Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-28
ECLI:NL:GHSHE:2017:5910
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 28 december 2017 Zaaknummers : 200.227.721/01 en 200.227.721/02 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/328637 / JE RK 17-540 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. F.J. Koningsveld, Als belanghebbenden worden aangemerkt: [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. M. de Maaré.hierna te noemen: de moeder; de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant , gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] , hierna te noemen: de GI. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 november 2017. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 20 november 2017, heeft de vader verzocht: primair: voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de moeder alsnog af te wijzen, althans haar niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken; subsidiair: een voorziening te treffen die het hof juist acht; de uitvoerbaarheid bij voorraad van voormelde beschikking te schorsen. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 december 2017, heeft de GI verzocht: - voormelde beschikking te vernietigen en alsnog op basis van het verzoekschrift en de bijbehorende bijlagen een machtiging uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag, de vader, voor de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige 1] af te geven; - te bepalen dat de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder er tot einde ondertoezichtstelling als volgt uit zal zien: in de oneven weken van vrijdag na school tot zondagavond; in de even weken iedere woensdag na school tot 18.30 uur, dan wel een andere regeling vast te stellen die het hof juist acht. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. C.A. Gobbens, waarnemend voor mr. Koningsveld; de moeder, bijgestaan door mr. De Maare; de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] . 2.3.1. Voorts is bijzondere toegang verleend aan de informanten: - mevrouw [hulpverlener 1] , hulpverlener van de moeder (Buro Maks); - mevrouw [hulpverlener 2 ] , hulpverlener van de vader, en mevrouw [opvoedingsondersteuner] , opvoedingsondersteuner ten behoeve van [minderjarige 1] (Ambulant Zorg Zintri). 2.3.2. De raad is niet ter zitting verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de stukken van de eerste aanleg, overgelegd door de advocaat van de vader, ingekomen op 28 november 2017; het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 8 december 2017; het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 8 december 2017. 3 De beoordeling 3.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ). De ouders zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . 3.1.1. De moeder heeft voorts een dochter uit een latere relatie, [minderjarige 2] . 3.2. [minderjarige 1] staat sinds 10 mei 2016 onder toezicht van de GI. 3.3. [minderjarige 1] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 15 maart 2017 uit huis geplaatst bij de vader. Vóór de machtiging uithuisplaatsing was sprake van een week op week af regeling met een wisselmoment op zaterdag. 3.4. In eerste aanleg heeft de GI verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling tot 10 mei 2018 en tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.5. Bij beschikki De moeder positioneert zich bij herhaling naar de buitenwereld en naar [minderjarige 1] toe in de rol van slachtoffer met als oogmerk anderen in een kwaad daglicht te zetten, haar eigen aandeel in probleemsituaties te camoufleren dan wel medelijden voor zichzelf op te wekken. De moeder kent forse emotie-regulatieproblemen. Pogingen om de communicatie tussen de ouders te verbeteren hebben, door de persoonlijkheidsproblematiek van de moeder, tot nu toe onvoldoende resultaat opgeleverd. De GI is van mening haar standpunt wel degelijk met voldoende objectieve gegevens te hebben onderbouwd. De GI verwijst onder meer naar het ‘verslag opvoedbegeleiding’ van Zintri-zorg van 28 november 2017 en de ‘aankondiging schriftelijke aanwijzing’ die de GI de moeder op 29 juni 2017 heeft gegeven. Voorts beschrijft de GI in haar verweerschrift een tweetal incidenten, waarbij feitelijk onjuiste, althans niet verifieerbare, doch zeer belastende verklaringen over de vader zijn gedaan. Duidelijk is dat de hulpverleners van de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan in hun visie over de mogelijkheden en beperkingen van de moeder als opvoeder. Het belang van [minderjarige 1] dient evenwel voorop te staan. [minderjarige 1] profiteert in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling aantoonbaar van de rust, voorspelbare structuur en stabiliteit die hij in de opvoedsituatie bij de vader krijgt aangeboden. 