Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-05-25
ECLI:NL:GHSHE:2023:1722
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,715 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.317.982/01
zaaknummer rechtbank : C/03/271411 / FA RK 19-4260
beschikking van de meervoudige kamer van 25 mei 2023
inzake
[de man],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. P.H.A. Brauer te Heerlen,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
zonder advocaat.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De zaak in het kort:
De man moet aan de vrouw een bijdrage in de kosten verzorging en opvoeding van de minderjarige betalen (kinderalimentatie). De rechtbank heeft het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie afgewezen. De man komt hiervan in hoger beroep.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 juli 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De man is op 26 oktober 2022 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2023 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 juli 2022;
de brief van mr. Brauer van 9 januari 2023 met producties 8-10;
de door mr. Brauer ingediende producties 11-13, ontvangen op 3 april 2023.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit de beschikking van de rechtbank van 12 april 2022 volgt dat als gevolg van DNA-onderzoek met een voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de man de biologische vader is van de minderjarige [minderjarige].
3.3.
De minderjarige woont bij de vrouw. De vrouw is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
3.4.
Bij beschikking van 23 januari 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van die datum een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 250,- per maand aan de vrouw moet voldoen.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man ten aanzien van de kinderalimentatie afgewezen en beslist dat de man een bedrag van € 1.126,- aan de vrouw moet betalen voor haar proceskosten.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de man het verzoek zoals geformuleerd in het petitum van het hoger beroepschrift en in de brief van
9 januari 2023, desgevraagd, nader toegelicht. In het petitum van het hoger beroepschrift is sprake van een kennelijke verschrijving, omdat de man verzoekt om wijziging van de beschikking van 23 augustus 2018 in plaats van 23 januari 2018. Uit de inhoud van het beroepschrift en de overgelegde stukken blijkt voldoende duidelijk dat het in onderhavige zaak gaat om wijziging van de beschikking van de rechtbank van 23 januari 2018.
4.3.
De man verzoekt vernietiging van de beschikking van 28 juli 2022 en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de beschikking van 23 januari 2018 wordt gewijzigd voor wat betreft de daarin vastgestelde kinderalimentatie, aldus dat de door de man te betalen kinderalimentatie:
met ingang van 23 januari 2018 wordt vastgesteld op € 92,- per maand (€ 117,- minus € 25,-), subsidiair op € 96,00, nog meer subsidiair op € 124,00;
met ingang van 1 januari 2019 wordt vastgesteld op € 92,- per maand (€ 117,- minus € 25,-), subsidiair op € 96,00, nog meer subsidiair op € 125,00;
met ingang van 1 januari 2020 wordt vastgesteld op nihil, subsidiair op € 25,- per maand, meer subsidiair gelijk wordt gesteld aan de behoefte van de minderjarige;
althans de kinderalimentatie te verlagen naar een in redelijkheid te bepalen bedrag en met ingang van een in redelijkheid te bepalen datum;
de kosten van de procedure bij de rechtbank en de kosten in deze beroepsprocedure te compenseren.
Motivering
5.1.
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Wettelijk kader en ingangsdatum
5.2.
De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat er door de man een beroep wordt gedaan op artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tijdens de procedure bij de rechtbank kon de man nog niet beschikken over onder meer de stukken van de gemeente met betrekking tot zijn financiële situatie in 2018 en verder.
5.3.
Het hof overweegt als volgt.
5.3.1.
In artikel 1:401 lid 4 BW is bepaald dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.3.2.
In de beschikking van 23 januari 2018 heeft de rechtbank geconstateerd dat de man niet is verschenen tijdens de mondelinge behandeling en geen verweer heeft gevoerd. De rechtbank heeft de kinderalimentatie daarom overeenkomstig het verzoek van de vrouw vastgesteld op € 250,- per maand. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende gegevens zijn om de alimentatie te kunnen herberekenen. Het verzoek van de man is om die reden afgewezen.
In hoger beroep heeft de man nadere gegevens met betrekking tot zijn financiële situatie overgelegd en het hof heeft hierna de kinderalimentatie (her)berekend. Het hof concludeert op basis van de beschikbare gegevens dat het bedrag dat de man aan de vrouw conform de beschikking van 23 januari 2018 aan kinderalimentatie moet betalen van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Gelet op het voorgaande zal het hof de kinderalimentatie wijzigen met ingang van 23 januari 2018 overeenkomstig hetgeen hierna is overwogen.
Behoefte
5.4.
De man heeft als productie 1 een behoefteberekening overgelegd, waaruit een behoefte van de minderjarige in 2014 volgt van € 147,- per maand. De man is daarbij uitgegaan van zijn gemiddelde winst uit onderneming in 2013 en 2014 en van een minimaal inkomen aan de zijde van de vrouw. De berekening is gebaseerd op de situatie dat partijen niet hebben samengewoond.
5.5.
Het hof overweegt als volgt. De door de vrouw bij de rechtbank ingenomen stelling dat partijen hebben samengewoond, is niet nader door haar onderbouwd en wordt door de man betwist. Er is door de vrouw geen verweer gevoerd tegen voornoemde berekening, zodat het hof hiervan uitgaat. De behoefte bedraagt geïndexeerd:
in 2018 € 155,56 per maand;
in 2019 € 158,67 per maand;
in 2020 € 162,64 per maand;
in 2021 € 167,52 per maand;
in 2022 € 170,70 per maand;
in 2023 € 176,50 per maand.
