijheidsbenemende straf als passend moet worden beschouwd.
Ten laste van de verdachte is daarnaast eveneens bewezen verklaard dat hij zich aan – kort gezegd – voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van synthetische drugs schuldig heeft gemaakt. Voor een dergelijk feit op zich worden doorgaans al zware straffen opgelegd. Dit gelet op het zeer gevaarzettend karakter van dergelijke feiten en de grote risico’s voor de gezondheid, de samenleving en het milieu. Het is duidelijk dat het de verdachte moet zijn gegaan om het geldelijk gewin. Alle andere belangen heeft hij daaraan duidelijk ondergeschikt gemaakt. Naar het oordeel van het hof kan derhalve – en anders dan bepleit door de raadsman – gelet op de aard en ernst van de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank heeft ter zake van de feiten 1, 2 en 4 een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, opgelegd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde op:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. J.F. Dekking en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,
en op 5 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.