Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2022-04-14
ECLI:NL:GHSHE:2022:1217
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,314 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 14 april 2022
Zaaknummer : 200.305.805/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/296578 / JE RK 21-1877
in de zaak in hoger beroep van:
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] , locatie te [locatie] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Het hof merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
en
[de vader] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
verweerders in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder en de vader, dan wel gezamenlijk ouders,
advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 oktober 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij het hof op 26 januari 2022, heeft de GI het hof verzocht primair voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling over [minderjarige] alsnog toe te wijzen. Subsidiair heeft de GI het hof verzocht om ten behoeve van [minderjarige] een raadsonderzoek te gelasten naar de vraag of voldaan wordt aan de criteria van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij het hof op 9 maart 2022, hebben de ouders het hof verzocht de verzoeken van de GI in hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking in stand te laten.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 maart 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] en bijgestaan door
mr. [jurist] ;
de ouders, bijgestaan door mr. Jaminon;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.3.1.
Het hof heeft partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten dat ambtshalve de vraag aan de orde gesteld zal worden of de GI in haar verzoeken in hoger beroep kan worden ontvangen, nu de kinderrechter bij de bestreden beschikking de ondertoezichtstelling niet heeft verlengd. Op 18 en 21 maart 2022 is in acht andere en vergelijkbare zaken een mondelinge behandeling geweest waarin deze procesrechtelijke kwestie gelijktijdig is behandeld.
2.3.2.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en de voorzitter heeft op 16 maart 2022 met [minderjarige] gesproken, buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek samengevat weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 oktober 2021;
de (verbeterde) productie 11 en 13 van de GI, ontvangen op 17 februari 2022;
het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de ouders, ontvangen op
14 maart 2022;
- de tijdens de mondelinge behandeling van 18 maart 2022 in de verwante hoger beroepen door de GI overgelegde volmacht die ook in onderhavig hoger beroep aan de stukken wordt toegevoegd, waaruit blijkt dat aan mr. [jurist] , [vertegenwoordiger van de GI 2] , [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 3] een volmacht is verleend om de GI in rechte te vertegenwoordigen in de onderhavige zaak, ondertekend door de algemeen directeur van de GI, [algemeen directeur] , op 17 maart 2022.
Beoordeling
3.1.
Uit de relatie van de ouders is op [geboortedatum] 2010 de minderjarige [minderjarige] geboren.
De ouders zijn gezamenlijk belast het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont samen met de ouders binnen de leefgemeenschap van de [leefgemeenschap] (hierna: de [leefgemeenschap] ).
3.2.
Bij vonnis van 12 november 2020 van het Amtsgericht [ambtsgericht] is aan de ouders het gezag over [minderjarige] voorlopig ontnomen. Dienst Jeugdzaken [plaats] (Jugendamt [plaats] ) is tijdelijk belast met de voogdij.
3.3.
Bij beschikking van 14 december 2020 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van drie maanden. De voorlopige voogdijmaatregel is ingetrokken op 1 februari 2021.
3.4.
[minderjarige] stond aanvankelijk voorlopig onder toezicht van de GI vanaf 1 februari 2021 tot 1 mei 2021. Vervolgens is zij bij beschikking van 30 april 2021 onder toezicht gesteld van 1 mei 2021 tot 1 november 2021.
3.5.
Op 30 maart 2021 heeft er ten aanzien van [minderjarige] een psychodiagnostisch onderzoek plaatsgevonden.
3.6.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar afgewezen.
3.7.
De GI kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.8.
De GI voert - samengevat - het volgende aan.
De GI is tijdig in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking en kan in zoverre worden ontvangen in het beroep. Zou toewijzing van de verlenging van de ondertoezichtstelling niet meer mogelijk zijn in dit hoger beroep, dan kan de GI feitelijk het recht op hoger beroep niet effectueren en is er sprake van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
[minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd en een ondertoezichtstelling is noodzakelijk om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De zorgen van de GI vloeien voor een deel voort uit de veroordeling in december 2021 in Duitsland van de heer [voorganger] , één van de voorgangers van de [leefgemeenschap] . Er zijn daarom zorgen over de (seksuele) veiligheid van [minderjarige] . Voorts blijkt uit het psychodiagnostisch onderzoek dat haar sociaal-emotionele ontwikkeling in het gedrang lijkt te komen, omdat zij veel redeneert en waargenomen is dat zij veroordelend denkt over het ervaren en uiten van emoties. Daar komt bij dat [minderjarige] binnen de geloofsgemeenschap onvoldoende kan toekomen aan de ontwikkeling van een eigen identiteit vanwege het bestaan en het belang van de groepsidentiteit. Ook komt de autonomie van [minderjarige] in het gedrang. De GI wil de minderjarige handvatten bieden om zelfstandig keuzes te kunnen maken, waarbij zij ook voldoende in aanraking kan komen met de normen en waarden die in de samenleving buiten de gemeenschap gelden.
