ECLI:NL:GHSHE:2022:3846
Parketnummer : 20-000950-21
Uitspraak : 9 november 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 april 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-994016-19 tegen:
[Verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] ,
wonende te [woonadres]
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte ter zake van ‘opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de Accijns opgenomen verbod’ veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft zich op primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken en heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 3 oktober 2018 te Lithoijen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met ander(en), althans alleen, in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1, onder b, van de Wet op de Accijns, opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, namelijk tabaksproducten als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder f van genoemde wet, te weten 6.920.000, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft/hebben gehad welke (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Ter zake van de feiten
In een loods op het adres [adres] te Lithoijen is op 3 oktober 2018 een grote hoeveelheid sigaretten (6.920.000 stuks) aangetroffen. Het ging om 21 pallets met daarop dozen. De pallets waren omwikkeld met folie dat aan de binnenkant zwart van kleur was en aan de buitenkant wit van kleur. Tevens waren de dozen omwikkeld met doorzichtig plastic dat was aangebracht nadat de pallets waren afgeleverd. Nadat de folie rondom de dozen was verwijderd bleek dat op de dozen opschriften stonden die duidden op sigaretten. In de dozen zaten sloffen sigaretten en deze sigaretten bleken niet veraccijnsd te zijn.
Verdachte is eigenaar en gebruiker van de loods en woont in de loods in een daarin gebouwd woongedeelte. De loods wordt (deels) verhuurd aan mensen die in de loods goederen (boten, campers, machines, etc.) stallen of opslaan. Naast verdachte die over de sleutel van de loods beschikt, kan ook zijn zoon zelfstandig gebruikmaken van de loods. Verder hebben huurders en anderen geen zelfstandige toegang tot de loods.
De pallets met de dozen sigaretten zijn ongeveer een maand voor de ontdekking volgens verdachte afgeleverd. Bij aflevering waren de gestapelde pallets niet stabiel waardoor deze nogmaals ter plekke door de mensen die de pallets afleverden, zijn omwikkeld met doorzichtige folie afkomstig van een in de loods van verdachte aanwezig omwikkelapparaat.
Verdachte kende de mensen die de pallets afleverden niet en heeft ook niet gevraagd naar hun naam of identiteitsbewijs ten tijde van het afleveren. De verdachte ging er daarbij van uit dat de pallets werden afgeleverd door mensen die werkzaam waren namens een bedrijf gevestigd in Schiedam. Dat bedrijf, vertegenwoordigd door de directeur daarvan, had met de verdachte een huurovereenkomst gesloten waarbij een deel van de loods door verdachte werd verhuurd als opslagruimte aan het bedrijf. Deze huurovereenkomst lag bij aflevering van de pallets getekend door de huurder klaar en verdachte heeft toen ook als verhuurder getekend. De ondertekening door verdachte is gedagtekend op 22 augustus 2018, de huurder heeft blijkens de overeenkomst getekend op 1 oktober 2018. De verdachte heeft zich echter niet op de hoogte gesteld van de identiteit van de huurder en geen contact met de vertegenwoordiger van het bedrijf opgenomen. De persoon die als vertegenwoordiger van de huurder staat vermeld op de huurovereenkomst is later gehoord en heeft verklaard dat hij geen weet heeft van de overeenkomst en het bedrijf zich niet bezig houdt met het huren van bedrijfsruimte. Hij heeft verklaard niet de betreffende overeenkomst te hebben ondertekend en de handtekening onder de overeenkomst komt niet overeen met zijn handtekening.
De betaling van de huur werd genoteerd in het kasboek/agenda van verdachte en betaling vond plaats tegen contante betaling. De verdachte ontving van de meeste huurders de huur contant. Zijn vrouw hield deze betalingen bij en noteerde de ontvangsten zodanig dat kenbaar was door wie en waarvoor was betaald. In het kasboek zijn aangaande de huurder van de loodsruimte die de pallets met sigaretten heeft laten afleveren meermalen bedragen genoteerd waaraan echter geen inzicht kan worden ontleend wie deze bedragen heeft betaald, anders dan dat de naam van de zoon van verdachte daarbij staat genoteerd.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er sigaretten in de afgeleverde dozen zaten en dat hij compleet verrast was bij het tonen van de sigaretten door de Douane. Hij heeft verklaard dat hij dacht dat in de dozen kleren zouden zitten voor Afrika. Eerder had hij in zijn loods balen kleren afgeleverd gekregen. Ook waren eerder gelijksoortige dozen met daarin luiers afgeleverd. Bij aflevering van de 21 pallets met dozen bleken deze dozen reeds gevuld en omwikkeld met plastic waardoor verdachte niet heeft kunnen zien dat op de dozen melding werd gemaakt van de aanwezigheid van sigaretten.
Ter zake van het tenlastegelegde
Het aan de verdachte tenlastegelegde ziet op hetgeen is opgenomen in artikel 5, eerste lid, onder b juncto artikel 97 Wet op de Accijns. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij, op of omstreeks 3 oktober 2018 te Lithoijen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1, onder b, van de Wet op de Accijns, opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, namelijk tabaksproducten als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder f van genoemde wet, te weten 6.920.000, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft/hebben gehad welke (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 9 november 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. O.M.J.J. van de Loo is buiten staat dit arrest te ondertekenen.