Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2021-07-22
ECLI:NL:GHSHE:2021:2311
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,620 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 22 juli 2021
Zaaknummer : 200.287.076/01
Zaaknummer eerste aanleg : 8467989 BM VERZ 20-1523
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. P.A. van Enckevort.
Deze zaak gaat over het bewind en mentorschap van (de goederen van):
[rechthebbende]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: rechthebbende.
In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:
[bewindvoerder tevens mentor]
,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: [bewindvoerder tevens mentor] ,
advocaat: mr. J.E. Kremer.
[broer] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de broer van rechthebbende.
Als informant in deze zaak wordt aangemerkt:
[B.V. 1] B.V.,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de voorgestelde opvolgend bewindvoerder.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 8 september 2020.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij het hof op 7 december 2020, heeft verzoekster verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek in eerste aanleg toe te wijzen, althans aan [bewindvoerder tevens mentor] als bewindvoerder en mentor van rechthebbende ontslag te verlenen met gelijktijdige benoeming van [B.V. 1] B.V. te [kantoorplaats] als nieuwe bewindvoerder en zijzelf als mentor.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij het hof op 12 februari 2021, heeft [bewindvoerder tevens mentor] verzocht verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel om voormelde beschikking te bekrachtigen. Ook heeft [bewindvoerder tevens mentor] incidenteel beroep ingesteld en verzocht in het geval verzoekster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar beroep, verzoekster te veroordelen in de kosten van de gevoerde procedure in beide instanties.
2.2.1.
Bij verweerschrift in incidenteel beroep, ingekomen bij het hof op 24 maart 2021, heeft verzoekster zich in het geval van een niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
verzoekster, bijgestaan door mr. J. Jansen als waarnemer voor mr. Van Enckevort;
[bewindvoerder tevens mentor] , bijgestaan door mr. Kremer;
rechthebbende;
de broer van rechthebbende.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 28 augustus 2020;
het V8 formulier met producties van de advocaat van verzoekster van 8 januari 2021.
2.4.1.
De advocaat van [bewindvoerder tevens mentor] heeft tijdens de mondelinge behandeling een zestal pagina’s overgelegd: het betreft een e-mailwisseling tussen de maatschappelijk werkster en (de assistent van) [bewindvoerder tevens mentor] en een e-mail van de verpleegkundige aan [bewindvoerder tevens mentor] over het tekenen van het zorgplan. Deze stukken zijn, met instemming van partijen, aan het dossier toegevoegd.
Beoordeling
3.1.
Bij beschikking van 28 maart 2017 heeft de kantonrechter over de goederen die aan rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld.
3.2.
Bij beschikking van 1 november 2017 heeft de kantonrechter met ingang van
1 december 2017 [B.V. 2] B.V. te [kantoorplaats] ontslagen als bewindvoerder, onder gelijktijdige benoeming van [bewindvoerder tevens mentor] als bewindvoerder.
3.3.
Bij beschikking van 5 maart 2018 heeft de kantonrechter ten behoeve van rechthebbende een mentorschap ingesteld. [bewindvoerder tevens mentor] is benoemd tot mentor van rechthebbende.
3.4.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van verzoekster om [bewindvoerder tevens mentor] te ontslaan en gelijktijdig een andere bewindvoerder en mentor te benoemen, afgewezen.
3.5.
Verzoekster kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
Verzoekster voert aan dat er niet tot nauwelijks contact is met [bewindvoerder tevens mentor] . Gelet op de beperkte mogelijkheden van rechthebbende tot communicatie is het wenselijk dat zij als moeder van rechthebbende wordt geïnformeerd. [bewindvoerder tevens mentor] is zeer beperkt bereikbaar en e-mailberichten worden vaak niet beantwoord. Ook komt zij gemaakte afspraken met verzoekster niet na. Rechthebbende en zijn familie zien of spreken [bewindvoerder tevens mentor] nauwelijks. De communicatieproblemen leiden tot onrust bij rechthebbende en tot onduidelijkheid en stress bij verzoekster. Zij zijn het vertrouwen in [bewindvoerder tevens mentor] en in haar kantoor geheel verloren en ervaren de samenwerking als emotioneel belastend. [bewindvoerder tevens mentor] is afstandelijk en zeer onpersoonlijk. Het is volgens verzoekster wenselijk dat een mentor nauwer persoonlijk contact heeft met rechthebbende, zeker nu hij de laatste tijd meer kan praten en zelfstandiger wordt. Verzoekster bezoekt rechthebbende wekelijks en hij verblijft één keer in de maand een weekend bij haar thuis.
3.7.
Rechthebbende onderschrijft het verzoek van verzoekster en wil ontslag van [bewindvoerder tevens mentor] .
3.8.
De broer van rechthebbende erkent dat de relatie met [bewindvoerder tevens mentor] is verstoord. Hij heeft er alle vertrouwen in dat verzoekster in staat is om het mentorschap op zich te nemen.
3.9.
