Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2022-07-06
ECLI:NL:GHSHE:2022:2232
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,254 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummers: 21/00532 tot en met 21/00547
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 februari 2021, nummers BRE 18/3233 tot en met 18/3235 en 18/8086 tot en met 18/8098, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan van door hem op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) over de maanden:
- januari 2016 (nummers rechtbank 18/3235 en 18/8091 tot en met 18/8098, nummers hof 21/00539 tot en met 21/00547);
- februari 2016 (nummers rechtbank 18/3233 en 18/8086 tot en met 18/8088, nummers hof 21/00532 tot en met 21/00535); en
- maart 2016 (nummers rechtbank 18/3234 en 18/8089 en 18/8090, nummers hof 21/00536 tot en met 21/00538).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte. De inspecteur heeft per maand/bezwaar afzonderlijk uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren telkens ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep betreffende de uitspraak op bezwaar inzake maart 2016 gegrond verklaard en de andere beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door [A] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM). Hij heeft voor de maanden januari, februari en maart 2016 respectievelijk € 5.350, € 2.409 en € 5.598 aan BPM op aangifte voldaan ter zake van de registratie van in totaal 16 auto's.
2.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is telkens afgewezen.
2.3.
De rechtbank heeft betreffende de maand januari 2016 het beroep ongegrond verklaard en de inspecteur en de minister opgedragen, ieder voor de helft, het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 te vergoeden.
De rechtbank heeft betreffende de maand februari 2016 het beroep ongegrond verklaard, de inspecteur en de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 1.875 respectievelijk € 1.125 en de inspecteur en de minister opgedragen, ieder voor de helft, het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 te vergoeden.
De rechtbank heeft betreffende de maand maart 2016 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, een teruggaaf van € 6 verleend, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 1.598 en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 vergoedt.
Geschil
3.1.
Ter zitting heeft het hof met partijen de geschilpunten geïnventariseerd. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Is de verschuldigdheid van de geheven griffierechten bij aanvang van de gerechtelijke procedure in strijd met het Unierecht?
2. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van 10% rente over het griffierecht?
3. Heeft de rechtbank, in navolging van de Hoge Raad, onrechtmatig – want in strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – gehandeld door te overwegen dat belanghebbende (enige) bewijslast draagt ten aanzien van de vermindering van belasting wegens een uit een andere lidstaat afkomstige personenauto?
4. ( met betrekking tot het tijdvak januari 2016) Wordt interne compensatie verhinderd doordat ingevolge het Unierecht schades steeds volledig – dus voor 100% – waardeverminderend zijn?
5. ( met betrekking tot het tijdvak maart 2016) Heeft belanghebbende recht op rentevergoeding over de teruggave van op aangifte voldane BPM? Is artikel 28c Invorderingswet 1990 (hierna: IW) in strijd met het Unierecht?
6. Is de civiele rechter in plaats van de belastingrechter, de bevoegde rechter om de immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding vast te stellen?
7. Bestaat er aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en toewijzing van de door hem ingenomen standpunten. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
Vraag 1 Voorafbetaling griffierecht
4.1.
Belanghebbende acht vooruitbetaling van griffierecht, zowel in beroep als hoger beroep, in strijd met het Unierecht. Bij de teruggave van griffierecht moet volgens belanghebbende 10% rente worden vergoed.
4.2.
Het hof ziet geen steun in het Unierecht voor de stelling van belanghebbende dat het Nederlandse systeem op grond waarvan het griffierecht voor het (hoger) beroep eerst volledig moet worden betaald voordat de rechtbank en het hof het onderhavige belastinggeschil beoordelen, in strijd is met het Unierecht. Voorts acht het hof de van belanghebbende geheven bedragen in het onderhavige geval geen wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, zodanig onvermogend is dat hij niet in staat is om het griffierecht te voldoen en in aanmerking komt voor vrijstelling of vermindering van de geheven griffierechten.
Vraag 2 Rentevergoeding griffierecht
4.3.
De rechtbank heeft in r.o. 2.37 geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover het griffierecht niet tijdig aan belanghebbende wordt uitbetaald, met dien verstande dat wettelijke rente wordt verschuldigd vanaf vier weken na de datum waarop uitspraak is gedaan. Er is geen aanleiding om de rente op een eerder moment te laten ingaan of van een hogere rente dan de wettelijke rente uit te gaan.
4.4.
