Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2021-07-15
ECLI:NL:GHSHE:2021:2248
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,276 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummers : 200.285.919/01 en 200.285.922/01
zaaknummer rechtbank : C/01/344645 / FA RK 19-1383
beschikking van de meervoudige kamer van 15 juli 2021
inzake
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.H.M. Verstraten te Tegelen,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. H. Sanli te Helmond.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De vrouw is op 13 november 2020 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 25 augustus 2020.
2.2.
De man heeft op 29 december 2020 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de advocaat van de man van 11 maart 2021 met bijlage 3.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 2 juni 2021 plaatsgevonden.
Daarbij zijn verschenen:
mr. J.H.M. Verstraten namens de vrouw;
de man, bijgestaan door mr. H. Sanli;
de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .
De vrouw is met bericht van verhindering niet verschenen.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
a. Partijen zijn op 11 juli 2017 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Anders dan in het dictum van de bestreden beschikking staat vermeld, is het huwelijk tussen partijen voltrokken in de gemeente [gemeente 1] en niet in de gemeente [gemeente 2] .
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
Op 20 maart 2019 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Daarop is bij de bestreden beschikking van 25 augustus 2020 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 1 oktober 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:
a. de navolgende regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:
[minderjarige] verblijft bij de man:
gedurende elke zaterdag;
op maandag nadat [minderjarige] op de peuterspeelzaal is geweest, waar de man haar ophaalt, tot woensdag 17.00 uur, als de man haar weer bij de vrouw brengt;
op de verjaardag van de man zolang [minderjarige] niet schoolgaand is; als zij wel schoolgaand is en de verjaardag van de vader in het weekend valt is ze in dat weekend bij de man;
op vaderdag;
het ene jaar tijdens de Kerstdagen bij de man en met Oud en Nieuw bij de vrouw en het andere jaar tijdens de Kerstdagen bij de vrouw en met Oud en Nieuw bij de man;
gedurende de helft van de overige feestdagen en bijzondere dagen, waaronder Islamitische, en de schoolvakantie;
op de verjaardag van de vrouw alsmede in het weekeinde waarin moederdag valt verblijft ze bij de vrouw;
de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 0,00 per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
de wijze van verdeling gelast van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen als overwogen in rov. 2.8.6 tot en met 2.8.15;
het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2.
De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking van 25 augustus 2020 te vernietigen voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de partneralimentatie en de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap als overwogen in rov. 2.8.8, 2.8.12 tot en met 2.8.15 en opnieuw rechtdoende, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking maandelijks een bedrag van € 185,-- dient te voldoen als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw;
vast te stellen dat (het hof begrijpt) de man volledig draagplichtig is voor de schuld aan de DUO en de schuld aan [BV] BV;
de man te verplichten zijn medewerking te verlenen aan de feitelijke verdeling van de huwelijksgemeenschap, door de vrouw in de gelegenheid te stellen om haar goederen met haar broer samen op te halen;
e omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen als volgt: elke maandag na de peuterspeelzaal tot woensdagmiddag 13.00 uur waarbij de man [minderjarige] naar de peuterspeelzaal brengt, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, de Islamitische feestdagen uitgezonderd.
4.3.
De man heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel het hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep.
4.4.
De vrouw heeft drie grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Haar grieven zien op de volgende onderwerpen:
verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (grief 1);
partneralimentatie (grief 2);
schuld DUO (grief 3, onderdeel 1);
schuld [BV] BV (grief 3, onderdeel 2);
inboedel (grief 3, onderdeel 3).
4.5.
Het hof zal de grieven van de vrouw hierna per onderwerp bespreken.
Motivering
Verdeling zorg- en opvoedingstaken (grief 1)
5.1.
De rechtbank heeft inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onder meer bepaald dat [minderjarige] bij de man verblijft: elke zaterdag, alsmede op maandag na de peuterspeelzaal tot woensdag 17.00 uur en de helft van alle Islamitische feestdagen. Hiertegen keert zich grief 1 van de vrouw.
5.2.
De vrouw voert, kort samengevat, het volgende aan. Bij [minderjarige] is sprake van een taalachterstand. Om deze achterstand aan te pakken, heeft het consultatiebureau geadviseerd om [minderjarige] vier dagdelen per week naar de peuterspeelzaal te laten gaan. De vrouw heeft dit advies opgevolgd. [minderjarige] gaat nu op maandag-, donderdag- en vrijdagochtend naar de peuterspeelzaal. [minderjarige] moet ook op woensdagmiddag naar de peuterspeelzaal. Als gevolg van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is dat niet mogelijk. [minderjarige] verblijft dan bij de man en hij weigert om haar op woensdagmiddag naar de peuterspeelzaal te brengen. Hij brengt haar aan het einde van de middag rechtstreeks naar de vrouw toe. Door de weigerachtige houding van de man mist [minderjarige] elke week één dagdeel van de peuterspeelzaal. Dit is niet in haar belang. Het is goed voor haar ontwikkeling wanneer zij ook op woensdagmiddag naar de peuterspeelzaal gaat. De zorg- en contactregeling dient daarom hierop te worden aangepast.
