Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-19
ECLI:NL:GHSHE:2017:5733
ECLI:NL:GHSHE:2017:5733 text/xml public 2018-10-10T00:01:14 2017-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-19 20-001469-17 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1829, Niet ontvankelijk Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:5733 text/html public 2017-12-19T15:40:09 2017-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2017:5733 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 19-12-2017 / 20-001469-17 Poging tot moord op ex-vrouw. Poging tot doodslag op nieuwe partner ex-vrouw. Voorwaardelijk opzet. Wapen/munitiebezit. Gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001469-17 Uitspraak : 19 december 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittinghoudende te Breda, van 26 april 2017, parketnummer 02-820404-16, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 20-001737-14, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967, thans preventief gedetineerd in PI Dordrecht. Hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – naar het hof begrijpt – zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 jaren en de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen met aftrek van de tijd die verdachte in het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging reeds heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geheel zullen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep andermaal ontkend de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd. Zijn raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vordering tot schadevergoeding en afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts heeft raadsman verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis wanneer het hof (vervroegd) tot vrijspraak mocht komen. Subsidiair, in het geval van een veroordeling, heeft de raadsman betoogd dat de vorderingen tot schadevergoeding dienen te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in die vorderingen, alsmede dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Vonnis waarvan beroep Het hof vernietigt het beroepen vonnis, reeds omdat het hof ter zake van het onder 1 tenlastegelegde tot een andere bewezenverklaring komt. Tenlastelegging Kennelijke misslag tenlastelegging onder 1 Het hof is van oordeel dat ter zake van het onder 1 tenlastegelegde “kalm en rustig overleg” sprake is van een kennelijke misslag. Het hof zal die tenlastelegging verbeterd lezen in die zin dat het hof voor “kalm en rustig overleg” de woorden “kalm beraad en rustig overleg” in de plaats stelt. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad. Aan de verdachte is – met inachtneming van het bovenstaande – tenlastegelegd dat: 1. hij op 27 maart 2016 te Waspik, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem, hij op 13 april 2016 te Meeuwen, gemeente Aalburg: vuurwapens van categorie II als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet wapen en munitie, te weten een vuurwapen Skorpion (goednummer 1528470) en patroonmagazijnen (goednummers 1528515 en 1528517), en munitie van categorie III als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet wapens en munitie, te weten 21 patronen (goednummers 1528518 en 1528566), voorhanden heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen De beslissing dat het onder 1 en 3 bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit of die bewezenverklaarde feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. 