Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2022-11-09
ECLI:NL:GHSHE:2022:3885
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
5,403 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 21/00303
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 december 2020, nummer BRE 19/5622 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven voor de jaren 2007 tot en met 2012.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep deels gegrond en deels ongegrond verklaard, belanghebbende in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie te verstrekken en nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van griffierecht en de verzoeken om vergoeding van schade en proceskosten.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met de nummers 21/00302, 21/00304 en 21/00305.
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum 1] 1943 en is in de onderhavige jaren gehuwd met [de echtgenote] (hierna: echtgenote), geboren [geboortedatum 2] 1950.
2.2.
Belanghebbende heeft geen opgave gedaan van (saldi van) buitenlandse rekeningen in zijn belastingaangiften over de jaren 2007 tot en met 2012.
2.3.
Op 30 september 2016 heeft de Belastingdienst/Central Liaison Office (hierna: B/CLO) spontaan informatie ontvangen uit Duitsland over Nederlandse ingezetenen die een rekening aanhielden bij de Banque et Caisse d’Epargne et de l’Etat in Luxemburg (hierna: BCEE).
2.4.
Bij brief van 19 februari 2018 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht nadere informatie te verstrekken door het invullen van de toegezonden ‘Verklaring verificatie buitenlands vermogen’. Belanghebbende heeft deze verklaring op 22 februari 2018 ondertekend geretourneerd aan de inspecteur, waarin hij bij de vragen ‘n.v.t.!’ heeft geschreven.
2.5.
Bij brief van 24 augustus 2018 heeft de inspecteur belanghebbende gevraagd gegevens te verstrekken van de bankrekening(en) bij BCEE:
“Het gaat om de volgende gegeven:
- een afschrift van het openingsformulier van elke (bank)rekening;
- alle bankafschriften (de mutaties op de betaalrekeningen/ of de rekening-courant) van alle jaren (vanaf 2005);
- afschriften van de jaaroverzichten van alle jaren;
- indien van toepassing het sluitingsformulier.”.
Daarbij is vermeld dat het relatienummer van belanghebbende bij de BCEE [nummer] is. In de brief is belanghebbende gewezen op de verplichtingen neergelegd in de artikelen 47 en 49 AWR. In reactie hierop heeft belanghebbende in zijn brief van 31 augustus 2018 meegedeeld dat hij geen rekening, tegoeden of contacten bij buitenlandse banken heeft.
2.6.
De B/CLO heeft een inlichtingenverzoek over de rekeningen bij de BCEE gedaan bij de belastingautoriteit in Luxemburg. De Luxemburgse belastingautoriteit heeft de B/CLO op 10 maart 2019 stukken verstrekt, waaronder:
een formulier Vollständigkeitserklärung;
formulieren Auflistung der Konten over de jaren 2011 tot en met 2017 van 3 rekeningnummers;
een formulier Antrag zwecks Aufnahme von Geschäftbeziehungen;
een formulier Convention de compte;
een formulier Vollmacht en
een kopie van het in juni 2000 door de betreffende Nederlandse gemeente aan belanghebbende afgegeven paspoort.
2.6.1.
Op het formulier Vollständigkeitserklärung staan de naam, het adres, de geboortedatum en geboorteplaats van belanghebbende en [nummer] als identificatienummer.
2.6.2.
Op de formulieren Auflistung der Konten over 2011 en 2012 staan de rekeningnummers alsmede identificatienummer [nummer] en de naam ‘ [A] ’. Op die formulieren is daarbij voor elk van de drie IBAN-nummers de volgende Eröffnungsdatum en Auflösungsdatum vermeld:
Nummer
Eröffnungsdatum
Auflösungsdatum
IBAN [IBAN-nummer 1]
08.11.1996
26.07.2012
IBAN [IBAN-nummer 2]
18.02.2008
25.07.2012
IBAN [IBAN-nummer 3]
08.11.1996
13.07.2012
Op de formulieren Auflistung der Konten over 2013 tot en met 2017 is vermeld dat de BCEE in die jaren geen rekening op naam van ‘ [A] ’ met identificatienummer [nummer] in haar boeken had staan.
2.6.3.
Op het formulier Antrag zwecks Aufnahme von Geschäftbeziehungen staan onder meer dezelfde gegevens als hiervoor aangegeven bij het formulier Vollständigkeitserklärung, zij het dat als naam en voornaam is vermeld: ‘ [B] ’. Verder is het formulier voorzien van een handtekening in de kolom met de gegevens van de rekeninghouder en het paspoortnummer van de rekeninghouder vermeld. Als plaats en datum van opmaak van het formulier is vermeld: ‘Luxembourg 07.11.1998’.