De zorg- en contactregeling dient ook te worden aangepast voor wat betreft de Islamitische feestdagen. De man houdt [minderjarige] ook op die dagen thuis waardoor zij niet de peuterspeelzaal kan bezoeken. Dit is niet in haar belang.
Tot slot is het niet in het belang van [minderjarige] dat zij op zaterdag contact heeft met de man. [minderjarige] heeft baat bij een regelmatig slaapritme. De man komt daaraan niet tegemoet. De omgang tussen de man en [minderjarige] op de zaterdag moet daarom komen te vervallen.
5.3.
De man heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. De huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken moet gehandhaafd blijven. Er is geen aanleiding om hierin wijzigingen aan te brengen. [minderjarige] is gewend aan de huidige regeling. De regeling biedt haar structuur en regelmaat. Van een taalachterstand bij [minderjarige] is geen sprake. De vrouw is slechts bezig om ieder contact tussen hem en [minderjarige] te dwarsbomen. Met de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken moet het ook mogelijk zijn om [minderjarige] vier dagdelen naar de peuterspeelzaal te laten gaan. Zo zou zij bijvoorbeeld op maandagochtend (één dagdeel), de gehele donderdag (twee dagdelen) en op vrijdagochtend (één dagdeel) naar de peuterspeelzaal kunnen gaan.
5.4.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Vanwege de mogelijke taalachterstand is het positief dat [minderjarige] vier dagdelen per week naar de peuterspeelzaal gaat. Dat is goed voor haar ontwikkeling. Het is begrijpelijk dat de man niet terug wil in contact met [minderjarige] . Een mogelijkheid is om de uren op zaterdag uit te breiden, zodat [minderjarige] op woensdagmiddag alsnog naar de peuterspeelzaal kan gaan. De raad adviseert de ouders gebruik te maken van hulpverlening om onderlinge communicatie te verbeteren. Daarvoor moeten de ouders ieder voor zich om hulp vragen bij de gemeente waarin zij wonen. In overleg met de gemeente kunnen de ouders dan bekijken of zij in aanmerking kunnen komen om een module te volgen om met elkaar te leren communiceren.
5.5.
Het hof overweegt als volgt.
5.5.1.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op art. 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.5.2.
Het hof acht het in het belang van [minderjarige] om de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat het consultatiebureau het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk acht dat zij vier dagdelen per week naar de peuterspeelzaal gaat. Gebleken is dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hieraan in de weg staat, omdat [minderjarige] op de woensdagmiddag (één van de vier dagdelen waarop zij naar de peuterspeelzaal toe kan) bij de man verblijft. Hij wil, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard, haar dan niet naar de peuterspeelzaal brengen omdat hij anders minder omgang met haar heeft. Deze beperking van het bezoek van [minderjarige] aan de peuterspeelzaal, vindt het hof niet in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] . Teneinde [minderjarige] vier dagdelen per week naar de peuterspeelzaal toe te kunnen laten gaan, zal het hof daarom de zorgregeling wijzigen in die zin dat [minderjarige] op de woensdag tot 13.00 uur bij de man verblijft in plaats van tot 17.00 uur, waarbij hij [minderjarige] ’s middags naar de peuterspeelzaal brengt. Ter compensatie van het verlies van de woensdagmiddag, zal het hof de omgangsuren op de zaterdag uitbreiden, in die zin dat [minderjarige] dan van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de man zal verblijven. Ofschoon het hof het in het belang van [minderjarige] acht dat zij zo veel als mogelijk de peuterspeelzaal bezoekt, ziet het hof, anders dan de vrouw, geen aanleiding om de zorgregeling te wijzigen voor wat betreft de Islamitische feestdagen. Het gaat op jaarbasis om zeven Islamitische feestdagen, welke deels kunnen vallen in de weekenden en/of tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de vrouw en/of op een dag waarop [minderjarige] de peuterspeelzaal niet bezoekt. Gelet daarop ziet het hof geen aanleiding voor een aanpassing van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
5.5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de communicatie tussen partijen zeer slecht is. In navolging van de raad, acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat partijen zich gaan inzetten voor de verbetering van hun communicatie als ouders van [minderjarige] . Gebleken is dat de vrouw zich bij haar gemeente heeft aangemeld voor een gezinscoach. Het hof gaat ervan uit dat ook de man zich bij zijn gemeente zal aanmelden voor het volgen van een hulpverleningstraject, zodat partijen, in het belang van [minderjarige] gezamenlijk kunnen gaan werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie.
