Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-19
ECLI:NL:GHSHE:2017:5734
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.186.410/01 arrest van 19 december 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. K. van Overloop te Goes, tegen [zorgverzekeraar] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [zorgverzekeraar] , advocaat: mr. A.M. van Heest te Rotterdam, in vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 april 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaak-/rolnummer 3858252/ CV EXPL 15-1404 gewezen vonnis van 18 november 2015 (hierna: het vonnis). 5 Het verdere verloop van de procedure Dit blijkt uit: - het tussenarrest van 12 april 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast; - het proces-verbaal van comparitie van partijen gehouden op 1 juni 2016; - de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties; - de memorie van antwoord met producties; - de akte van [appellant] met producties; - de antwoordakte van [zorgverzekeraar] , waarna de zaak op de rol voor arrest is komen te staan. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6 De verdere beoordeling 6.1 Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rov. 2 van het vonnis zijn - buiten hetgeen is aangevoerd in grief 1 van [appellant] , waarover hierna - geen grieven gericht. Ook het hof gaat derhalve uit van die feiten, aangevuld met enkele andere feiten die in hoger beroep ook tussen partijen vaststaan . Het gaat in dit geding om het volgende: 6.1.1 [appellant] was in 2013 en 2014 bij [zorgverzekeraar] overeenkomstig de Zorgverzekeringswet tegen ziektekosten verzekerd onder polisnummer [polisnummer] . De premie bedroeg in 2013 € 84,97 per maand en in 2014 € 75,27 per maand en was bij vooruitbetaling verschuldigd. 6.1.2 Naast het wettelijk eigen risico (€ 350,--) had [appellant] een extra eigen risico van € 500,--, zodat het totale eigen risico € 850,-- per jaar bedroeg. 6.1.3 In 2013 heeft [zorgverzekeraar] onder de polis van [appellant] aan zorgverlener het [VvG] (hierna: het VvG) € 1.403,15 uitgekeerd. Dit bedrag is uitgekeerd naar aanleiding van door het VvG bij [zorgverzekeraar] ingediende declaraties ter zake van volgens VvG aan [appellant] verleende zorg. 6.2.1 In eerste aanleg heeft [zorgverzekeraar] in conventie gevorderd (kort samengevat) veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.721,29, te vermeerderen met wettelijke rente en (buitengerechtelijke) kosten. [zorgverzekeraar] legde aan haar vordering ten grondslag dat [appellant] een premieachterstand had van € 684,11 en dat [appellant] , na de uitkering door [zorgverzekeraar] aan het VvG, aan [zorgverzekeraar] het eigen risico van € 850,-- diende te voldoen. 6.2.2 [appellant] heeft in eerste aanleg in (voorwaardelijke) reconventie veroordeling van [zorgverzekeraar] gevorderd tot het verstrekken van juiste facturen met deugdelijke specificaties onder overlegging van een accountantsverklaring waaruit blijkt dat de facturen zijn gecontroleerd en akkoord zijn bevonden, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, en tot ongedaanmaking van de melding van [appellant] bij het Zorginstituut Nederland, eveneens op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met veroordeling van [zorgverzekeraar] in de proceskosten. 6.2.3 Na door partijen over en weer gevoerd verweer heeft de kantonrechter in conventie geoordeeld dat [appellant] blijkens de door [zorgverzekeraar] gegeven specificatie en toelichting inderdaad de door [zorgverzekeraar] gestelde premieachterstand heeft laten ontstaan; volgens de kantonrechter heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat de door hem gestelde betalingen hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van het eigen risico overwoog de kantonrechter dat [appellant] niet heeft betwist dat hij zich op 21 mei en 25 juli 2013 bij de crisisdienst van het VvG heeft gemeld, dat vanuit VvG interventie heeft Terzijde