1. Aangeefster [benadeelde 1] heeft op zondag 27 maart 2016 verklaard (DHB p. 49-51): Plaats delict: [adres 1] te Waspik. Ik vrees voor mijn leven en voor het leven van mijn vriend [benadeelde 2] ( [benadeelde 2] , toevoeging hof). Ik had wel dood kunnen zijn. Het scheelde maar een haartje. Mijn ex-man [verdachte] en ik zijn in mei 2015 van elkaar gescheiden. Omstreeks januari 2014 ben ik bij [verdachte] weggegaan. Ik zag de relatie niet meer zitten omdat ik hem te bezitterig vond. In februari 2014 ben ik naar onze woning aan de [adres 2] te Elshout gegaan om papieren voor de echtscheiding op te halen. [verdachte] en ik hadden afgesproken. Op een gegeven moment ben ik naar de hal gelopen om mijn jas te pakken. Ik zag [verdachte] op mij afkomen. Ik zag en voelde dat [verdachte] met een vleesmes in mijn richting stak. Ik heb uit reflex dat vleesmes met mijn hand vastgepakt. Ik liep hierdoor een wond aan mijn hand op en een wond aan mijn buik. Ik ben toen naar buiten gevlucht. Hij had mij (het hof begrijpt: na het steekincident) een berichtje gestuurd. Daar stond in: ‘Dit doet mij meer pijn als jou en er komt nog wel een kans’. [verdachte] is opgepakt en heeft een straf van 36 maanden waarvan een jaar voorwaardelijk gekregen. Na ongeveer een half jaar kwam hij met proefverlof. Een week of 4-5 geleden heeft [verdachte] bij de politie een stopgesprek gehad. De wijkagent belde mij dat [verdachte] na het gesprek met piepende banden was weggereden en zij verwachtte dat hij wel eens mijn kant op zou kunnen komen. Vanavond zat ik rechts op de bank in onze woonkamer. [benadeelde 2] zat rechts naast mij op de stoel. Wij hadden de rolluiken aan de voorzijde van onze woning naar beneden gedaan. Op een gegeven moment hoorde ik een luide knal. Ik voelde toen iets op mijn hoofd of eigenlijk langs mijn hoofd gaan. Ik werd wel geraakt, maar ik dacht dat het een spotje ofzo was. [benadeelde 2] keek naar het raam aan de voorzijde van onze woning, dus aan de straatkant en zag een gat in het raam. We zijn toen de keuken in gevlucht. Ik heb op de AWARE-knop gedrukt en direct 112 gebeld. Die knop heb ik van de politie gekregen omdat [verdachte] zo agressief bij dat politiebureau was weggereden en men bang was dat hij mij iets aan zou doen. Ik was heel bang toen het gebeurde. Ik besefte toen ik het gat in het raam zag dat er op mij geschoten was. 2. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 5 april 2016 bevonden (DHB p. 54-59): Aangeefster vertelde dat zij had terug gekeken op haar mobiele telefoon en zag dat ze op zondag 27 maart 2016 om 20.57 uur 112 had gebeld. 3. Aangeefster [benadeelde 1] heeft op 14 april 2016 verklaard (DHB p. 55): A: aangeefster V: verbalisant A: [verdachte] weet dat wij daar (het hof begrijpt: aan de [adres 1] te Waspik) samen wonen. Hij kent [benadeelde 2] van vroeger. Hij woonde daar toen al. Dat is bekend bij hem. A: Het klopt dat ik nog ingeschreven sta aan de [adres 2] te Elshout. Ik was bezig om mij in te schrijven aan de [st [adres 1] is erg dicht bij het adres [adres 3] gelegen. De bewoners vertelden mij dat de beelden van de opname een uur achterlopen in verband met wintertijd. Onderzoek camerabeelden: Op zondag 27 maart 2016 19.51.21 uur zie ik een witte bestelbus vanuit de [straatnaam 2] langs de woning [adres 3] rijden. Om 19.51.58 uur zie ik een witte bestelauto vanuit de [straatnaam 1] langs de woning van [adres 3] rijden in de richting van de [straatnaam 2] . Om 19.52.01 uur zie ik dat de witte bestelauto zijn lichten dooft en de auto langs de weg parkeert op de [straatnaam 1] te Waspik. Om 19.52.36 uur zie ik dat er twee voeten uit de witte bestelauto stappen. Om 19.54.12 uur zie ik dat de witte bestelauto weer wegrijdt. Tussen het tijdstip dat het voertuig parkeert (het hof begrijpt: het tijdstip waarop ‘de twee voeten’ zijn uitgestapt) en weer wegrijdt zit ongeveer 1,5 minuut tijd. In deze tijd is het mogelijk om op en neer naar het adres [adres 1] te lopen. Het tijdstip dat de persoon is uitgestapt is in werkelijkheid 20.52.36 uur en het tijdstip dat de auto weer wegrijdt is in werkelijkheid 20.54.12 uur. Het tijdstip dat aangeefster naar 112 belt is 20.57 uur. Op 8 april 2016 ben ik naar het bedrijf [bedrijf] te Waalwijk geweest (het hof begrijpt: waar verdachte in dienst is). Het onderzoeksteam was bekend dat de ex-man van aangeefster, [verdachte] , eerder