Partneralimentatie (grief 2)
5.6.
Grief 2 van de vrouw is gericht tegen de beslissing tot afwijzing van haar verzoek tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in haar levensonderhoud. De rechtbank heeft geoordeeld dat de behoeftigheid bij de vrouw ontbreekt, omdat zij op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om (door arbeid) meer inkomen te genereren.
5.7.
De vrouw voert aan dat zij niet in staat is om volledig in haar levensonderhoud te voorzien. Zij heeft een beperkt inkomen, bestaande uit een bijstandsuitkering van de gemeente. Haar zorg voor [minderjarige] , de begeleiding van [minderjarige] naar de peuterspeelzaal, alsmede de omstandigheid dat zij onder behandeling is bij een psycholoog vanwege psychische problemen, betekent dat zij geen betaalde arbeid kan verrichten. Derhalve heeft zij behoefte aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud.
5.8.
De man heeft verweer gevoerd. Onder de huidige omstandigheden waarbij de man eveneens de zorg verleend aan [minderjarige] en [minderjarige] enkele dagdelen naar de peuterspeelzaal gaat, kan het standpunt van de vrouw niet gevolgd worden. De vrouw kan simpelweg werken op de dagen dat [minderjarige] bij hem is of naar de peuterspeelzaal gaat.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 augustus 2020, doch uitsluitend en alleen voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt de navolgende regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast: de minderjarige [minderjarige] verblijft bij de man:
gedurende elke zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de man haar bij de vrouw ophaalt en haar weer bij de vrouw terugbrengt;
op maandag nadat [minderjarige] op de peuterspeelzaal is geweest, waar de man haar ophaalt, tot woensdag 13.00 uur, als de man haar naar de peuterspeelzaal brengt;
op de verjaardag van de man zolang [minderjarige] niet schoolgaand is; als zij wel schoolgaand is en de verjaardag van de vader in het weekend valt is ze in dat weekend bij de man;
op vaderdag;
het ene jaar tijdens de Kerstdagen bij de man en met Oud en Nieuw bij de vrouw en het andere jaar tijdens de Kerstdagen bij de vrouw en met Oud en Nieuw bij de man;
gedurende de helft van de overige feestdagen en bijzondere dagen, waaronder Islamitische, en de schoolvakantie;
op de verjaardag van de vrouw alsmede in het weekeinde waarin Moederdag valt verblijft ze bij de vrouw;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, G.J. Vossestein en J.W.P.N. Hermans, en is op 15 juli 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Zij is niet afgekeurd en is gewoon in staat om te werken. Dat zij onder behandeling is van een psycholoog doet daaraan niet af. De vrouw spreekt vloeiend Nederlands en heeft geen medische beperkingen om arbeid te verrichten.
5.9.
Het hof overweegt als volgt.
Ook in hoger beroep heeft de vrouw niet aangetoond dat zij behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw haar stelling dat zij niet in staat is om volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, onvoldoende (nader) geconcretiseerd en onderbouwd. Het had op de weg van de vrouw gelegen verificatoire bescheiden in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij niet meer inkomen kan verwerven dan zij nu heeft. Nu zij dit heeft nagelaten, dient dat voor haar eigen rekening en risico te komen. Derhalve faalt de grief van de vrouw.
Schuld DUO (grief 3, onderdeel 1)
5.10.
De rechtbank heeft bepaald dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan DUO. Hiertegen keert zich het eerste onderdeel van grief 3 van de vrouw.
5.11.
De vrouw voert, kort samengevat, het volgende aan. Op grond van de redelijkheid en billijkheid moet de draagplicht van de schuld bij DUO bij de man worden bepaald. Zij was voorafgaand aan het huwelijk niet op de hoogte van het bestaan van de schuld. De man heeft haar daar nooit over geïnformeerd. Partijen zijn bewust later gehuwd omdat de vrouw eerder nog in de schuldsanering zat en zij in dat kader de man niet wilde belasten met haar schulden uit het verleden. Zij heeft hier uitvoerig met de man over gesproken en hierbij ook aangegeven dat zij geen nieuwe schulden mocht en wilde aangaan. Bovendien is de schuld aan DUO aan de man verknocht en dient daarom door hem gedragen te worden.
5.12.
De man heeft verweer gevoerd. Hij is het eens met het oordeel van de rechtbank. De vrouw was wel degelijk op de hoogte van de het bestaan van de schuld bij DUO. Als de vrouw niet draagplichtig had willen worden voor voorhuwelijkse schulden van de man, had zij op huwelijkse voorwaarden moeten trouwen en niet in gemeenschap van goederen. Van verknochtheid is geen sprake.
5.13.
Het hof overweegt als volgt.
5.13.1.
Van belang is dat vanaf 1 januari 2018 art. 1:100 BW is gewijzigd. Voor gemeenschappen die na 1 januari 2018 zijn ontbonden dient uitgegaan te worden van de wettekst die geldt na 1 januari 2018 (Hoge Raad 19 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:636). De hoofdregel van art. 1:100 BW is dat beide echtgenoten gelijk draagplichtig zijn met betrekking tot gemeenschapsschulden; in het tweede lid is een uitzondering geformuleerd op voormelde hoofdregel indien er sprake is van een negatieve boedel. Art. 1:100 lid 2 BW luidt als volgt:
”Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet (cursief hof) toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden een andere draagplicht voortvloeit”.
Door degene die zich beroept op art. 1:100 lid 2 BW dienen feiten en omstandigheden te worden gesteld op basis waarvan geoordeeld kan worden of van een gelijke draagplicht kan worden afgeweken.
5.13.2.
Niet kan worden vastgesteld of art. 1:100 lid 2 BW van toepassing is. Gesteld noch gebleken is namelijk dat de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden te voldoen. Reeds hierom faalt het beroep van de vrouw op art. 1:100 lid 2 BW.
Voor zover de vrouw zich er op beroept dat de man op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid volledig draagplichtig is voor de schuld bij DUO, faalt dit beroep eveneens. Afwijking van de draagplicht bij helfte kan slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748, HR 22 november 2013 ECLI:NL:HR:2013:1393 en HR 9 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1066). De stelplicht (en zo nodig bewijslast) ter zake van, kort weergegeven, afwijking van de draagplicht bij helfte rust op de vrouw.
Voor de door de vrouw bepleite afwijking van de uit art. 1:100 lid 1 BW voortvloeiende draagplicht bij helfte is in deze zaak geen grond. De door haar gestelde feiten en omstandigheden zijn door de man betwist en voor zover dat niet het geval is, zijn die feiten en omstandigheden niet zodanig uitzonderlijk dat verdeling van de draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid jegens de vrouw onaanvaardbaar zou zijn.
Dit betekent dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die afwijking van de hoofdregel van art. 1:100 lid 1 BW rechtvaardigen.
Voor zover de vrouw nog heeft betoogd dat de schuld aan DUO verknocht is aan de man, is het hof van oordeel dat hiervan geen sprake is. Het hof neemt daartoe over de gronden van de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering tot de zijne maakt.
5.13.3.
Het voorgaande brengt met zich dat partijen in hun onderlinge verhouding gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schuld aan DUO. Het eerste onderdeel van grief 3 van de vrouw faalt.
Schuld [BV] BV (grief 3, onderdeel 2)
5.14.
De rechtbank heeft bepaald dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan [BV] BV. Hiertegen keert zich het tweede onderdeel van grief 3 van de vrouw.
5.15.
De vrouw voert aan dat de schuld aan [BV] geen gemeenschapsschuld is. Er is sprake van een zakelijke schuld omdat de man deze schuld destijds in zijn hoedanigheid van vennoot van een vof is aangegaan. Een zakelijke schuld valt niet in de huwelijksgemeenschap.
5.16.
De man weerspreekt dat de schuld aan [BV] een zakelijke schuld betreft. Hij is deze schuld destijds als privépersoon aangegaan en niet als vennoot van de vof. Met het geleende geld, een bedrag van € 10.000,--, hebben partijen hun bruiloft, de huwelijksreis en de aanschaf van een gedeelte van de inboedel betaald. Hij lost elke maand
€ 100,-- af op deze schuld. Thans staat er nog een bedrag open van ca. € 7.000,--.
5.17.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van art. 1:94 lid 1, 2 en 5 (oud) BW omvat de huwelijksgemeenschap alle goederen en schulden van de echtgenoten. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw in het licht van het bepaalde in art. 1:94 BW niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat de schuld aan [BV] geen gemeenschapsschuld is. De vrouw maakt onvoldoende duidelijk dat als sprake is van een schuld van de vof en de man daarvoor op grond van art. 18 Wetboek van Koophandel (WvK) hoofdelijk verbonden is, de vennootschapscrediteur ook een vorderingsrecht heeft jegens de vennoot (de man) persoonlijk (waarover HR19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019, 649, rov. 3.4.4) en waarom die schuld van de man niet in de huwelijksgemeenschap zou vallen. Voor zover de vrouw heeft betoogd dat deze schuld als een persoonlijke schuld aan de man verknocht is, overweegt het hof als volgt. Van verknochtheid is ook ten aanzien van deze schuld geen sprake. Het hof verwijst daartoe naar zijn rov. 5.13.2 hiervoor.