3.8. De moeder voert ter zitting – kort samengevat – het volgende aan. De moeder heeft het initiatief genomen om samen met de vader een coachingstraject bij [coach] in te gaan. De moeder wilde bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking voorkomen dat [minderjarige 1] klem zou komen te zitten vanwege het ontbreken van emotionele toestemming van de vader om hem de helft van de tijd bij de moeder te laten verblijven. De relatie met de gezinsvoogd is problematisch. De moeder heeft verzocht om vervanging van de gecertificeerde instelling. Die procedure is aangehouden in afwachting van de uitkomst van deze procedure in hoger beroep. De gezinsvoogd is met de betrokkenheid van [coach] wat op de achtergrond gaan staan, hetgeen de moeder een onwenselijke situatie acht. Tijdens de zitting in eerste aanleg werd nog door de GI betoogd dat het niet goed zou gaan met [minderjarige 1] . Er zou sprake zijn van onrust, bedplassen en woedeaanvallen. Tevens werd dit gerelateerd aan het contact met de moeder. Nu wordt door de GI betoogd dat het goed gaat met [minderjarige 1] en dat er rust, stabiliteit en voorspelbaarheid is. De moeder erkent dat zij begin 2017 een slechte fase heeft gehad, maar zij stelt dat zij zich inmiddels heeft herpakt. Zij staat open voor hulpverlening en de raad heeft geen aanleiding gezien voor een beschermingsmaatregel ten behoeve van haar dochter [minderjarige 2] . De moeder acht het te kort door de bocht om te stellen dat co-ouderschap niet meer tot de mogelijkheden behoort. Daarvoor is onvoldoende onderzocht wat de moeder [minderjarige 1] te bieden heeft, welke mogelijkheden er zijn voor gedeelde zorg en welke consequenties dat voor [minderjarige 1] zou hebben. De jeugdzorgwerker is niet meer bij de moeder thuis geweest; herstel van de situatie is nimmer de insteek geweest. De moeder heeft voorts aangevoerd dat zij fulltime thuis is en derhalve beschikbaar is voor [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) en dat de vader 40 uur per week werkt en [minderjarige 1] aldaar altijd door derden wordt opgevangen. 3.8. Het hof overweegt het volgende. In de zaak met nummer 200.227.721/01 Omvang van het geschil in hoger beroep 3.8.1. In hoger beroep is in geschil of het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 10 mei 2018, alsnog dient te worden toegewezen. Voorts is in geschil op welke wijze de zorg voor [minderjarige 1] tussen de ouders verdeeld zou moeten worden. Machtiging uithuisplaatsing 3.8.2. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, De GI heeft naar het oordeel van het hof met voldoende objectieve gegevens en met concrete voorbeelden haar standpunt onderbouwd dat de moeder nog altijd een zeer strijdbare houding heeft en zich naar de buitenwereld en [minderjarige 1] toe positioneert als slachtoffer en dat zij [minderjarige 1] (derhalve) met haar strijd (tegen de vader en de GI) belast. Uit de stukken blijkt voorts genoegzaam dat [minderjarige 1] hier ook feitelijk last van heeft en dat daar waar de moeder wordt begrensd in haar belastende uitlatingen tegen [minderjarige 1] – het hof verwijst naar de vooraankondiging schriftelijke aanwijzing d.d. 29 juni 2017 – de zorgen rondom [minderjarige 1] afnemen. De houding en de problematiek van de moeder vormen naar het oordeel van het hof een fors risico voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] in de situatie dat hij zijn hoofdverblijf weer bij haar zou krijgen. Het hof overweegt voorts dat de plaatsing van [minderjarige 1] bij de vader van positieve invloed is geweest op het welbevinden en het gedrag van [minderjarige 1] . In de thuissituatie bij de vader wordt in menig opzicht beantwoord aan hetgeen [minderjarige 1] van zijn opvoedingsomgeving vraagt. Er is sprake van een positieve opvoedingsstijl, een consequente en duidelijke aanpak en een ondersteunend netwerk. De vader staat open voor de opvoedondersteuning ten behoeve van [minderjarige 1] en uit de stukken blijkt dat deze ondersteuning vruchten afwerpt. Het hof acht het onder deze omstandigheden strijdig met het belang van [minderjarige 1] zou zijn om in zijn huidige opvoedsituatie een wijziging te brengen. 3.8.9. Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:265b lid 1 BW wordt voldaan. 3.8.10. Al het voorgaande leidt tot het oordeel van het hof dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover daarbij het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot plaatsing van [minderjarige 1] bij de vader slechts tot 30 december 2017 is toegewezen en voor het overige is afgewezen en dat het verzoek van de GI verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur de van de ondertoezichtstelling alsnog geheel dient te worden toegewezen. Contact tussen [minderjarige 1] en de moeder 3.8.11. Op grond van artikel 1:265g BW kan de rechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. 3.8.12. Ter zitting van het hof is gebleken dat de ouders op initiatief van de moeder een coachingstraject bij [coach] zijn ingegaan, met als doel de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking (de overgang naar het co-ouderschap) op een wijze te laten verlopen die niet belastend is voor [minderjarige 1] . In dat kader is het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder stapsgewijs opgebouwd. 3.8.13. De GI heeft in hoger beroep verzocht te bepalen dat de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder er tot einde ondertoezichtstelling als volgt uit zal zien: - in de oneven weken van vrijdag na school tot zondagavond; - in de even weken iedere woensdag na school tot 18.30 uur, dan wel een andere regeling vast te stellen die het hof juist acht. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard deze regeling, zoals in hoger beroep is verzocht, niet als een eindstation te beschouwen, maar als een startpunt, waarbij niet uitgesloten wordt dat een verdere opbouw van het contact met de moeder zal plaatsvinden, indien en voor zover zulks in het belang van [minderjarige 1] mogelijk en verantwoord is. 3.8.14. Het hof is van oordeel dat de ouders en de GI de tijd en de ruimte dienen te nemen om in het kader van het coachingstraject bij [coach] in gezamenlijk overleg het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder nader vorm te geven en uit te breiden, zodat uiteindelijk tussen [minderjarige 1] en de moeder een contactregeli