gebruik maakte van een witte Fiat Doblo met het kenteken [kenteken 1] (opmerking hof: er ontbreekt een gedeelte van het kenteken; dit moet zijn [kenteken 1] , DHB p. 100 en 139). Bij genoemd bedrijf zag ik dit voertuig geparkeerd staan. Het viel op dat genoemde Fiat Doblo voorzien is van 3 dakdragers. Als ik de genoemde Fiat Doblo vergelijk met het voertuig dat te zien is op de camerabeelden dan zie ik een aantal overeenkomsten: - 3 dakdragers over de breedte van het voertuig; - geen bestickering; - zwarte ronde achterop het voertuig; - kentekenplaat achter de linkerachterzijde van het voertuig; - meerdere zwarte delen aan de onderzijde en zijkant van het voertuig. 8. Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben bevonden (DHB p. 127-128): Op 14 april 2016 deden wij onderzoek naar de specifieke kenmerken van de in beslag genomen Fiat Doblo met het kenteken [kenteken 1] . Wij deden navraag bij een voorman van een officiele Fiat-dealer voor bedrijfsauto’s. Wij toonden hem twee foto’s van het voertuig. Wij hoorden hem zeggen dat de dakdragers hem opvielen en dat dakdragers op een Fiat Doblo bijna niet voorkomen. Meestal zit er een imperiaal op een Fiat Doblo. 9. Het hof heeft bij het - op uitdrukkelijk verzoek van de raadsman - in raadkamer bekijken van de camerabeelden van de [adres 3] het volgende waargenomen: Op het dak van de lichtkleurige bestelauto zijn drie dakdragers te zien en meerdere zwarte delen aan de onderzijde en de zijkant van het voertuig. Op de bestelauto zijn geen stickers waargenomen. Het hof heeft niet kunnen waarnemen of zich op (het dak van) die bestelauto al dan niet een antenne bevindt. Het hof heeft enig kleurverschil waargenomen tussen de dakdragers en de houders op/aan het dak waarin deze dragers zijn geplaatst. 10. Verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben bevonden (TFO p. 8-10): Onderzoek plaats delict 27 maart 2016 De [straatnaam 2] betrof een openbare weg. Het gedeelte waarin zich perceel [nummer] bevond was gelegen tussen de [straatnaam 3] en de [straatnaam 1] . Achter deze woningen bevond zich een openbaar groen dat vanaf de [straatnaam 1] vrij toegankelijk was. De voortuin grensde aan de voorzijde aan het wegdek van de [straatnaam 2] . De woonkamer type doorzon. De dwars in de woonkamer geplaatste driezitsbank vormde de scheiding tussen het eet- en zitgedeelte. In het rolluik voor het raamkozijn in de voorgevel bevond zich een nagenoeg ronde beschadiging (A). In de ruit van het raam(kozijn) in de voorgevel bevond zich een eveneens nagenoeg ronde beschadiging (B). In de ruit van het raamkozijn in de achtergevel bevond zich even Ik zag dat er een zwart vuurwapen in een bruine kolf in de doek verborgen zat. Ik zag dat het een soort model machinepistool was. Ik zag dat er geen houder onderin het wapen zat. Ik heb het wapen kort bij het metalen gedeelte vastgepakt en met doek teruggelegd. Vervolgens is de koffer overgedragen voor verder onderzoek aan [verbalisant 6] van de afdeling Forensische Opsporing. 14. Uit de overzichtstabel van verbalisant [verbalisant 6] blijkt dat de volgende sporendragers zijn veiliggesteld (TFO p. 83): Zaaknummer 2016078922, aangetroffen in koffer van verdachte op 13 april 2016: SIN AAJO1340NL BVH 1528518 munitie/patroon SIN AAJO1341NL BVH 1528566 munitie/patroon SIN AAJO1338NL BVH 1528515 magazijnhouder SIN AAJO1336NL BVH 1528507 handschoen SIN AAJO1335NL BVH 1528504 handschoen merk Anselt, type Hiflex SIN AAIV8611NL BVH 1528470 vuurwapen/pistoolmitrailleur SIN AAJO1334NL BVH 1528497 sjaal SIN AAJO1339NL BVH 1528517 magazijnhouder 15. Verbalisant [verbalisant 12] heeft bevonden (DHB p. 150-153); Op 20 juni 2016 werd door mij een aantal inbeslaggenomen voorwerpen onderzocht. Deze voorwerpen werden op 13 april 2016 inbeslaggenomen. Omschrijving pistoolmitrailleur goednummer 1528470 Het inbeslaggenomen voorwerp is een vuurwapen in de vorm van een pistoolmitrailleur. Het betreft