3.9.
De ouders voeren - samengevat - het volgende aan.
Primair is de GI niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep. De ouders verwijzen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1113), waaruit volgt dat een reeds geëindigde ondertoezichtstelling niet kan worden verlengd.
Voor zover het hof wel toekomt aan een inhoudelijke behandeling dan heeft de GI ten aanzien van [minderjarige] onvoldoende concrete ontwikkelingsbedreigingen naar voren gebracht. Het gaat heel goed met [minderjarige] ; zij zit lekker in haar vel en er zijn geen signalen van school en dergelijke dat het niet goed gaat. De [leefgemeenschap] is verre van gesloten. De ouders en de minderjarigen hebben via werk, school en hobby’s voldoende contacten met mensen buiten de [leefgemeenschap] . De ouders hebben altijd open gestaan voor een gesprek en dat staan zij nog steeds. De ouders begrijpen niet waarom de GI niet vaker op bezoek is geweest, waarom het niet mogelijk was het diagnostisch rapport te bespreken met de onderzoekers en waarom er geen contact is gezocht met de school van [minderjarige] . Zij benadrukken dat de [leefgemeenschap] niet staat voor criminaliteit en dat er geen enkele ruimte is voor intimiteit tussen volwassenen en minderjarigen. Er is - onder voorwaarden - wel ruimte voor vergeving en voor een tweede kans.
3.10.
De raad refereert zich aan het oordeel van het hof voor wat betreft de ontvankelijkheid. De raad adviseert - samengevat - als volgt. Er zijn weliswaar zorgen over [minderjarige] , maar deze zorgen zijn onvoldoende concreet. De meeste zorgen zijn gelegen in hoe er in de gemeenschap wordt omgegaan met de veroordeling van de voorganger van de gemeenschap wegens seksueel misbruik, nu breed binnen de [leefgemeenschap] het standpunt wordt uitgedragen dat deze voorganger ten onrechte is veroordeeld.
Er zijn ook zorgen over de identiteitsontwikkeling van de kinderen binnen de [leefgemeenschap] . De raad ziet mogelijkheden om vanuit het vrijwillig kader, bijvoorbeeld via Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), het gesprek met de ouders en eventueel de kinderen aan te gaan, om zorgen te bespreken en zo nodig hulpverlening in te zetten. Het is wel belangrijk dat dit proces gemonitord gaat worden, zodat er zicht op blijft in hoeverre de zorgen, die de raad zeker ook ziet, worden weggenomen.
Ontvankelijkheid verzoeken in hoger beroep
3.11.
Het hof beoordeelt allereerst de ontvankelijkheid van de GI in het door haar ingestelde hoger beroep. Het hof overweegt daarover het volgende.
3.11.1.
Op grond van artikel 1:255 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling. In artikel 1:260 lid 1 BW is bepaald dat de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste één jaar.
3.11.2.
Wanneer de duur van de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, eindigt de maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter bepaalde duur. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1113) volgt dat als de maatregel van rechtswege is geëindigd, deze niet meer kan worden verlengd. Wel kan de minderjarige in een dergelijk geval, indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, door de kinderrechter opnieuw op grond van artikel 1:255 BW onder toezicht worden gesteld.
3.11.3.
Voor deze zaak betekent dit het volgende. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met één jaar te verlengen, afgewezen. Nadat de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd op 1 november 2021, heeft de GI op 26 januari 2022 hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Gelet op voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 kan het hof dit verzoek van de GI in eerste aanleg niet toewijzen, nog los van de vraag of het hof inhoudelijk gronden ziet om tot verlenging van de ondertoezichtstelling over te gaan. De ondertoezichtstelling is immers op 1 november 2021 van rechtswege geëindigd en uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat deze dan niet meer kan worden verlengd. Het vorenstaande betekent dat, wat er ook zij van de grieven van de GI, het oorspronkelijk verzoek om de ondertoezichtstelling per 1 november 2021 te verlengen, niet meer kan worden toegewezen.
3.11.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI nog naar voren gebracht dat als het primaire verzoek door het hof niet kan worden toegewezen, in hoger beroep toch de rechtmatigheid van de bestreden beschikking behoort te worden beoordeeld. Bij dat verzoek heeft de GI evenwel onvoldoende belang, om navolgende reden.
Dictum
Het hof:
wijst de verzoeken van de GI in hoger beroep af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin en is op 14 april 2022 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.