Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-05-23
ECLI:NL:GHSHE:2023:1647
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
2,861 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.317.462/01
arrest van 23 mei 2023
gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,
tegen
1 [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 2] ,
3. [geïntimeerde 3], wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 3] ,
advocaat van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] : mr. R.Ph.E.M. Cratsborn te Wittem, gemeente Gulpen-Wittem,
4. [geïntimeerde 4],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 4] ,
advocaat: mr. J.H.A. Nieste te Venlo,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
op het bij exploot van dagvaarding van 4 oktober 2022 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 31 maart 2021 en 3 augustus 2022, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , en [geïntimeerde 3] (hierna tezamen ook: [geïntimeerden] ) als eisers in conventie, verweerders in reconventie, en [appellant] en [geïntimeerde 4] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
het tussenarrest van 29 november 2022 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
[appellant] 's conclusie houdende incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis ex art. 351 Rv, met producties;
de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] , met producties;
de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde 4] , met producties;
het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 30 maart 2023, waarin is vermeld dat partijen geen schikking hebben bereikt.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.
Beoordeling
In het incident
3.1.
In hoofdlijnen gaat het geschil tussen partijen om het volgende.
Partijen zijn de kinderen van [persoon A] (moeder, overleden in 1998) en [persoon B] (vader, overleden in 2010). Aan hen behoorden in eigendom toe de percelen aan [adres 1] (boerderij en grond) en [adres 2] (voormalige ouderlijke woning en grond) te [plaats] .
Vader heeft in 1985 met [appellant] een pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot de boerderij. [appellant] woont daar ook. Bij akte van 1990 is de economische eigendom van de aan [appellant] verpachte boerderij overgedragen aan [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] (hierna tezamen: [geïntimeerden] ) en [geïntimeerde 4] .
Tussen [adres 1] (de door [appellant] gepachte boerderij) en [adres 2] (de woning, die thans leegstaat) is een perceel gelegen dat aan [appellant] in eigendom toebehoort en waarop bedrijfsgebouwen zijn gelegen ten behoeve van de uitoefening van het melkveebedrijf door [appellant] en diens zoon [persoon C] . [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1950 en thans dus 73 jaar oud.
Ieder van partijen is conform de wettelijke verdeling gerechtigd tot een vijfde deel van de nalatenschap van vader en moeder. Partijen verschillen van mening over de vraag op welke wijze de nalatenschappen moeten worden verdeeld.
3.2.
Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank:
voor recht verklaard dat er tussen [geïntimeerden] en [appellant] een overeenkomst bestaat die inhoudt dat [appellant] gehouden is om na het bereiken van de AOW-leeftijd de boerderij ( [adres 1] ) te ontruimen;
voor recht verklaard dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerden] geleden schade die het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst door [appellant] ;
de wijze van verdeling ten aanzien van [adres 2] (de woning) als volgt vastgesteld:
De actuele marktwaarde van de onroerende zaak moet worden getaxeerd, in opdracht van [geïntimeerden] , door de in het vonnis bepaalde makelaar.
Vervolgens krijgen eerst [geïntimeerden] en [geïntimeerde 4] gezamenlijk de mogelijkheid de onroerende zaak tegen inbreng van de vastgestelde actuele marktwaarde in de nalatenschap over te nemen. Indien [geïntimeerden] en [geïntimeerde 4] daartoe niet overgaan, krijgt [appellant] daartoe de mogelijkheid. Indien ook [appellant] de onroerende zaak niet overneemt, moet die aan een derde worden verkocht.
De opbrengst wordt vervolgens over de vijf erfgenamen verdeeld.
De rechtbank heeft de beslissing onder 3 uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen (rechtsoverweging 4.28 van het bestreden vonnis): "De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal worden voor de verklaringen voor recht". Naar het oordeel van het hof is dit een kennelijke verschrijving en is bedoeld te overwegen dat de gegeven verklaringen voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
3.3.
[appellant] vordert in het incident de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis te schorsen. [appellant] stelt zich op het standpunt dat een afweging van belangen in zijn voordeel dient uit te vallen. [appellant] voert daartoe aan dat de grond bij de woning (weiland), die grenst aan zijn bedrijf, al sinds het overlijden van vader door hem in gebruik is ten behoeve van zijn bedrijfsvoering. Ook kunnen via de grond bij de woning de bedrijfsgebouwen en de door [appellant] gepachte huiskavel ( [adres 1] ) worden bereikt. Om deze redenen wenst [appellant] de onroerende zaak toebedeeld te krijgen. Gelet op het belang van [appellant] bij continuering van zijn bedrijfsvoering, waarbij hij opmerkt dat hij een opvolger heeft in de persoon van zijn zoon [persoon C] , acht [appellant] het onbegrijpelijk dat de rechtbank in de eerste plaats [geïntimeerden] en [geïntimeerde 4] in de gelegenheid heeft gesteld de onroerende zaak over te nemen. Hij voert voorts aan dat [geïntimeerden] en [geïntimeerde 4] geen belang hebben bij tenuitvoerlegging; zij willen de onroerende zaak tezamen met de andere onroerende zaken verkopen en dat is niet mogelijk gelet op de bestaande pachtovereenkomst.
[appellant] bestrijdt tevens de juistheid van de taxatie die inmiddels heeft plaatsgevonden en legt een ander taxatierapport over. Tenslotte stelt hij dat sprake is van misbruik van bevoegdheid nu enerzijds het vonnis wordt uitgevoerd en anderzijds de wederpartij een schikkingscomparitie wenst.
3.4.
[geïntimeerden] en [geïntimeerde 4] voeren verweer tegen de vordering. Zij hebben aangevoerd dat het steeds de bedoeling is geweest, ook al van de ouders, om de percelen [adres 1] en [adres 2] , die zich in een te ontwikkelen recreatiegebied bevinden, te zijner tijd in één geheel te kunnen verkopen. De plannen van [appellant] dwarsbomen dat, aldus [geïntimeerden] en [geïntimeerde 4] . Zij stellen dat er geen noodzaak is voor de bedrijfsvoering van [appellant] om het perceel te behouden en geven aan wel degelijk belang te hebben bij tenuitvoerlegging. Na toedeling kunnen zij het hoogst noodzakelijke onderhoud aan het perceel verrichten en, gelet op de leeftijd van [appellant] , zo snel mogelijk handelen zodra de percelen als één geheel te verkopen zijn.
Zij bestrijden voorts de stelling dat de taxatie niet juist zou zijn.
3.5.
Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden.
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
3.6.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank om de uitspraak onder 3 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niet is gemotiveerd. Ook de door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voorafgaand aan het wijzen van het eindvonnis kunnen daarom bij de beoordeling in aanmerking worden genomen (zie de vorige rechtsoverweging onder c).
Dictum
In de hoofdzaak
3.12.
In de hoofdzaak dient [appellant] de memorie van grieven te nemen.
Dictum
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak heden voor memorie van grieven staat;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 mei 2023.
griffier rolraadsheer