een type “Skorpion” van het kaliber 7,65 Browning. Het wapen is voorzien van een loop. Met het wapen kan semi- en volautomatisch worden geschoten. Het wapen is bestemd en geschikt om projectielen door een loop af te schieten. Het wapen verkeert in een goede staat van onderhoud en functioneert als zodanig. Juridische omschrijving pistoolmitrailleur Gezien het gerelateerde kan worden gesteld dat dit wapen een vuurwapen is in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2, lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie. Omschrijving goednummer: 1528515 en 1528517 De inbeslaggenomen voorwerpen betreffen respectievelijk een 10 en een 20 schots patroonmagazijn in het kaliber 7,65 mm bestemd en geschikt om te worden gebruikt in het bovenbeschreven vuurwapen. Een dergelijk patroonmagazijn is een specifiek en wezenlijk onderdeel van het vuurwapen. Conform artikel 3 van de Wet wapens en munitie zijn de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing op deze patroonmagazijnen. Omschrijving goed 1528518 munitie In totaal 20 7,65 mm patronen geschikt voor de bovenbeschreven pistoolmitrailleur. Omschrijving goed 1528566 munitie Eén 7,65 mm patroon geschikt voor de bovenbeschreven pistoolmitrailleur. Juridische omschrijving munitie De munitie is geschikt voor vuurwapens van categorie III (het hof begrijpt: II) en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de WWM. 16. Deskundige [deskundige 1] van het NFI heeft op 25 mei 2016 het volgende gerapporteerd (TFO p. 52-60): Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident te Waspik op 27 maart 2016. Te onderzoeken materiaal SIN AAJO2705NL Munitie (huls) SIN AAJO2706NL Munitie (kogelpunt) SIN AAIV8611NL Vuurwapen (pistoolmitrailleur) Ten behoeve van het onderzoek zijn met het machinepistool vier proefschoten gelost. De huls AAJO2705NL is van het kaliber 7,65 mm Browning. In een deel van de systeemsporen bevinden zich kraslijnen en/of oneffenheden die veroorzaakt zijn tijdens het verschieten uit een vuurwapen. Deze sporen zijn geschikt voor vergelijkend hulsonderzoek. De kogel AAJO2706NL past het best bij het kaliber 7,65 mm Browning. In de groeven van de kogel bevinden zich kraslijnen die tijdens het afvuren zijn ontstaan. Deze sporen zijn geschikt voor vergelijkend kogelonderzoek. Er zijn aanwijzingen gevonden dat de verschoten munitieonderdelen afkomstig zijn uit het machinepistool AAIV8611NL. Voor de huls AAJO2705NL en machinepistool AAIV8611NL zijn de volgende hypothesen beschouwd: 1. De huls is verschoten met het machinepistool. 2. De huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het machin DNA-onderzoek AAJO1334NL#01 bemonstering binnenzijde sjaal AAJO1334NL#02 en #03 bemonstering buitenkant sjaal AAJO1335NL#02 bemonstering binnenkant rechterhandschoen (het hof begrijpt: van de stoffen, lichtere handschoenen) Resultaten AAJO1334NL#01 DNA-mengprofiel van minimaal twee personen; [verdachte] en minimaal één andere persoon. AAJO1334NL#02 en #03 DNA-mengprofiel; DNA-hoofdprofiel van een man [verdachte] ; matchkans DNA-profiel kleiner dan 1 op 1 miljard. AAJO1335NL#02 DNA-profiel van een man [verdachte] ; matchkans DNA-profiel kleiner dan 1 op 1 miljard. 19. Verbalisant [verbalisant 13] heeft bevonden (DHB p. 103-104): De heer [verdachte] betreft een ex-gedetineerde die twee jaren gedetineerd heeft gezeten voor een poging doodslag op zijn ex-vrouw [benadeelde 1] . Ik ontving in januari 2016 een bericht van de Landelijke Eenheid dat verdachte op 9 februari 2016 zou vrijkomen en dan nog een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren kreeg. Verdachte had als bijzondere voorwaarde dat hij gedurende zijn proeftijd geen contact mocht hebben met [benadeelde 1] . Op 26 februari 2016 heb ik een zogenoemd ‘stop-gesprek’ met verdachte gevoerd (het hof begrijpt: om verdachte erop te wijzen dat hij moest stoppen met het overtreden van die bijzondere voorwaarde). Verdachte kwam