Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2023-04-12
ECLI:NL:GHSHE:2023:1211
Bestuursrecht
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummers: 21/01513 tot en met 01515 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 oktober 2021, nummers BRE 18/3819, 20/866 en 21/622, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg, hierna: de heffingsambtenaar, en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de minister. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking voor 2018, 2019 en 2020 gegeven en daarbij de waarde van [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) op de waardepeildata 1 januari 2017, 1 januari 2018 en 1 januari 2019 (hierna: de waardepeildata) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2018, 2019 en 2020 bekendgemaakt. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2023 in ’s-Hertogenbosch. Aan die zitting heeft digitaal deelgenomen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is [heffingsambtenaar] verschenen. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2.1. Belanghebbende is de eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een tussenwoning van 1.380 m3, exclusief een kelder van 125 m3, met bouwjaar 1740. Het perceel heeft een oppervlakte van 252 m2. De onroerende zaak is een rijksmonument, genaamd “ [monument] ”. 2.2. Belanghebbende heeft de onroerende zaak op 31 januari 2017 gekocht voor een bedrag van € 475.000. 2.3. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden op de waardepeildata op de volgende waarden vastgesteld: Kalenderjaar Waardepeildatum WOZ-waarde 2018 1 januari 2017 € 472.000 2019 1 januari 2018 € 493.000 2020 1 januari 2019 € 540.000 2.4. Bij uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarden van de onroerende zaak en de aanslagen gehandhaafd. 2.5. De rechtbank heeft de beroepen voor alle jaren ongegrond verklaard, maar de minister voor de jaren 2018 en 2019 veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor het jaar 2019 heeft de rechtbank, ondanks een termijnoverschrijding voor de bezwaarfase, geen aanleiding gezien voor het toekennen van een schadevergoeding door de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de minister daarnaast veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten (waarbij is uitgegaan van een waarde per punt van € 534) en tot het vergoeden van het door belanghebbende betaalde griffierecht. 3.1. In geschil zijn allereerst de WOZ-waarden van de onroerende zaak op de waardepeildata. Daarnaast is in geschil of de rechtbank a) de proceskostenvergoeding en b) de immateriële schadevergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. 3.2. Ter zitting heeft belanghebbende de klacht dat de taxatieverslagen niet tijdig dan wel onvolledig zouden zijn overgelegd, ingetrokken. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de WOZ-waarden naar € 465.000, € 475.000 en € 499.000. en tot het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil De WOZ-waarden 4.1. De waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding voor verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed. 4.2. De hiervoor bedoelde waarde voor woningen wordt bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. 4.3. De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de heffingsambtenaar. 4.4. De rechtbank heeft met betrekking tot de WOZ-waarden van de onroerende zaak het volgende geoordeeld: “ 4. WOZ-waarde 2018 (BRE 18/3819) (…) 4.4 De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van belanghebbende betreffende de waardestijging en het niet doen van investeringen, hem niet baten gezien de aankoopsom en de aankoopdatum. Ook het gestelde verminderd woongenot kan niet worden gevolgd, omdat verondersteld mag worden dat belanghebbende volledig op de hoogte was van de toestand van de woning en de omgeving toen hij deze kocht. 4.5 De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de woning terecht heeft vastgesteld op basis van de aankoopprijs, en aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde voor 2018 en de daarop gebaseerde aanslag OZB niet te hoog zijn vastgesteld. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. 5. WOZ-waarde 2019 (BRE 20/866 ) (…) 5.3 Oordeel rechtbank Uit de onderbouwende verkopen blijkt dat de woning en de referentiewoningen gebouwd zijn in de jaren 1650 tot 1880 en alle gelegen zijn in [woonplaats] . Het betreffen allemaal tussenwoningen dan wel eindwoningen die in dezelfde stijl gebouwd zijn. De woning heeft een grotere inhoud dan de referentiewoningen. Met dit verschil en met het afnemend grensnut is rekening gehouden door voor de woning uit te gaan van een lagere m3-prijs dan bij de referentiewoningen. De grondprijs is berekend aan de hand van een grondstaffel, die op de juiste wijze is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar gebruik gemaakt van voldoende vergelijkbare referentiewoningen en is inzichtelijk gemaakt dat met de verschillen rekening is gehouden. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met het verminderd woongenot vanwege een naastgelegen restaurant, de verloederde omgeving en geluidsoverlast door de bovenbuurvrouw. De rechtbank is met de heffingsambtenaar van oordeel dat de aanwezigheid van een restaurant met terras en een parkeerterrein inherent is aan het wonen in de binnenstad van [woonplaats] . Uit de verkoopprijzen van de eveneens in de binnenstad gelegen referentiewoningen blijkt dat deze omstandigheden niet tot waardevermindering hebben geleid. Daarnaast heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van verloedering van de omgeving. Betreffende de gestelde geluidsoverlast heeft de heffingsambtenaar ter zitting verklaard dat de bovenbuurvrouw de invalide dochter van belanghebbende is, die bij hem inwoont. Eventueel door haar veroorzaakt geluid binnen het WOZ-object kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot vermindering van de WOZ-waarde van de woning leiden. De grond van belanghebbende faalt. 5.4 Het hof: verklaart het hoger beroep voor de jaren 2018 en 2019 gegrond en voor het jaar 2020 ongegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover deze de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep (voor het jaar 2019) en de beslissing omtrent de vergoeding voor proceskosten voor de beroepsprocedure (voor de jaren 2018 en 2019) betreft; bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige; veroordeelt voor het jaar 2018 de Staat in de kosten van het geding bij de rechtbank van belanghebbende van € 627,25; veroordeelt de heffingsambtenaar voor het jaar 2019 tot vergoeding van immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500 en de minister eveneens voor € 500; veroordeelt voor het jaar 2019 de minister in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 313,88; veroordeelt voor het jaar 2019 de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 313,88; bepaalt dat voor het jaar 2019 de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank voor € 24 vergoedt en dat de heffingsambtenaar eveneens € 24 vergoedt; bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 134 vergoedt; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 150. De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, raadsheer, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier. De griffier, De voorzitter, N.A. de Grave J.M. van der Vegt Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Artikel 17, lid 2, Wet WOZ. Artikel 4, lid 1, letter a, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken. Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752. 2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting vanwege de samenhang van de zaken. Zie voetnoot 3. 2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie het Besluit. Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.1 en 3.14.2. zie Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415. vergelijk Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2990 en Hof ’s Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3972. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning voor 2019 en de daarop gebaseerde aanslag OZB niet te hoog zijn vastgesteld. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. 6. WOZ-waarde 2020 (BRE 21/622) (…) 6.3 Oordeel rechtbank Uit de onderbouwende verkopen blijkt dat de woning en de referentiewoningen tussenwoningen zijn die in dezelfde stijl gebouwd zijn in de jaren 1710 tot 1790 en gelegen zijn in de binnenstad van [woonplaats] . De woning heeft een grotere inhoud dan de referentiewoningen. Met dit verschil en met het afnemend grensnut is rekening gehouden door voor de woning uit te gaan van een lagere m3-prijs dan bij de referentiewoningen. De grondprijs is berekend aan de hand van een grondstaffel, die op de juiste wijze is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar gebruik gemaakt van voldoende vergelijkbare referentiewoningen en inzichtelijk gemaakt dat met de verschillen rekening is gehouden. Belanghebbende stelt, evenals in de zaak over het voorgaande jaar, dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met het verminderd woongenot vanwege een naastgelegen restaurant, de verloederde omgeving en geluidsoverlast door de bovenbuurvrouw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen dan in overweging 5.3. De grond van belanghebbende faalt. 6.4