Draagkracht in 2018
5.6.
Uit de overgelegde stukken volgt dat de vrouw destijds een Wajong-uitkering ontving. Deze bedroeg in 2017 € 15.136,- bruto per jaar. Het hof gaat dan ook, net als de man, uit van een draagkracht van de vrouw in 2018 van € 25,- per maand.
De man heeft in 2018 gewerkt als thuiskapper. Op basis van zijn winst uit onderneming berekent de man zijn draagkracht op € 149,- per maand. Hiertegen is geen verweer gevoerd, zodat het hof hiervan uitgaat.
5.7.
De gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 174,- per maand) overstijgt de behoefte van de minderjarige (€ 155,56 per maand), zodat er een draagkrachtvergelijking moet plaatsvinden. Hieruit volgt dat de man gehouden is om in 2018 een kinderalimentatie aan de vrouw te voldoen van € 133,- per maand. Er is niet gebleken van enig contact tussen de man en de minderjarige, zodat het hof aan de zijde van de man geen rekening zal houden met een zorgkorting.
Draagkracht in 2019
5.8.
Het hof gaat, net als de man, uit van een ongewijzigde draagkracht aan de zijde van de vrouw in 2019 van € 25,- per maand. De man berekent zijn draagkracht op € 150,- per maand. Hiertegen is geen verweer gevoerd, zodat het hof hiervan uitgaat.
5.9.
De man doet voor de jaren 2019 en daarna een beroep op de aanvaardbaarheidstoets en stelt dat er sprake is van zodanige schulden (een ontnemingsvordering) dat hij bij (een verplichting tot) betaling van kinderalimentatie onder het bestaansminimum zakt. Het hof is van oordeel dat de man deze stelling onvoldoende concreet heeft onderbouwd om een beroep op de aanvaardbaarheidstoets te kunnen doen slagen. De man heeft onder meer geen inzicht gegeven in zijn woonlasten en in zijn overige lasten, zoals volgens de richtlijnen in het Rapport Alimentatienormen wel noodzakelijk is om een beroep te kunnen doen op de aanvaardbaarheidstoets. Ook heeft de man zijn schulden volstrekt onvoldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. Het hof is hierdoor niet in de gelegenheid om te beoordelen of het buiten beschouwing laten van door de man gestelde schulden bij het vaststellen van de kinderalimentatie tot een voor hem onaanvaardbaar resultaat leidt.
5.10.
De gezamenlijke draagkracht van partijen in 2019 (€ 175,- per maand) overstijgt de behoefte van de minderjarige (€ 158,67 per maand), zodat er een draagkrachtvergelijking moet plaatsvinden. Hieruit volgt dat de man gehouden is om in 2019 een kinderalimentatie aan de vrouw te voldoen van € 136,- per maand. Er is niet gebleken van enig contact tussen de man en de minderjarige, zodat het hof aan de zijde van de man geen rekening zal houden met een zorgkorting.
Draagkracht in 2020 en verder
5.11.
De man stelt dat zijn werkzaamheden als thuiskapper als gevolg van psychische problematiek en de beperkende maatregelen vanwege het corona-virus zijn opgehouden in 2020. Hij heeft in dat jaar naar eigen zeggen geleefd van geld dat hij ontving van familie en vrienden. Volgens de man beschikte hij in 2020 niet over enige draagkracht voor kinderalimentatie. De man ontvangt vanaf 2021 een uitkering, eerst een uitkering op grond van de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (TOZO-uitkering) en daarna een uitkering op grond van de Participatiewet. De man heeft de hierop betrekking hebbende stukken overgelegd. Volgens de man heeft hij in 2021 en de jaren daarna een minimale draagkracht van € 25,- per maand.
5.12.
Het hof overweegt als volgt. In 2020 acht het hof het voorstelbaar dat de man belemmeringen heeft ondervonden bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden als thuiskapper als gevolg van de beperkingen door het corona-virus. Deze beperkingen zijn echter niet het hele jaar van kracht geweest en het hof zal daarom in redelijkheid voor 2020 aansluiten bij een minimale draagkracht van 25,- per maand. Uit de door de man overgelegde stukken volgt dat hij in 2021 en de jaren daarna aanspraak maakte op een uitkering, zodat hij ook in die jaren een minimale draagkracht heeft van € 25,- per maand.
Proceskostenveroordeling
5.13.
De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij een bedrag van € 1.126,- per maand aan de vrouw moet betalen als vergoeding voor haar proceskosten. Het verwijt dat de rechtbank de man maakt ziet op zijn houding tijdens een eerdere procedure en in die procedure is er geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De man voert verder aan dat hij uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom hij een DNA-onderzoek wenste en hij heeft hieraan ook vrijwillig meegewerkt.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 juli 2022, voor zover het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank van 23 januari 2018 en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen:
per 23 januari 2018 € 133,00 per maand;
per 1 januari 2019 € 136,- per maand;
per 1 januari 2020 € 25,- per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 juli 2022, met betrekking tot de proceskostenveroordeling voor zover deze het bedrag van € 563,- per maand te boven gaat;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin en is op 25 mei 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.