tijdens dit gesprek zeer opgefokt en recalcitrant op mij over. Ik hoorde dat verdachte mijn laatste waarschuwing, om zich om en nabij de woning van zijn ex te bevinden en het zoeken van contact op enigerlei manier, in de wind sloeg en ik hoorde hem zeggen dat hij daar totaal geen boodschap aan had en dat hij een hekel had aan justitie en politie. Ik hoorde hem zeggen dat hij zijn detentietijd als zeer prettig had ervaren en dat hij zo weer achter de dikke deur ging zitten. Hij had volgens mij zo gezegd overal schijt aan en zou zijn eigen plan gaan trekken. Ik zag verdachte vertrekken en in zijn auto stappen – een witte Fiat Doblo – en zag en hoorde dat hij met piepende banden weg reed. Ik werd op 13 april 2016 gebeld door een collega die wilde weten of door collega’s ten tijde van het steekincident op 9 februari 2014 in de ‘oude’ woning van verdachte en mevrouw [benadeelde 1] , gevestigd aan de [adres 2] te Elshout, teksten op muren in de woning zijn gezien. Ik heb hierna telefonisch contact opgenomen met een andere collega die ik hoorde zeggen dat hij destijds na de aanhouding van verdachte in de gang en in de keuken is geweest en dat daar door hem geen teksten op de muren werden aangetroffen. 20. Getuige [getuige 1] heeft op 18 mei 2016 verklaard (DHB p. 72-74): Mijn dochter is [benadeelde 1] . De laatste keer dat ik in de woning [adres 2] in Elshout ben geweest was in september of oktober 2015. Ik hield de woning bij. Ik werd geconfronteerd met teksten in de gang en in de keuken. Een hakbijl in de muur in de woonkamer heb ik nooit gezien. Volgens mij stonden er toen in de woonkamer geen kreten. Dan was me dat zeker opgevallen. 21. Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 13 april 2016 bevonden (DHB p. 177-184): Op 13 april 2016 vond een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres 2] te Elshout. Voor een deuropening in de gang hing vlak onder het plafond een foto met daarop een meisje (het hof begrijpt: de op 14 april 2016 aan aangeefster getoonde foto). Er zaten minimaal 10 kleine sneden in de foto ter hoogte van het torso van het meisje en een snede tussen de ogen van het meisje. Toen hij de foto opzij schoof zag hij dezelfde gaatjes in de muur. Naast de foto stond de tekst: ‘Ben maar trots op jezelf’. Voor diezelfde deuropening in de hal stond als tekst op de muur: ‘Als je een getrouwd vrouw bent en gaat vreemd en laat neuken door een getrouwde boer wat ben je dan? een hoer B) een hoerin. In de woonkamer stond op een muur de tekst: ‘De rechter heeft gesproken, fuck justitie’ en op een andere muur stond: ‘Aan alles komt een eind ook aan mijn detentie dan begint het leven weer’. In de woonkamer stond ook op een muur de tekst: ‘My love [benadeelde De koffer met bovengenoemde inhoud stond op 13 april 2016 naast het hoofdeinde van het bed in de logeerkamer van de woning van verdachte zoon, alwaar verdachte toen regelmatig verbleef/overnachtte. Dat logeerbed zag er beslapen uit en verdachte is die dag omstreeks 05.05 uur ook in die woning aangehouden. Het hof houdt het er dan ook voor dat verdachte in ieder geval ook die nacht in dat bed heeft geslapen en dat hij zich dus in de directe nabijheid van de betreffende koffer bevond. In de bemonstering van de binnenkant van de rechterhandschoen AAJO1335NL#02 (het hof begrijpt: van de stoffen, lichtere handschoenen) is uitsluitend DNA-materiaal van verdachte gevonden. Het is derhalve niet aannemelijk geworden dat een ander dan verdachte deze handschoen heeft gedragen. Als een ander dan verdachte de handschoen tijdens het schieten had gedragen, zouden in dit spoor DNA-kenmerken van die andere persoon te verwachten zijn. Daarnaast is zeer kort voorafgaand aan de melding van het schietincident een witte bestelauto in de directe omgeving van de beschoten woning aan de [adres 1] gezien. Een persoon is om 20.52.36 uur uit die bestelauto gestapt. Het tijdstip dat die auto weer wegrijdt is 20.54.12 