Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2019-06-20
ECLI:NL:GHSHE:2019:2217
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
2,260 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 20 juni 2019
Zaaknummer : 200.259.706/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/344673 / FT RK 19/258
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats]
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.F.J. Martens te 's-Hertogenbosch.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met productie (het vonnis waarvan beroep), tijdig ingekomen ter griffie op 20 mei 2019, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. Bij die gelegenheid is gehoord [appellant] , bijgestaan door mr. Martens.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 7 juni 2019.
Beoordeling
3.1.
[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 206.431,08. Daaronder bevinden zich een schuld van € 181.960,84 (hypothecaire restschuld na verkoop huis) aan BLG Wonen, schulden aan Rabobank van € 3.278,45 en € 6.823,69, een schuld van € 5.103,36 aan Creative Technology Holland, een schuld van € 3.453,51 aan Aannemingsbedrijf [aannemingsbedrijf] , een schuld van € 1.922,55 aan [postorderbedrijf] en een schuld van € 261,86 aan het CJIB.
Uit genoemde verklaring blijkt dat geen minnelijk traject heeft plaatsgevonden, omdat er nog onvoldoende tijd beschikbaar is geweest om dit te realiseren.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 285 lid 1 sub f Fw overwogen dat voorafgaand aan het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling geen (deugdelijke) poging is ondernomen om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling. Dat het faillissement van [appellant] is aangevraagd is naar het oordeel van de rechtbank geen reden de mogelijkheid van een minnelijk aanbod niet nader te onderzoeken. [appellant] dient allereerst de mogelijkheid van een minnelijk traject te onderzoeken voor hij gebruik kan maken van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat de schuldsaneringsregeling is bedoeld voor degene die actief (maar tevergeefs) heeft geprobeerd om met zijn schuldeisers tot een schikking te komen en die aldus in een benarde schuldenpositie geen andere keuze heeft dan een beroep op de rechter te doen. Voor deze groep schuldenaren is de schuldsaneringsregeling bedoeld en de strenge toelatingsvereisten zijn een manier om de schuldenaar tot het uiterste te laten gaan om te trachten een minnelijke regeling te bereiken, aldus de rechtbank.
3.3.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. In artikel 3 lid 1 Fw is bepaald dat wanneer een faillissement van een schuldenaar door een derde wordt aangevraagd, de griffier van de rechtbank terstond per brief de schuldenaar kennis geeft dat hij een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan doen. [appellant] heeft de brief van de griffier ontvangen en heeft een dergelijk toelatingsverzoek tijdig ingediend. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet dan kan in redelijkheid niet van [appellant] worden verlangd dat hij nog een onderzoek gaat doen naar de reële mogelijkheden om tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen. De verzoeker van het faillissement zal dan ook niet genegen zijn om alsnog tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen. Het ingediende verzoek tot faillietverklaring kan aldus worden gezien als de met redenen omklede verklaring dat geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen. [appellant] is derhalve van mening dat de rechtbank een verkeerde maatstaf heeft aangelegd door artikel 285 lid 1 sub f Fw ook van toepassing te verklaren in het geval het verzoek tot het treffen van een schuldsaneringsregeling wordt ingediend nadat het verzoek tot faillietverklaring is ingediend.
3.4.
Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Uit het vonnis zou kunnen worden afgeleid dat de rechtbank vond dat [appellant] stil zat. Dat is echter niet het geval. [appellant] had zich op 25 maart 2019 reeds gemeld bij de Gemeentelijke Kredietbank, maar hem werd op 4 juni 2019 pas bericht dat hij is toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject. Dit, terwijl het vonnis van de rechtbank reeds op 10 mei 2019 is uitgesproken. Het gehele traject bij de Gemeentelijke Kredietbank duurt circa negen maanden. Het is dus niet mogelijk om in dit geval een minnelijke regeling beproefd te hebben.
Het niet kunnen (laten) uitvoeren van een minnelijk traject moet worden gezien als uitzondering op de regel dat een dergelijk minnelijk traject moet zijn beproefd.
De financiële problemen zijn ontstaan in de periode 2014-2015 door de echtscheiding. Het huis was te duur voor [appellant] om in zijn eentje te bekostigen. De hypotheeknemer BLG Wonen, thans SNS Bank, heeft vervolgens aangekondigd dat de woning zou worden verkocht, nadat [appellant] gedurende anderhalf jaar niets van de bank had gehoord. De betalingsachterstand van de hypothecaire premie was intussen opgelopen tot € 64.000,-. Doordat [appellant] de woning niet zelf kon verkopen, is de woning uiteindelijk geveild. Indien de woning door [appellant] verkocht had kunnen worden, dan had deze waarschijnlijk veel meer geld opgebracht en was de totale schuldenlast niet zo hoog geweest als die thans is, aldus [appellant] .
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Conform het arrest van de Hoge Raad d.d. 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010: BK4947 dient de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank te worden aangemerkt als een afwijzing van het verzoek waartegen conform artikel 292 lid 3 Fw hoger beroep openstaat. Het beroepschrift van [appellant] is verder binnen de van toepassing zijnde beroepstermijn ingediend. Op grond van vorenstaande is het hof van oordeel dat [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
3.5.2.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of [appellant] ontvankelijk is in het inleidend verzoek. Uit artikel 285 lid 1 aanhef en onder f Fw moet worden afgeleid dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de schuldenaar een poging dient te doen om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Indien de schuldenaar niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling is gekomen, dient het verzoekschrift een met redenen omklede verklaring te bevatten dat daartoe geen reële mogelijkheden zijn.
3.5.3.
Uit de inhoud van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat [appellant] voorafgaand aan zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling geen deugdelijk minnelijk traject heeft doorlopen. Tevens ontbreekt de in artikel 285 lid 1 sub f Fw bedoelde met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, nu de wel overgelegde verklaring behelst dat wegens tijdgebrek geen aanbod is gedaan. Uit de memorie van toelichting van de Wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (kamerstukken 29 942 nr. 3 vergaderjaar 2004-2005) blijkt dat dit wetsvoorstel onder andere ertoe strekt de regeling van de sanering van schulden van natuurlijke personen te vereenvoudigen en de toegang tot de schuldsaneringsregeling beter te beheersen. De wetgever heeft bij deze wijziging onder meer voor ogen gestaan dat het bij economische tegenwind juist klemt dat de schuldsaneringsregeling ook daadwerkelijk bereikbaar moet blijven voor wie te goeder trouw is en wie oprecht en actief (maar tevergeefs) heeft geprobeerd om met zijn schuldeisers tot een schikking te komen en die aldus in een benarde schuldenpositie geen andere keuze heeft dan een beroep op de rechter te doen. Voor deze groep schuldenaren is de schuldsaneringsregeling oorspronkelijk bedoeld en voor deze groep wordt de toegang tot die regeling ook in het nieuwe stelsel niet belemmerd.