Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-21
ECLI:NL:GHSHE:2017:5844
ECLI:NL:GHSHE:2017:5844 text/xml public 2025-08-04T09:36:47 2017-12-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-21 13/00040bis Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1864 Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2018/183 NLF 2018/0273 FutD 2018-0306 Viditax (FutD) 2018012517 Viditax (FutD) 2018100509 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:5844 text/html public 2018-01-25T10:20:35 2018-01-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2017:5844 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 21-12-2017 / 13/00040bis Einduitspraak na Hof ’s-Hertogenbosch 7 februari 2014, 13/00040, ECLI:NL:GHSHE:2014:248 en HvJ EU 9 september 2015, C-72/14 en C-197/14, X en Van Dijk, ECLI:EU:C:2015:564 Rijnvarende. Rijnvarendenverdrag (Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden; Trb. 1981, 43) en Verordening EEG nr. 1408/71. E-101 verklaring is geen R-formulier (als bedoeld in het besluit nummer 2 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 2 maart 1989, het besluit nummer 3 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 13 oktober 1989 en het besluit nummer 4 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden 27 maart 1990). Hof is van oordeel dat aan de heffing van de premie volksverzekeringen niet in de weg staat dat Nederland vóór deze heffing niet de wegen heeft bewandeld van de regularisatie (artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag) of de geschilbeslechting (artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag). R.o. 50 uit het arrest X en Van Dijk heeft voor Nederland geen gevolgen. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 13/00040bis Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 november 2012, nummer AWB 11/5588, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen aanslag. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.914. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 1.065. Deze aanslag en deze beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur, gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 mei 2013 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [B] . Gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld zijn de zaken: 13/00040 en 12/00494. 1.6. De Inspecteur heeft te dezer zitting twee pleitnota’s voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota’s behorende bijlagen. Belanghebbende heeft eveneens een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.7. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoe Op deze verklaring staat [H] vermeld als exploitant van het schip. 2.4. Voor het schip zijn de volgende certificaten ingevolge artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte (Trb. 1955, 161) afgegeven door de Inspectie Leefomgeving en Transport te Rotterdam voor de volgende perioden: - 25 april 2003 – 31 oktober 2007; - 27 juli 2004 – 31 oktober 2007; - 26 november 2004 – 31 oktober 2007; - 3 juni 2005 – 31 oktober 2007. 2.5. In reactie op een brief van de Inspecteur van 17 november 2011 heeft [N] bij een brief van 15 december 2011, voor zover te dezen van belang, geantwoord: ‘We understand that you are investigating the social security liability of the crew members for the period January 2006 to December 2007. (…) 1. Who has decision making responsibility and has end responsibility with respect to following activities, SNITS [Hof: [N] ] or [H] ? a. a) Fixing transport agreements; (SNITS) b) Supervision on loading and discharging; (Captain/ [H] ) c) Normal maintenance of the vessel; (Captain/ [H] ) d) Special survey of the vessel; (SNITS) e) Safety on board; (Captain/ [H] ) f) Hiring, firing and supervision of the crew. (Captain/ [H] ) 2. Who is (finally) eligible for the freight income and who bears the costs and burdens of the maintenance of the vessel, SNITS or [H] ? Transport contracts are negotiated and fixed by SNITS BV., freight income and maintenance costs are also for SNITS BV. 3. Who is liable for damage caused by crew employed by [H] Intershipping in case of: a. a) un)safety on board; ( SNITS ) b) Maintenance of the vessel; ( SNITS ) c) Loading and discharging. ( SNITS ) 4. What compensation does SNITS pay for handling over the operation of the vessel and how is this compensation calculated? Annual lumpsum managementfee with indexation. ’. 2.6. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV over het jaar 2006 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.647. In zijn aangifte heeft belanghebbende verzocht om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen en om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Bij de aanslagregeling zijn de vrijstelling noch de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend. Voorts is door de Inspecteur de volgende correctie toegepast: Aangegeven verzamelinkomen € 31.647 Af: sociale premies € 2.733 Vastgesteld verzamelinkomen € 28.914 2.7. Belanghebbende heeft (onder meer) bezwaar gemaakt tegen het niet-verlenen van de vrijstelling premie volksverzekeringen in het onderhavige jaar. De Inspecteur heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. 