Het hof constateert ambtshalve dat de rechtbank haar oordeel betreffende de rente over het griffierecht, de vergoeding van immateriële schade en de proceskostenveroordeling niet in haar dictum heeft opgenomen. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank op dit punt vernietigen en alsnog doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen en in het dictum de beslissing opnemen dat, indien de immateriëleschadevergoeding, de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en/of het griffierecht niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan. In de ambtshalve aanvulling door het hof van de uitspraak van de rechtbank met hetgeen de rechtbank in haar rechtsoverwegingen heeft beslist, ziet het hof geen grond voor een vergoeding van proceskosten en/of vergoeding van het griffierecht.
Vraag 3 Bewijslast
4.5.
Belanghebbende betoogt dat de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de vermindering van het BPM-bedrag op de inspecteur rust aangezien bij binnen- en buitenlandse auto’s verschillende heffingsmodaliteiten gelden. Deze stelling faalt, aangezien het verschil in heffingsmodaliteiten op zichzelf geen strijd met artikel 110 VWEU oplevert. Waar het om gaat is of ten aanzien van ingevoerde auto’s een hoger bedrag aan BPM wordt geheven dan nog rust op vergelijkbare auto’s die reeds op de binnenlandse markt aanwezig zijn. Daarvan is als gevolg van de wijze van heffing in beginsel geen sprake.
4.6.
Belanghebbende stelt tevens dat de inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Daarbij betwist belanghebbende dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren op hem rusten, zoals de inspecteur onder verwijzing naar vaste jurisprudentie heeft gesteld. In navolging van de rechtbank overweegt het hof dat belanghebbende bij het doen van aangifte voor de BPM de daartoe van belang zijnde gegevens dient aan te leveren voor de bepaling van de verschuldigde BPM. Indien belanghebbende zich vervolgens op een vermindering van de door hem op aangifte voldane BPM beroept, rust op hem de plicht om feiten te stellen en, zo nodig, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen bewijslastverdeling. Belanghebbende moet wel voldoende gelegenheid worden geboden het van haar verlangde bewijs te leveren. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat belanghebbende niet voldoende gelegenheid is geboden het van haar verlangde bewijs te leveren.
4.7.
De rechtbank heeft de bewijslast derhalve juist verdeeld. Voor terugwijzing naar de rechtbank voor een hernieuwde behandeling, zoals belanghebbende heeft gesteld, is derhalve geen plaats.
Vraag 4 Interne compensatie
4.8.
De rechtbank heeft in overweging 2.21 geoordeeld dat met betrekking tot de aangifte januari 2016 voor één auto € 6 teveel BPM is voldaan. In overweging 2.24 heeft de rechtbank vastgesteld dat belanghebbende voor een viertal auto’s meer dan 72% waardevermindering als gevolg van schade in aanmerking heeft genomen en voor drie van de auto’s zelfs meer dan 100% waardevermindering. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het beroep van de inspecteur op interne compensatie slaagt.
4.9.
In hoger beroep stelt belanghebbende dat bij de vier auto’s waarop de aangifte BPM voor de maand januari 2016 ziet 100% van de schade is afgetrokken en dat interne compensatie in strijd is met het Unierecht omdat ingevolge het Unierecht schades steeds volledig – dus voor 100% - waardeverminderend zijn.
4.10.
Het hof verwerpt deze stelling. Het in onderdeel 3.5 van bijlage 1 bij de UR BPM opgenomen percentage van 72% vormt, mede gelet op de mogelijkheid van tegenbewijs, op grond van de totstandkomingsgeschiedenis een bruikbaar uitgangpunt voor de bepaling van de waardevermindering zonder dat daarmee in strijd wordt gekomen met het bepaalde in artikel 110 VWEU. Aangezien belanghebbende zich erop beroept dat een hogere waardevermindering dan 72% van de schade in aanmerking moet worden genomen, draagt belanghebbende de bewijslast van zijn stelling. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd om dat tegenbewijs te leveren.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarin een beslissing ontbreekt met betrekking tot de vergoeding van wettelijke rente over de door de inspecteur en de minister aan belanghebbende te vergoeden immateriële schadevergoeding en griffierechtbedragen en over de door de inspecteur aan belanghebbende te vergoeden proceskostenvergoeding;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van het griffierecht van € 85 (januari), € 85 (februari) en € 170 (maart) vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt de minister tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van het griffierecht van € 85 (januari) en € 85 (februari) vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van immateriële schade van € 1.875 vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt de minister tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van immateriële schade van € 1.125 vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding van € 1.598 vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening.
De uitspraak is gedaan door W.A.P. van Roij, raadsheer, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, als griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1575.
Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
Vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053.
Vgl. Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393.
Vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4 e.v..
Vgl. onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
Hoge Raad 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:89.
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790, onderdeel 5.
Vgl. o.a. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.1 e.v.