2.6.4.
Op het formulier Convention de compte dat is opgemaakt op of na 2000 is naast het identificatienummer (‘racine’) [nummer] en de naam ‘ [A] ’ als plaats van ondertekening ‘ [woonplaats] ’ vermeld met daaronder een handtekening.
2.6.5.
Op het formulier Vollmacht staan een naam en adresgegevens die overeenkomen met die van belanghebbende. Verder staan op dat formulier gegevens die overeenkomen met die van zijn echtgenote: haar achternaam inclusief meisjesnaam, haar voornaam voluit, het adres, haar paspoortnummer, haar geboortedatum en [klantnummer] als haar klantnummer als volmachtnemer. Ook is er een handtekening bij geplaatst en onderaan het formulier een handtekening zoals ook voorkomt op de formulieren Antrag zwecks Aufnahme von Geschäftbeziehungen en Convention de compte. Als plaats en datum van opmaak van het formulier is vermeld: ‘Luxembourg 07.11.1996’. Het vermelde paspoortnummer is identiek aan het paspoortnummer dat is vermeld op het formulier Antrag zwecks Aufnahme von Geschäftbeziehungen.
2.7.
Van het saldo en de rekeningsoort is op basis van de door de BCEE overgelegde inkomensoverzichten het volgende bekend:
Nummer
Saldo 31.12.2011 (€)
Soort rekening
IBAN [IBAN-nummer 1]
18,73
Girokonto
IBAN [IBAN-nummer 2]
19.306,23
Terminkonto
IBAN [IBAN-nummer 3]
Keine Wertpapierbestände
2.8.
In de brief van 5 juni 2019 heeft de inspecteur meegedeeld dat hem is gebleken dat belanghebbende rekeninghouder is geweest bij de BCEE vanaf 8 november 1996 tot en met juli 2012 en dat hij de beschikking heeft gehad over drie rekeningnummers. De inspecteur heeft belanghebbende de Vollständigkeitserklärung, de Auflistung der Konten en de Vollmacht toegestuurd.
Geschil
Is het recht op een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden?
Is de informatiebeschikking rechtmatig?
Heeft de inspecteur algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding?
Is in hoger beroep te veel griffierecht geheven?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de informatiebeschikking, tot vergoeding van schade en restitutie van griffierecht. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
Vraag a
4.1.
Belanghebbende stelt dat het recht op een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Belanghebbende verzoekt het hof de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank buiten Brabant. Volgens belanghebbende is de rechter in de rechtbank namelijk vooringenomen, niet onpartijdig en afstandelijk. Verder stelt belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om uitstel van de mondeling behandeling niet heeft gehonoreerd. Ook stelt belanghebbende dat de rechtbank het beroep van belanghebbende niet zorgvuldig heeft behandeld en dat deze onrechtmatig opgebouwde jurisprudentie onrechtmatig heeft aangevuld. Verder is de rechtbank in de uitspraak niet ingegaan op alle door belanghebbende verstrekte informatie.
4.2.
Het hof is van oordeel dat geen sprake is van schending van de beginselen van behoorlijke rechtspleging in eerste aanleg. Het hof is van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank voldoende is gemotiveerd. Het hof merkt in dat kader op dat de rechtbank niet op elke stellingname afzonderlijk hoefde te reageren. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat de rechtbank niet alle argumenten van belanghebbende heeft meegewogen. De omstandigheid dat de rechtbank (bewijs)oordelen heeft gegeven die niet in het voordeel van belanghebbende zijn, leidt nog niet tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatige jurisprudentie.
Vraag b
4.3.
De rechtbank heeft - in navolging van het standpunt van de inspecteur - de informatiebeschikking betreffende het jaar 2007 vernietigd. In hoger beroep is uitsluitend de rechtmatigheid van de informatiebeschikking voor de jaren 2008 tot en met 2012 in geschil. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikking ten onrechte aan hem is gegeven.
4.4.
Belanghebbende stelt dat de uit Duitsland ontvangen informatie niet door de inspecteur mag worden gebruikt. Daartoe neemt belanghebbende de volgende standpunten in:
de uit Duitsland verkregen informatie heeft een criminele achtergrond en mag daarom niet als bewijs worden gebruikt;
bancaire verdachte gegevens van banken die betrokken zijn bij internationale geldzwendel kunnen niet dienen als rechtsgrond;
de inspecteur heeft nagelaten te onderzoeken of de Duitse autoriteiten een rol hebben gespeeld bij het stelen/verkrijgen van de betreffende informatie en naar de betrouwbaarheid van de gegevens;
degene die de stukken heeft gestolen heeft geen enkel bewijs geleverd dat de gegevens op bewezen waarheid berusten;
gegevens van de Belastingdienst zijn algeheel onaanvaardbaar om te worden gebezigd als bewijs.