3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil in welk land belanghebbende verzekerd is voor de sociale verzekeringen. Belanghebbende bepleit dat hij in Luxemburg verzekerd is, volgens de Inspecteur is dat Nederland. 3.2. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen: I. Moet de verzekeringsplicht worden bepaald aan de hand van de toewijzingsregels van het Rijnvarendenverdrag (Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden; Trb. 1981, 43) of van Verordening EEG nr. 1408/71 (hierna: de Verordening)? II. Indien het Rijnvarendenverdrag van toepassing zou zijn: wie is de exploitant van het schip, casu quo behoort het schip tot de onderneming van [H] of tot de onderneming van [N] in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag? III. Indien het Rijnvarendenverdrag van toepassing zou zijn: Is de Inspecteur gebonden aan de E-101 verklaring? IV. Is de Inspecteur gebonden aan de E-101 verklaring op grond van het Unierechtelijke beginsel van loyale samenwerking en het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel? V. Is de Inspecteur gebonden aan de E-101 verklaring op grond van de (nationale) algemene beginselen van behoorlijk bestuur? VI. Is de Inspecteur op grond van het Rijnvarendenverdrag gebonden aan de E-101 verklaring? VII. Volgt uit r.o. 50 van het arrest X en Van Dijk dat de E-101 verklaring de Inspecteur bindt? 3.3. Belanghebbende is van mening dat vraag I aldus moet worden beantwo De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende betwist en hij heeft bij zijn conclusie van 11 november 2015 de onder 2.5 vermelde brief van [N] van 15 december 2011 overgelegd. Uit deze brief volgt naar het oordeel van het Hof, dat [N] de onderneming is die het schip exploiteert, omdat uit de brief blijkt dat [N] het schip daadwerkelijk exploiteert en [N] beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip. 4.7. Hieraan doet de door de Luxemburgse autoriteiten aan [H] afgegeven ‘Certificat D’Exploitation’ van [datum 4] 2006, waarop [H] als exploitant van het schip vermeld staat, niet af. Met de onder 2.5 vermelde brief van [N] van 15 december 2011 heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat deze vermelding niet de werkelijkheid weergeeft. In het midden kan blijven, zoals de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist, of de Luxemburgse autoriteiten omstreeks 2010 het ‘Certificat D’Exploitation’ van [datum 4] 2006 – naar het Hof begrijpt: volgens de Inspecteur met terugwerkende kracht – heeft ingetrokken. De Rijnvaartverklaring van [datum 5] 2007 is voor het onderhavige jaar zonder betekenis. De Inspecteur heeft voor het jaar 2007 in de samenhangende zaak 14/00003 het gevolg aanvaard dat belanghebbende niet in Nederland aan de heffing van premie volksverzekeringen is onderworpen over de periode 15 november 2007 tot en met 31 december 2007. 4.8. Gelet op vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat [H] de onderneming is die het schip exploiteert. 4.9. Vraag II moet aldus worden beantwoord, dat [N] de onderneming is die het schip exploiteert. Hieruit volgt dat belanghebbende geen vrijstelling toekomt van de Nederlandse wetgeving inzake de premieheffing volksverzekeringen. Vraag III Is de Inspecteur gebonden aan de E-101 verklaring? 4.10. Uit het arrest X en Van Dijk van het HvJ (r.o. 51) volgt dat Nederland niet gebonden is aan de E-101 verklaring. Het arrest van het HvJ van 27 april 2017, C-620/15, ECLI:EU:C:2017:309 brengt daarin geen verandering. Kennelijk is doorslaggevend in het onderhavige geval dat de positie van belanghebbende geheel wordt beheerst door het Rijnvarendenverdrag en niet door de Verordening. 4.11. Vraag III moet ontkennend worden beantwoord. Vraag IV Is de Inspecteur gebonden aan de E-101 verklaring op grond van het Unierechtelijke beginsel van loyale samenwerking en het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel? 4.12. Gelet op de door het Hof in zijn tussenuitspraak gestelde vragen, en de daarop door het Hof voorgestelde antwoorden, en de door het HvJ in het arrest X en Van Dijk gegeven antwoorden volgt dat het HvJ, weliswaar impliciet, van oordeel is dat de Inspecteur niet is gebonden aan de E-101 verklaring op grond van het Unierechtelijke beginsel van loyale samenwerking en het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel dan wel enig ander beginsel van Unierecht of Unierechtelijke bepaling. 4.13. Vraag IV moet ontkennend worden beantwoord. Vraag V Is de Inspecteur gebonden aan de E-101 verklaring op grond van de (nationale) algemene beginselen van behoorlijk bestuur? 