Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-30
ECLI:NL:GHSHE:2017:5281
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 14/01058 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 14 oktober 2014, nummer AWB 14/3252, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen beschikking. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 26 november 2012 voor het jaar 2013 een beschikking gedifferentieerde premie gegeven, waarbij het premiepercentage voor de gedifferentieerde premie Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (hierna: WGA) voor 2013 is vastgesteld op 0,84%. Op 3 januari 2013 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Op 25 juni 2013 is het premiepercentage ambtshalve verminderd tot 0,68%. Bij uitspraak van de Inspecteur van 15 april 2014 is het bezwaar afgewezen en is het (ambtshalve vastgestelde) percentage van 0,68% gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 493. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Op 14 augustus 2015 heeft het Hof een pleitnota met drie bijlagen van de Inspecteur ontvangen. Een afschrift van dit gedingstuk is aan belanghebbende toegezonden. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 augustus 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [A] , verbonden aan [B] B.V. te [C] , alsmede, namens de Inspecteur, [D] en [E] . 1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. 1.7. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Het Hof heeft daarna het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en daarbij partijen verzocht schriftelijk te reageren op het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, 14/05720, ECLI:NL:HR:2015:2992, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.9. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 maart 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] , verbonden aan [B] B.V. te [C] , alsmede, namens de Inspecteur, [E] en [F] . De Inspecteur heeft te dezer nadere zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst. 1.10. Van deze nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 1.11. Het tweede nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 november 2017 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, [E] . Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt: “2.1. Het personeel van belanghebbende is voor de aangifte en afdracht loonheffingen 2013 ondergebracht onder loonbelastingnummer [nummer 1] . Het ambtelijk personeel van belanghebbende is tot 2013, onder subnummer L02, ingedeeld in sector 66 (overheid, overige instellingen). De in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (hierna: WSW) werkzame werknemers zijn tot 2013, onder subnummer L03, in sector 67 (werk en (re)integratie) ingedeeld. Tot 2013 zijn aparte beschikkingen gedifferentieerde premie WAO voor beide subnummers afgegeven met de volgende percentages: Jaar L02 L03 Belanghebbende betoogt in dit verband dat de systematiek van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) in casu niet redelijk uitpakt, omdat de arbeidsongeschiktheidslasten van de WSW-werknemers bij de berekening van het premiepercentage meegenomen worden en zorgen voor een exorbitante stijging van het premiepercentage voor het ambtelijk personeel, terwijl door de WSW-werknemers zelf, op grond van artikel 38a van de Wfsv, een vervangende premie verschuldigd is. 4.3. De Inspecteur bestrijdt dat sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op artikel 1 van het EP. Op het niveau van de regelgeving is sprake van ‘fair balance’ tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Aangezien de loonkosten van belanghebbende met 0,15222% stijgen wordt belanghebbende niet getroffen door een buitensporige last, aldus de Inspecteur. De Inspecteur voert hierbij aan dat niet de premiepercentages, maar de feitelijk verschuldigde premies maatstaf moeten zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een buitensporige last. 4.4. Voor de heffing van WGA-premies heeft de wetgever gekozen voor een systeem waar bij een werkgever van rechtswege is aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten, en vervolgens ieder jaar bij separate beschikking het premiepercentage wordt vastgesteld. De berekening van het premiepercentage is neergelegd in wettelijke regels (artikelen 38 van de Wfsv, 112 tot en met 118 van de Wfsv en 2.6 tot en met 2.15 van het Besluit Wfsv). De WSW-instelling van belanghebbende is sinds 2013 aangemerkt als één werkgever voor zowel het ambtelijk personeel als de WSW-personeel. Op grond van de voormelde wettelijke bepalingen worden voor de berekening van de GDP WGA naast de uitkeringen en loonsommen van het ambtelijk personeel ook de uitkeringen en loonsommen van WSW-medewerkers meegeteld. Deze systematiek komt op zichzelf beschouwd niet in strijd met het beginsel van ‘fair balance’. 4.5. Belanghebbende heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een buitensporige last. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat een stijging van het premiepercentage niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een ‘individual and excessive burden’. Ook een loonkostenstijging van 0,15222% (€ 16.378 ten opzichte van een totaal bedrag aan loonheffingen 2013 van € 10.759.124) levert geen buitensporige last op. 4.6. Gelet op het voorgaande is er geen ontoelaatbare inbreuk op artikel 1 van het EP. Slotsom 4.7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. Ten aanzien van het griffierecht 4.8. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. Ten aanzien van de proceskosten 4.9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. 5 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Aldus gedaan op 30 november 2017 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, A.J. Kromhout en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; een dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen