Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2017:5464
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.185.202/01 arrest van 5 december 2017 in de zaak van De Ontvanger van de Belastingdienst Oost-Brabant , kantoorhoudende te Eindhoven, appellant, hierna aan te duiden als de Ontvanger, advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam, tegen [de vennootschap] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.P.H. van Maanen Winters te Arnhem, op het bij exploot van dagvaarding van 7 januari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 december 2015, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de Ontvanger als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/290591/HA ZA 15-162) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met productie; de memorie van antwoord; de akte houdende rectificatie van [geïntimeerde] (herstellende het wegvallen van het woord ‘Beheer’ in de vermelding van de volledige naam van [geïntimeerde] in de kop van de memorie van antwoord). Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 3. De beoordeling 3.1. In r.o. 2. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feitenvaststelling is door partijen niet bestreden. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen daarom in hoger beroep het uitgangspunt. Daarnaast staan andere feiten tussen partijen vast.Het hof zal hierna een overzicht geven van de tussen partijen vaststaande feiten. a. a) De inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant (hierna: de inspecteur) heeft aan [geïntimeerde] op 14 oktober 2000 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over het jaar 1997. Op 31 oktober 2000 heeft de inspecteur een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over het jaar 1998.b) [geïntimeerde] heeft bezwaarschriften ingediend tegen deze aanslagen.c) De Ontvanger heeft op 13 november 2000 respectievelijk 12 december 2000 uitstel van betaling verleend totdat op de bezwaarschriften zou zijn beslist. d) In 2004 heeft [geïntimeerde] een vaststellingsovereenkomst gesloten met de inspecteur, waarbij onder meer werd overeengekomen dat de bezwaarschriften zouden worden ingetrokken.e) [geïntimeerde] heeft de bezwaarschriften op 20 september 2006 respectievelijk 7 maart 2007 ingetrokken.f) De inspecteur heeft de Ontvanger niet ingelicht over de intrekking van de bezwaarschriften. Ook [geïntimeerde] heeft dat niet gedaan.g) In de loop van 2014 heeft de Ontvanger ontdekt dat de bezwaarschriften waren ingetrokken.h) Bij brief van 31 mei 2014 (prod. 2 inleidende dagvaarding) heeft [medewerker Belastingdienst] namens de Belastingdienst (Centrale Administratie) [geïntimeerde] medegedeeld dat is geconstateerd dat de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1998 nog niet is betaald en dat, ter voorkoming van de verjaring van deze schuld, de invorderingstermijn wordt verlengd tot vijf jaren vanaf de datum van de brief, zodat een nieuwe verjaringstermijn begint. i) Bij brief van 15 augustus 2014 (prod. 5 inleidende dagvaarding) heeft de Ontvanger [geïntimeerde] meegedeeld dat hij, alvorens het uitstel van betaling in te trekken, de vennootschap tot 22 september 2014 de gelegenheid geeft om de verschuldigde bedragen te voldoen.j) De Ontvanger heeft [geïntimeerde] bij brief van 25 september 2014 (prod. 6 inleidende dagvaarding) meegedeeld dat het uitstel van betaling wordt ingetrokken.k) Op 7 oktober 2014 heeft de Ontvanger twee aanmaningen (prod. 7 en 8 inleidende dagvaarding) naar [geïntimeerde] verzonden met een betalingstermijn van twee weken.l) Omdat betaling uitbleef, heeft de Ontvanger op 23 oktober 2014 twee dwangbevelen (prod. 9 en 10 inleidende dagvaarding, hierna: de dwangbevelen) u In artikel XXIII van deze wet is namelijk bepaald dat het Awb-overgangsrecht, dat voorzag in eerbiedigende werking, met ingang van 1 januari 2011 niet langer van toepassing is op, onder meer, afdeling 4.4.3 Awb, voor zover het betreft de invordering van rijksbelastingen. Op grond van artikel 4:104 lid 1 Awb verjaart de rechtsvordering tot betaling van belastingschulden als de onderhavige vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. Op grond van artikel 4:111 lid 1 Awb wordt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan een bestuursorgaan verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft. 3.4.3. Op grond van artikel 25 lid 1 IW 1990 kan de Ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van betaling verlenen. Gedurende het uitstel wordt de dwanginvordering geschorst. Op grond van lid 2 van dezelfde bepaling kan het uitstel tussentijds bij beschikking worden beëindigd.Over de achtergrond van deze regeling wordt in de memorie van toelichting op de(ontwerp-)IW 1990 (TK 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 73 en 74) het volgende gezegd: ‘Artikel 26 [nadien: artikel 25, hof] bevat een regeling met betrekking tot uitstel van betaling. (…) De eerste volzin van het eerste lid bepaalt (…) dat de ontvanger aan uitstel van betaling voorwaarden kan verbinden. Met name in het geval waarin langdurig uitstel is verleend voor grote bedragen is dit gewenst. De te stellen voorwaarden zullen uiteraard steeds het belang van de invordering moeten dienen. (…) Dat uitstel van betaling slechts ‘voor bepaalde tijd’ kan worden verleend, strekt ertoe te voorkomen dat onverjaarbare vorderingen zouden ontstaan. (…) Zonder de onderhavige beperking in artikel 26 zou het mogelijk zijn uitstel van betaling tot wederopzegging te verlenen, hetgeen ertoe zou kunnen leiden dat een onverjaarbare vordering ontstaat. Het zal gelet op het vorenstaande echter duidelijk zijn dat ‘voor bepaalde tijd’ niet te eng moet worden geïnterpreteerd; er moet alleen uitzicht bestaan dat het uitstel te zijner tijd eindigt. (…) Het tweede lid van artikel 26 bepaalt dat het uitstel schriftelijk tussentijds kan worden beëindigd. Indien de belastingschuldige zich niet aan de overeengekomen uitstelregeling houdt, bij voorbeeld (…) de aan het uitstel verbonden voorwaarden niet in acht neemt, moet de ontvanger dus allereerst het uitstel schriftelijk opzeggen, alvorens de dwanginvordering kan worden (…) hervat. (…).’ 3.4.4. Het hof deelt de opvatting van partijen (zoals geuit tijdens de comparitie in eerste aanleg) dat op de invordering van de onderhavige belastingschulden mede van toepassing is de Leidraad Invordering 1990 (hierna: de Leidraad), zoals deze gold ten tijde van de intrekking van de bezwaarschriften in 2006/2007.Artikel 25 van deze Leidraad luidde destijds, voor zover relevant, als volgt: ‘7. Beëindigen uitstel/intrekking beschikking Het uitstel wordt bij beschikking onder meer beëindigd als: a. niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is verleend; b. tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens zijn verstrekt; c. de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen; d. de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de ontvanger onjuist is het uitstel te continueren; e. de medewerking van de verzoeker aan de Belastingdienst naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende wordt geacht; f. er een situatie is ontstaan zoals omschreven in de artikelen 10/15 van de wet en de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld, waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt, behoudens voor zover anders bepaald. (…) 10. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel Wanneer het uitstel is verleend tot een bepaald tijdstip en dit tijdstip is verstreken dan is daardoor het uitstel van recht Voor deze gelijkstelling bestaat des te meer grond, nu de intrekkingen in het onderhavige geval niet het gevolg zijn geweest van een eenzijdig besluit van [geïntimeerde] , maar van een tussen deze en de inspecteur namens de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst. Het moment waarop het uitstel eindigt ten gevolge van de intrekking van de bezwaarschriften is voldoende bepaalbaar en is daarmee in overeenstemming met artikel 25 lid 1 IW 1990 en zijn geschiedenis. De Ontvanger wordt in dit verband niet gevolgd in zijn standpunt dat bij de uitleg van beschikkingen als de onderhavige de tekst (zonder meer) doorslaggevend is. Van belang is veeleer wat [geïntimeerde] mocht opmaken uit de jegens haar gedane uitlatingen, te weten dat uitstel werd verleend voor de duur van de bezwaarprocedures (zie bijvoorbeeld HR 27 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1652, BNB 1995, 316). Verder acht het hof het van belang dat een uitleg wordt vermeden die leidt tot een door de wetgever niet-beoogd rechtsgevolg. 3.5.3. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het aan [geïntimeerde] verleende uitstel van betaling van rechtswege is vervallen door de intrekking van de bezwaarschriften op 20 september 2006 respectievelijk 7 maart 2007. 3.5.4. Anders dan de Ontvanger betoogt, leidt het bepaalde paragraaf 1 onder 7 van de Leidraad niet tot een ander oordeel.Dit onderdeel van de Leidraad bevat een nadere uitwerking van artikel 25 lid 2 IW 1990, dat betrekking heeft op de tussentijdse beëindiging bij beschikking van het uitstel. De bepaling ziet daarmee op de beëindiging van het uitstel vóór het moment waarop zij van rechtswege zal eindigen. Daartoe kan aanleiding bestaan in de situaties die in de Leidraad worden genoemd onder a. tot en met f.Anders dan de Ontvanger betoogt, kan aan het bepaalde onder c. (het uitstel wordt ingetrokken als ‘de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen’ ) geen ruimere strekking worden toegekend. Deze bepaling ziet, evenals de andere onderdelen van de regeling onder 7, op de situatie dat het uitstel tussentijds wordt ingetrokken. Uit het samenstel van het bepaalde in artikel 25 lid 2 IW 1990 en paragraaf 1 onder 7 van de Leidraad kan niet worden afgeleid dat de genoemde bepaling onder c. mede ziet op de situatie dat uitstel van betaling is verleend totdat op een bezwaarschrift is beslist en dat bezwaarschrift vervolgens wordt ingetrokken. 3.5.5. De Ontvanger heeft nog een beroep gedaan op een passage in de memorie van antwoord bij de (ontwerp-)IW 1990 (TK 1988-1989, 20 588, nr. 6, p. 61), die als volgt luidt: ‘Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van de P.v.d.A. met welke tijd de verjaring wordt verlengd bij uitstel van betaling merken wij op dat de verjaring dient te worden verlengd met de tijd van het werkelijk genoten uitstel en niet met de tijd van het verleende uitstel.’ De Ontvanger leest hierin een argument ten voordele van zijn standpunt dat een uitstel van betaling totdat op het bezwaarschrift is beslist, blijft voortduren als het bezwaarschrift voordien wordt ingetrokken. Het hof kan de Ontvanger in deze opvatting niet volgen, reeds omdat de hiervoor aangehaalde passage betrekking heeft op artikel 27 lid 2 (oud) IW 1990, als voorloper van het hier toepasselijke artikel 4:111 Awb, dat een veel ruimer werkingsgebied heeft. Het hof wijst er daarnaast op dat op de aangehaalde passage uit de memorie van antwoord een nadere toelichting van de zijde van de regering volgt. Deze luidt als volgt: ‘Wij gaan er namelijk van uit dat gedurende de tijd dat dwanginvordering mogelijk is ook de verjaringstermijn dient te lopen en gedurende die tijd verlenging van die termijn niet mogelijk moet zijn. Gelet op dat uitgangspunt dient de tijd waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd gedurende uitstel dus onzes inziens een einde te nemen op de dag dat het uitstel wordt ingetrokken. Alsdan immers kan de dwanginvordering aanvangen of worden voortgezet en dient de verjaringstermijn te lopen.’ Uit deze