4.14. Gelet op het arrest X en Van Dijk is de E-101 verklaring door de Luxemburgse autoriteiten ten onrechte afgegeven. Het is in strijd met de goede werking van het Unierecht op grond van nationaal recht de Inspecteur gebonden te achten aan de E-101 verklaring als uit Unierecht volgt dat hij daaraan niet gebonden is. 4.15. Vraag V moet ontkennend worden beantwoord. Vraag VI Is de Inspecteur op grond van het Rijnvarendenverdrag gebonden aan de E-101 verklaring? 4.16. Belanghebbende heeft in zijn conclusie van 13 oktober 2015 en zijn pleitnota voor het nadere onderzoek ter zitting het volgende, kort samengevat, aangevoerd: a. In het op artikel 72 van het Rijnvarendenverdrag berustende besluit nummer 4 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden 27 maart 1990 (hierna: besluit 4) is bepaald Bovendien kan als de aanslag premie volksverzekeringen in Nederland onherroepelijk vast komt te staan pas dan een belanghebbende een verzoek om teruggaaf indienen bij de andere verdragsstaat. 4.20. Het moet belanghebbende worden toegegeven dat het in overleg treden door verdragsstaten om onderling overeenstemming te bereiken nadat in twee of meer verdragsstaten de heffing – eventueel na (zeer) lang lopende rechterlijke procedures - onherroepelijk is komen vast te staan op gespannen voet staat met het doel en de geest van het Rijnvarendenverdrag. Bovendien lijkt uit artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag eerder te volgen, als twee of meer verdragsstaten menen dat een persoon is onderworpen aan hun sociale wetgeving, dat over de toepassing van dit verdrag duidelijkheid wordt verkregen volgens de in dit artikel voorgeschreven procedure alvorens zij tot heffing overgaan. Maar anders dan belanghebbende stelt is het Hof van oordeel dat aan de heffing van de premie volksverzekeringen niet in de weg staat dat Nederland vóór deze heffing niet de wegen heeft bewandeld van de regularisatie (artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag) of de geschilbeslechting (artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag). Zoals hiervoor overwogen onder ad a heeft de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E-101 verklaring voor de toepassing van het Rijnvarendenverdrag geen betekenis of geen enkele status. In die zin is deze verklaring voor Nederland niet bindend. Daarmee kan niet worden geschreven dat Nederland verplicht was alvorens over te gaan tot de heffing van de premie volksverzekeringen van belanghebbende de wegen te bewandelen van de regularisatie (artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag) of de geschilbeslechting (artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag) (vgl. CRvB 9 september 2016, 14/298 AOW, ECLI:NL:CRVB:2016:3578; CRvB 4 november 2016, 14/1278 AOW, ECLI:NL:CRVB:2016:4332; CRvB 28 juli 2017, 15/5365 AOW, ECLI:NL:CRVB:2017:2634 en Rechtbank Den Haag 31 augustus 2017, AWB - 16 _ 3691, ECLI:NL:RBDHA:2017:11686). 4.21. Belanghebbende wijst er meermaals op dat uit artikel 11, lid 1, van het Rijnvarendenverdrag volgt dat slechts de wetgeving van één verdragsstaat van toepassing kan zijn. Dit is juist, maar uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.9 volgt dat alleen de wetgeving van Nederland van toepassing kan zijn. De heffing in Luxemburg moet ongedaan worden gemaakt door Luxemburg. Belanghebbende dient in Luxemburg om teruggaaf te verzoeken, dan wel de Sociale Verzekeringsbank of desbetreffende minister te verzoeken de wegen te bewandelen van de regularisatie (artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag) of de geschilbeslechting (artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag). Voor zover belanghebbende stelt dat geen heffing van premie volksverzekeringen kan plaatsvinden op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat bij andere werknemers wel regularisatie heeft plaatsgevonden, moet deze stelling worden verworpen. Indien het al zo zou zijn dat bij belanghebbende in vergelijking met vergelijkbare gevallen regularisatie ten onrechte achterwege is gebleven is deze schending van het gelijkheidsbeginsel niet toe te rekenen aan de Inspecteur, omdat deze niet bevoegd is tot het in werking stellen van de regularisatieprocedure en hij derhalve niet deze schending heeft veroorzaakt. Een dergelijke – vermeende – schending van het gelijkheidsbeginsel kan in onderhavige (belasting)procedure niet leiden tot een vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen. 4.22. Vraag VI moet ontkennend worden beantwoord. Vraag VII Volgt uit r.o. 50 van het arrest X en Van Dijk dat de E-101 verklaring de Inspecteur bindt? 4.23. Met betrekking tot de overweging van het HvJ in r.o. 50 van het arrest X en Van Dijk, dat het feit dat een verklaring betreffende een Rijnvarende die is afgegeven in de vorm van een E-101-verklaring niet de gevolgen teweegbrengt die voortvloeien uit een E-101-verklaring, nog niet betekent dat deze verklaring geen enkel rechtsgevolg heeft, overwe