uur. Het tijdstip dat aangeefster [benadeelde 1] naar 112 belt is 20.57 uur. Tussen het tijdstip waarop de persoon uit de auto is gestapt en weer wegrijdt zit ongeveer 1,5 minuut tijd. In deze tijd is het mogelijk om op en neer naar het adres [adres 1] te lopen. Verdachte reed destijds in een witte bestelauto, te weten een Fiat Doblo. Deze bestelauto vertoonde blijkens het proces-verbaal van bevindingen ter zake het onderzoek van de camerabeelden de volgende overeenkomsten met de bestelauto op de camerabeelden: de bestelauto waarin verdachte destijds reed had net als de bestelauto op de camerabeelden drie dakdragers over de breedte van het dak, in houders die iets donkerder van kleur lijken te zijn dan de dakdragers zelf, geen bestickering, een zwarte ronde achterop het voertuig, een kentekenplaat achter de linkerachterzijde van het voertuig en meerdere zwarte delen aan de onderzijde en zijkant van het voertuig. Ook het hof heeft op de camerabeelden van de [adres 3] waargenomen dat op het dak van de lichtkleurige bestelauto drie dakdragers zitten waarbij de houders waarin de dakdragers zitten iets donkerder van kleur lijken dan de dakdragers zelf, dat op bestelauto geen bestickering zit en dat aan de onderzijde en zijkant van het voertuig meerdere zwarte delen zitten. Een voorman van een officiële Fiat-dealer heeft verklaard dat dakdragers op een Fiat Doblo bijna niet voorkomen. Het hof concludeert dan ook dat de bestelauto waarin verdachte destijds reed gelijkenis vertoont met de bestelauto op de camerabeelden. Weliswaar is niet met zekerheid vast te stellen dat de bestelauto op de camerabeelden een Fiat Doblo betreft – laat staan de Fiat Doblo van verdachte – doch uit het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof wel worden afgeleid dat kort voorafgaand aan de melding van de schietpartij een persoon uit een bestelauto is gestapt, welke auto opvallende gelijkenissen vertoont met de bestelauto van verdachte en welke persoon naar de plaats delict kan zijn gelopen en derhalve het schot kan hebben gelost. Verdachte heeft naar ’s hofs oordeel geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van het gebruikte vuurwapen in zijn directe nabijheid op het moment van zijn aanhouding en de schotresten op zijn handschoenen die in diezelfde koffer zaten. Evenmin heeft verdachte een aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid elders rond het tijdstip van het schietincident. Het hof is gelet op al het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de schutter is geweest. Verdachtes ontkenning de schutter te zijn geweest en het verweer van de raadsman met betrekking tot het ontbreken van direct bewijs dat verdachte de schutter is geweest (ter zake waarvan het hof ve Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg – in dit geval de dood – zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Aanmerkelijke kans op de dood? Het hof ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de kans op de dood aanmerkelijk was en acht voor de beantwoording van die vraag van belang de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder die gedraging is begaan. Verdachte heeft op een zondagavond even voor 21.00 uur – een moment waarop veel mensen thuis zijn en nog wakker/beneden zijn – met een pistoolmitrailleur een kogel afgevuurd op het gesloten rolluik voor de voorruit van de doorzonkamer van de woning aan de [adres 1] te Waspik. Hij wist dat daar zijn ex-vrouw [benadeelde 1] en haar vriend [benadeelde 2] samenwoonden. Het rolluik voor zowel die voorruit als het rolluik voor de voordeur waren op dat moment gesloten. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke rolluiken slechts van binnenuit te sluiten (en te openen) zijn. Het licht bij de voordeur brandde. De auto’s van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bevonden zich op de oprit, eveneens aan de voorzijde van die woning. Het inschot in het rolluik en de voorruit bevond zich op 1.07 meter. Op dat moment van schieten bevond [benadeelde 1] zich geheel rechts op de bank in die woonkamer. Zij heeft de kogel langs haar hoofd voelen gaan en de kogel moet [benadeelde 1] dus maar net hebben gemist. Tijdens de reconstructie is ook komen vaststaan dat de schotbaan daadwerkelijk loopt over de plek waar [benadeelde 1] op de bank zat. [benadeelde 2] zat ten tijde van het schot rechts naast [benadeelde 1] op een stoel. Gelet op het vorenstaande bestond naar het oordeel van het hof zowel voor [benadeelde 1] als voor [benadeelde 2] een aanmerkelijke kans om door de afgevuurde kogel in het hoofd dan wel in andere vitale lichaamsdelen te worden geraakt en dientengevolge te overlijden. Het hof acht derhalve bewezen dat zowel ten aanzien van [benadeelde 1] als ten aanzien van [benadeelde 2] een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Dat de kans dat zij daadwerkelijk allebei door slechts één afgevuurde kogel (dodelijk) geraakt zouden worden wellicht niet aanmerkelijk te noemen is, doet hieraan niet af. Bewuste aanvaarding? Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of verdachte die aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. Gelet op de aard van de gedraging(en) van verdachte en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, is het hof van oordeel dat de wetenschap van de aanmerkelijke kans op de dood bij de verdachte aanwezig is geweest, dan wel bij hem moet worden verondersteld, en dat hij die aanmerkelijke kans op de dood ook bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft weliswaar ontkend de schutter te zijn geweest en er zijn ook geen getuigenverklaringen die inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, doch gezien de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging(en) van verdachte, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans dat de dood zou intreden ten tijde van het schieten op de koop heeft toegenomen. Van contra-indicaties of lichtzinnig geloof bij de verdachte – die een geheel ontkennende proceshouding heeft aangenomen - op een goede afloop is niet gebleken. Hierbij speelt ook een rol dat verdachte zich direct na het lossen van het schot uit de voeten heeft gemaakt. Het ter zake gevoerde verweer wordt dan ook verworpen. Voorbedachten rade Wanneer het bestanddeel ‘'voorbedachten rade' bij een (poging tot) opzettelijke levensberoving wordt bewezen, dan levert het bewezenverklaarde de kwalificatie (poging tot) moord op. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade is vere Van contra-indicaties voor het aannemen van handelen met voorbedachten rade, waaruit zou volgen dat (slechts) sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedopwelling (zoals wanneer besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden of slechts sprake is geweest van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan), is het hof niet gebleken. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het vorenstaande genoegzaam dat verdachtes voorgenomen daad (opnieuw) was gericht op het trachten om het leven te brengen van zijn ex-vrouw [benadeelde 1] , zodat het hof ten aanzien van haar wettig en overtuigend bewezen acht dat sprake was van voorbedachte rade. Het verweer van de verdediging wordt ook op dit punt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: Poging tot moord en poging tot doodslag. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd, en handelen in strijdig met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf of maatregel Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijk duur met zich brengt, omdat met oplegging van een andere straf de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, onvoldoende tot uitdrukking komt. Door met een pistoolmitrailleur een kogel af te vuren dwars door de woonkamer van zijn ex-vrouw [benadeelde 1] en haar partner [benadeelde 2] heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan respectievelijk een poging tot moord en een poging tot doodslag. Dergelijke gewelddadige feiten behoren tot de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht. Dat [benadeelde 1] of [benadeelde 2] niet dodelijk is getroffen berust louter op toeval en is niet aan het handelen van verdachte te danken. Voorts wordt verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van het bij die aanslag gebruikte vuurwapen en de bijbehorende patroonmagazijnen en patronen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] blijkt dat het schietincident een enorme impact op hen heeft gehad. Voorts weegt het hof ten nadele van verdachte mee dat hij blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 oktober 2017 – zoals reeds besproken – eerder voor een poging tot doodslag op zijn ex-vrouw [benadeelde 1] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om nog in de proeftijd van het voorwaardelijke gedeelte van die straf de onderhavige delicten te plegen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van de feiten 1 (poging moord op [benadeelde 1] en poging moord op [benadeelde 2] ), 2 (de bedreiging van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ) en 3 (bezit vuurwapen, patroonmagazijnen en munitie) zal veroordelen tot ee Het strafbare feit vormt namelijk een dusdanig ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dat dit als een aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd. Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Vordering tenuitvoerlegging De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging omdat die vordering pas op het laatste moment is ingediend, de dagbepaling niet is ingevuld en niet blijkt dat verdachte is opgeroepen, althans dat de grondslag voor de oproeping ter terechtzitting ontbreekt, omdat niet blijkt dat de officier van justitie zich heeft ingespannen om alsnog een dagbepaling te krijgen. Met de rechtbank stelt het hof vast dat het de rechter is die na indiening van een vordering tot tenuitvoerlegging een dag voor het onderzoek van de zaak dient te bepalen. Ook het hof gaat ervan uit dat geen officiële dagbepaling heeft plaatsgevonden. Tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie behoort dit echter niet te leiden, nu dagbepaling een taak van de rechter betreft. Daarnaast geldt dat niet-naleving van artikel 14h Sr niet uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd en die nietigheid naar het oordeel van het hof ook niet volgt uit de aard van het verzuim. Artikel 14h Sr bepaalt immers dat de behandeling van een vordering als de onderhavige – gegrond op het plegen van een strafbaar feit voor het einde van de proeftijd – gelijktijdig geschiedt met de behandeling van het nieuwe feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd. Het enkel ontbreken van de marginale toets van de vordering vooraf, hoeft – nu zowel de rechtbank als het hof de vordering alsnog in volle omvang toetsen – geen gevolg te hebben. Ook is niet gebleken dat een dergelijke marginale toets zou hebben geleid tot het buiten behandeling laten van de vordering, zodat niet blijkt dat verdachte door het verzuim daadwerkelijk in enig belang is geschaad. Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te Breda van 10 april 2017, tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 februari 2015 onder parketnummer 20-001737-14 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, van oordeel, dat - nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan soortgelijke strafbare feiten heeft schuldig gemaakt - de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest, dient te worden gelast. Het hof is van oordeel dat de tijd die verdachte reeds in het kader van een voorlopige tenuitvoerlegging ex artikel 14fa Sr in hechtenis heeft doorgebracht hierop in mindering dient te worden gebracht. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 24c, 36f, 45, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek