Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-16
ECLI:NL:GHSHE:2017:4907
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 17/00022 Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 29 november 2016, nummer BRE 15/8187, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB 1998) opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 295.748, alsmede bij beschikking een te betalen heffingsrente van ƒ 8. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 168.365. Voorts is bij uitspraak van de Inspecteur de beschikking inzake heffingsrente gewijzigd naar een te ontvangen bedrag van ƒ 9.687. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 15 juni 2017 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] en [C] . 1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.6. Aan het slot van deze zitting is het onderzoek gesloten. 2 Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan: 2.1. Belanghebbende is werkzaam geweest als tandarts. Hij is op [datum 2] 1990 met zijn toenmalige echtgenote, [D] (hierna: de vrouw), met wie hij in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, een maatschap aangegaan waarin de tandartspraktijk werd uitgeoefend. De praktijk werd gedreven in een bedrijfspand aan de [adres 1] 55 te [postcode 1] [E] . 2.2. Belanghebbende en de vrouw bewoonden een echtelijke woning aan het adres [adres 2] 54 te [postcode 2] [E] . Uit een door de Inspecteur in het geding gebracht gedingstuk met het opschrift “selectie raadplegen adres”, waarin een overzicht is opgenomen op welke adressen belanghebbende ingeschreven is geweest, welk overzicht mede is gebaseerd op gegevens uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, blijkt dat belanghebbende vanaf [datum 1] 1997 tot [datum 2] 1998 was ingeschreven op het adres van de tandartspraktijk, [adres 1] 55 te [postcode 1] [E] . 2.3. De maatschap is op enig moment in 1998 ontbonden. Belanghebbende heeft de tandartspraktijk nadien voortgezet als eenmanszaak. 2.4. Tot de huwelijksgemeenschap behoort een [F] -bankrekening, nummer [bankrekeningnummer] (hierna: de praktijkrekening). 2.5. In het kader van de bepaling van de hoogte van de door belanghebbende te betalen alimentatie aan de vrouw heeft de advocaat van de vrouw in een processtuk van 2 februari 2000 met als titel “verweerschrift op het verzoek tot wijziging van de alimentatie” – voor zover hier van belang ingediend bij de rechtbank Middelburg, geschreven: “Partijen in augustus 1997 feitelijk gescheiden van elkaar gaan leven; de man trok uit de woning. Gelet op het feit dat de man van oordeel was dat het huwelijk was ontwricht startte hij een procedure op strekkende tot scheiding van tafel en bed, welke ultimo december 1997 bij uw Arrondissementsrechtbank werd ingediend. Hangende die procedure leefden partijen van de gemeenschappelijke praktijkrekening van de maatschap -de vrouw was immers evenals de man vennoot. Van die pra De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot wijziging van de aanslag, rekening houdend met een betaald bedrag van ƒ 72.873 aan persoonlijke verplichtingen. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1.1. Artikel 45, lid 1, van de Wet IB 1964 bepaalt het volgende: “1. Persoonlijke verplichtingen zijn: (…) c. periodieke uitkeringen en verstrekkingen als zijn bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b; (…). 4.1.2. In artikel 30, lid 1, van de Wet IB 1964 – tekst 1998 – is onder meer het volgende bepaald: “Inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de niet als winst uit onderneming, als winst uit aanmerkelijk belang of als inkomsten uit arbeid aan te merken periodieke uitkeringen en verstrekkingen welke: (…) b. rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht, voor zover zij niet afkomstig zijn van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn; (…). 4.2. Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende, die aanspraak heeft gemaakt op een aftrekpost, de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat hij periodieke verstrekkingen heeft gedaan op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. 4.3.1. Tegenover de betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende gesteld dat hij in het najaar van 1997 de echtelijke woning aan de [adres 2] 54 te [E] heeft verlaten, een aantal maanden bij vrienden heeft doorgebracht en sedert maart 1998 in [woonplaats] woonachtig was. 4.3.2. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een verklaring in het geding gebracht van [G] , welke luidt: “Hiermede verklaar ik dat [belanghebbende] gedurende de periode van September 1997 t/m Maart 1998 bij mij in huis heeft gewoont (lees: gewoond, hof) aan het adres [adres 3] 527, [postcode 3] te [woonplaats] ”. 4.3.3. Voorts heeft belanghebbende een overzicht in het geding gebracht van bedragen die in 1998 zijn overgemaakt aan “verhuurbur. Z-W”, ter zake van – naar belanghebbende heeft gesteld – een de huur van een woning in [woonplaats] . De eerste betaling vond plaats op 3 maart 1998 en de laatste op 28 december 1998. Het bedrag per termijn bedroeg ƒ 2.100. 4.3.4. Uit het hiervoor vermelde gedingstuk “selectie raadplegen adres” blijkt dat belanghebbende van [datum 1] 1997 tot en met [datum 2] 1998 was ingeschreven op het praktijkadres aan de [adres 1] 55 in [E] . Daaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende in het najaar van 1997 niet langer op het adres van de echtgelijke woning ingeschreven heeft willen staan, en dat hij zich – kennelijk omdat zijn verblijf bij vrienden van tijdelijke aard was daarom heeft ingeschreven op het adres waar de praktijk werd uitgeoefend. Dit ondersteunt de stelling van belanghebbende dat hij in het najaar van 1997 de woning heeft verlaten. 4.3.5. Gelet op verklaring van [G] , het overzicht van de betalingen waarvan belanghebbende heeft gesteld en door de Inspecteur onvoldoende is bestreden – dat die zien op de betaling van huur ter zake van een woning in [woonplaats] , de inhoud van het processtuk van 2 februari 2000 – waarin namens de vrouw is verklaard dat de man in augustus 1997 de echtelijke woning heeft verlaten , en het door de Inspecteur in het geding gebracht stuk “selectie raadplegen adres”, een en ander in onderlinge samenhang beschouwd, is het aannemelijk dat belanghebbende in het najaar van 1997 de echtelijke woning heeft verlaten. 4.3.6. Er is geen goede reden te tw