[bewindvoerder tevens mentor] voert aan dat verzoekster geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) omdat de zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op haar rechten of verplichtingen. In het kader van artikel 798 lid 2 Rv wijst [bewindvoerder tevens mentor] op de prejudiciële vragen die door het gerechtshof Den Haag op 2 december 2020 zijn gesteld aan de Hoge Raad (HR). [bewindvoerder tevens mentor] verzoekt om deze zaak aan te houden tot aan het moment dat de HR over de ontvankelijkheidskwestie heeft beslist. Inhoudelijk betwist [bewindvoerder tevens mentor] dat er nauwelijks contact is tussen haar en verzoekster. Als zij informatie heeft die van belang is voor de familie van rechthebbende, deelt zij deze informatie met hen ondanks dat zij daartoe wettelijk niet verplicht is. Ook betwist [bewindvoerder tevens mentor] dat zij gemaakte afspraken niet nakomt. In het kader van het mentorschap controleert zij de zorgplannen en de berichtgeving in het zorgsysteem. Indien nodig neemt zij contact op met de zorginstelling waar rechthebbende woont. Rechthebbende heeft per 1 januari 2021 een nieuwe persoonlijk begeleider. Het is tot op heden nog niet gelukt om een kennismaking met deze persoonlijk begeleider te plannen, maar met de vorige persoonlijk begeleider van rechthebbende onderhield [bewindvoerder tevens mentor] een goed contact. Als bewindvoerder tevens mentor neemt zij deel aan de multidisciplinaire overleggen (MDO) aangaande rechthebbende, eens per negen maanden. Zij heeft er twee gemist; een door ziekte en de ander omdat zij niet op de hoogte was van het geplande MDO. Er zijn geen bijzonderheden qua bewind. Rechthebbende is vorig jaar toegelaten tot de schuldhulpverlening. [bewindvoerder tevens mentor] heeft geen bonnetjes gezien van de uitgaven die verzoekster naar eigen zeggen voor rechthebbende heeft gedaan. [bewindvoerder tevens mentor] ziet kansen voor een vruchtbare samenwerking met (de familie van) rechthebbende. Zij merkt op dat haar kantoor een nieuwe medewerker heeft en indien dit voor verzoekster prettig is, dan is [bewindvoerder tevens mentor] bereid om de feitelijke uitvoering van de mentortaken aan deze persoon over te dragen.
3.10.
Het hof overweegt het volgende.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
3.10.1.
In artikel 798 lid 1 Rv is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. In lid 2 van voornoemd artikel is bepaald dat in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap onder belanghebbenden bovendien worden verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft.
3.10.2.
De HR heeft de prejudiciële vragen die gesteld zijn door het gerechtshof Den Haag op 2 december 2020 inmiddels beantwoord in de uitspraak van 18 juni 2021
(ECLI:NL:HR:2021:950). Deze uitspraak leidt er toe dat verzoekster als belanghebbende dient te worden aangemerkt en daarom ontvankelijk is in dit hoger beroep.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling
3.10.3.
In artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de bewindvoerder door de kantonrechter ontslag kan worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.
3.10.4.
In artikel 1:461 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 van het BW is bepaald dat de mentor door de kantonrechter ontslag kan worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.
3.10.5.
Niet gebleken is dat [bewindvoerder tevens mentor] geen goede uitvoering geeft aan de taken met betrekking tot het financieel beheer. Rechthebbende is toegelaten tot de schuldhulpverlening en dit traject loopt. Voor de uitgaven die verzoekster voor rechthebbende doet kan zij bij [bewindvoerder tevens mentor] een vergoeding vragen. De omstandigheid dat verzoekster dat kennelijk om haar moverende redenen niet heeft gedaan, rechtvaardigt niet de conclusie dat derhalve de bewindvoerder haar taak niet naar behoren uitvoert. Er is naar het oordeel van het hof geen sprake van gewichtige redenen die maken dat [bewindvoerder tevens mentor] het bewind niet naar behoren uitvoert. Daarvoor heeft verzoekster onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld. Dit geldt ook voor het mentorschap. Uit de stukken en de mondelinge behandeling is wel naar voren gekomen dat de verstandhouding tussen de rechthebbende en [bewindvoerder tevens mentor] is verstoord en het vertrouwen in [bewindvoerder tevens mentor] bij zowel de rechthebbende als verzoekster ontbreekt.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van
8 september 2020,
en opnieuw rechtdoende:
verleent met ingang van 1 september 2021 aan [bewindvoerder tevens mentor] voornoemd, ontslag als mentor en bewindvoerder over de goederen van [rechthebbende] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;
benoemt met ingang van de datum van deze beschikking [verzoekster] , verzoekster, wonende te [woonplaats] , tot opvolgend mentor;
benoemt met ingang van 1 september 2021 [B.V. 1] B.V.,
correspondentieadres: Postbus [postbus] , [postcode] [kantoorplaats] tot opvolgend bewindvoerder;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en de opvolgend bewindvoerder en een - zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, overlegt;
bepaalt dat de opvolgend bewindvoerder binnen drie maanden na aanvang van het bewind een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen dient op te maken en een afschrift daarvan dient in te leveren ter griffie (het Bewindsbureau) van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond;
stelt de jaarbeloning van de opvolgend bewindvoerder vast overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;
stelt de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder vast overeenkomstig de in artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren opgenomen lage beloning;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en H.M.A.W. van Erven en is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.