4.5.
De inspecteur heeft weersproken dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Als er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de stukken wel zijn gestolen, dan heeft de Belastingdienst daar geen enkele hand in gehad. De inspecteur heeft gesteld dat de Duitse autoriteiten hebben aangegeven dat de informatie uit anonieme bron is verkregen.
4.6.
De rechtbank heeft in dit kader het volgende overwogen:
“2.19. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Zelfs indien het waar zou zijn dat de gegevens uit diefstal afkomstig zijn, zoals belanghebbende stelt en de inspecteur betwist, betekent dat niet dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs dat voor de belastingheffing buiten aanmerking moet blijven.6 Het is vaste jurisprudentie dat eerst sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs indien de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat deze bewijsmiddelen niet mogen worden gebruikt. Er is geen enkele aanwijzing dat de Nederlandse (of Duitse) overheid de hand heeft gehad in een ontvreemding van de gegevens betreffende de BCEE Bank.
2.20.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur met de in 2.4 vermelde stukken erin is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende houder was van een of meerdere bankrekeningen bij de BCEE in de periode van 8 november 1996 tot en met 26 juli 2012. Een logische verklaring voor het bezit van een kopie van het in juni 2000 aan belanghebbende afgegeven paspoort ontbreekt. Dat sprake is van diefstal of verlies van het paspoort is gesteld noch aannemelijk gemaakt. De stelling van belanghebbende dat hij al jarenlang niets meer uit Luxemburg heeft vernomen en de door hem gedane suggestie dat mogelijk sprake kan zijn van afgesloten rekeningen die iemand anders, buiten medeweten van hem en zijn echtgenote, nu misbruikt voor duistere bankpraktijken zijn onvoldoende gefundeerd en onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Stukken waaruit kan worden opgemaakt dat belanghebbende/zijn echtgenote vóór 2008 de in het verleden door (een van) hen in Luxemburg geopende bankrekeningen hebben opgeheven, zijn niet aangeleverd.
2.21.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2012 van belang kan zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de AWR is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige.7 Gelet op de door de BCEE verstrekte gegevens en de door de inspecteur uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat belanghebbende als rechthebbende tot de tegoeden op voormelde rekeningen kan worden aangewezen, bestaat er voor de inspecteur voldoende aanleiding om hem nadere inlichtingen te vragen omtrent vorenbedoelde rekeningen bij de BCEE.
2.22.
Het volgens de informatiebeschikking gepleegde verzuim is naar het oordeel van de rechtbank van dien aard dat het zal kunnen leiden tot de in de artikelen 25, lid 3, en 27e, lid 1, van de AWR voorziene gevolgen voor de bewijspositie van de belanghebbende (de zogenoemde omkering van de bewijslast). Het voorgaande neemt niet weg dat de vraag of de omkering van de bewijslast op haar plaats is ook en opnieuw aan de orde kan worden gesteld in de procedure over navorderingsaanslagen als die aan belanghebbende worden opgelegd.8
2.23.
Door niet de gegevens te verstrekken die de inspecteur heeft gevraagd, heeft belanghebbende niet aan zijn informatieverplichting voldaan. De informatiebeschikking is voor de jaren 2008 tot en met 2012 terecht genomen.”,
waarbij in de voetnoten het volgende is vermeld:
“6 Vergelijk Hoge Raad (strafkamer) 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7471.
7 Vergelijk Hoge Raad 8 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8125.
8 HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130.”.
4.7.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
verklaart zich voor het overige onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen;
bepaalt dat belanghebbende de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie alsnog aan de inspecteur kan verstrekken binnen een termijn van vieren weken vanaf de dag waarop deze uitspraak is gedaan.
De uitspraak is gedaan door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.C. van der Vegt en M.R.T. Pauwels, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters V.M. van Daalen-Mannaerts
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Le Gouvernement Du Grand-Duché de Luxembourg, administration des contributions directes, division échange de renseignements. Dit verzoek is gebaseerd op de Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (hierna: Richtlijn 2011/16/EU) en artikel 26 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna: het Verdrag).
Het laatste cijfer van het jaartal is onleesbaar door de aangebrachte stempel door de bank.