zij opgemerkt dat voorzover de premiebedragen van € 12,97 en € 0,27 (naast als zodanig herkenbare maandpremies) vragen oproepen, [appellant] , blijkens bijv. prod. 15 en 16 bij CvR/CvA, kennelijk andere (afgeronde) bedragen aan [zorgverzekeraar] betaalde: het bedrag van € 12,97 is kennelijk het verschil tussen een maandpremie van € 84,97 en het door [appellant] betaalde bedrag van € 72,--. Aangezien [appellant] ook een paar keer € 75,-- betaalde in plaats van € 75,27 per maand bleef er enkele keren € 0,27 open staan. Daarmee was het aan [appellant] om te stellen - en bij betwisting door [zorgverzekeraar] te bewijzen - dat hij aan zijn verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst heeft voldaan. Voorzover [appellant] in dit verband bij CvD bedragen heeft genoemd en stukken heeft overgelegd, heeft hij onvoldoende onderbouwd dat er (daarmee) geen vordering als door [zorgverzekeraar] gesteld over bleef: [zorgverzekeraar] heeft, na de hiervoor genoemde prod. 15 en 16 bij CvR/CvA, ook bij CvD in reconventie een specificatie van de betalingen van [appellant] overgelegd. In eerste aanleg noch in hoger beroep is door [appellant] concreet gesteld welke meerdere of andere betalingen dan door [zorgverzekeraar] verwerkt in haar administratie door hem aan [zorgverzekeraar] zijn voldaan. Daarmee heeft [appellant] zijn verweer onvoldoende feitelijk onderbouwd. Grief 2 faalt, de premievordering van [zorgverzekeraar] ligt voor toewijzing gereed. 6.6.1 Volgens grief 3 heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat het bij VvG op 21 mei 2013 en 25 juli 2013 “gemeld” zijn door [appellant] en dat er een “interventie” heeft plaatsgevonden, leidde tot een voor vergoeding in aanmerking komende declaratie door VvG. [appellant] heeft zich op 21 mei 2013 noch 25 juli 2013 vrijwillig gemeld bij VvG en hij is daar niet behandeld volgens hem. [appellant] is een aantal malen in aanraking gekomen met politie wegens familieproblemen maar dat ging niet om vrijwillige meldingen. Ook is [appellant] een keer bij VvG geweest op verzoek van de gemeente, maar (ook) toen heeft geen behandeling plaatsgevonden. [appellant] wijst op de zorgplicht van [zorgverzekeraar] . 6.6.2 Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van aan [appellant] door VvG op 25 juli 2013 verleende diensten, [zorgverzekeraar] geen van de onderhavige procedure deel uitmakende vordering jegens [appellant] heeft ingesteld: het eigen risico is, naar [zorgverzekeraar] terecht aanvoert, per jaar slechts één keer verschuldigd. Dit behoeft dus geen verdere bespreking. 6.6.3 Waar [appellant] in zijn akte in hoger beroep aanvoert dat zijn door VvG vermelde adresgegevens cliënt niet juist zijn en dat ten onrechte zijn BSN niet op de stukken van VvG staat, gaat het hof daaraan voorbij nu [appellant] niet aangeeft dat het niet om hèm gaat, anders gezegd: hij ontkent niet dat hij inderdaad bij VvG is geweest en door VvG is gezien. Dat het bij bezoeken aan VvG niet ging om “vrijwillige meldingen” van [appellant] staat er, bij gebreke van daarop toegesneden betwisting door [appellant] , niet aan in de weg dat er [door aanbod en aanvaarding een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 BW is tot stand gekomen tussen [appellant] en VvG. Dat [appellant] aanvoert dat er geen “behandeling” heeft plaatsgevonden helpt hem in dit kader evenmin: het hof begrijpt de als “producttype” aangeduide omschrijvingen op de “specificatie van behandeling” (prod. 2 bij MvG) als “handelingen (verricht) op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde” als bedoeld in dit artikel. De gesprekken die VvG-behandelaars onbetwist met [appellant] hebben gehad passen in dit kader. Bij deze stand van zaken had VvG aanspraak op vergoeding van haar ten behoeve van [appellant] verleende verrichtingen, naar [zorgverzekeraar] bij antwoordakte in hoger beroep terecht heeft aangevoerd, overeenkomstig de daarvoor geldende DBC-regel