Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-16
ECLI:NL:GHSHE:2017:4891
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 15/00033 tot en met 15/00035 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2014, nummers AWB 13/3563 tot en met 13/3565, in het geding tussen belanghebbende , en de inspecteur van de Belastingdienst Zuid/Directie Midden- en Kleinbedrijf , hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen beschikkingen. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. Bij beschikking van 21 november 2010, met nummer [nummer 1] , heeft de Inspecteur de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (hierna: WGA) voor het jaar 2011 (hierna: de beschikking WGA 2011) voor belanghebbende vastgesteld op 0,30%. Bij brief van 26 juni 2012 heeft belanghebbende verzocht om een nieuwe beschikking WGA-premie voor 2011, welk verzoek de Inspecteur heeft aangemerkt als bezwaar tegen de beschikking WGA 2011. 1.1.2. Bij beschikking van 23 november 2011, met nummer [nummer 2] , heeft de Inspecteur de gedifferentieerde premie ten behoeve van de WGA voor het jaar 2012 (hierna: de beschikking WGA 2012) voor belanghebbende vastgesteld op 1,48%. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur op 7 december 2011 ontvangen. 1.1.3. Bij beschikking van 26 november 2012, met nummer [nummer 3] , heeft de Inspecteur de gedifferentieerde premie ten behoeve van de WGA voor het jaar 2013 (hierna: de beschikking WGA 2013) voor belanghebbende vastgesteld op 1,32%. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 27 november 2012 bezwaar gemaakt. 1.2. Bij, in één geschrift vervatte, uitspraken van 22 mei 2013 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen en de beschikkingen WGA 2011, 2012 en 2013 gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken, verenigd in één geschrift van 28 juni 2013 per fax op die datum ingediend, in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder de nummers 13/3563 tot en met 13/3565. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende, eenmaal in de zaak met nummer 13/3563, een griffierecht geheven van € 318. De Rechtbank heeft, bij in één geschrift vervatte uitspraak, het beroep betreffende de beschikking WGA 2011 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar inzake die beschikking vernietigd, het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011 niet ontvankelijk verklaard, de beroepen betreffende de beschikking WGA 2012 en de beschikking WGA 2013 ongegrond verklaard en vergoeding van immateriële schade, griffierecht en proceskosten gelast. 1.4. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende, bij geschrift van 19 januari 2015 per fax op die datum ingediend, hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft dit hoger beroep geregistreerd onder de kenmerken 15/00033 tot en met 15/00035. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende, eenmaal in de zaak met kenmerk 15/00033, een griffierecht geheven van € 497. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 april 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , gevolmachtigde van en werkzaam bij belanghebbende, en mevrouw [B] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van mevrouw [C] , verbonden aan [D] te [E] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [F] en [G] . 1.6. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.7. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat met de uitspraak is toegezonden. 2 Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan: 2.1. Belanghebbende oefent Naar aanleiding van de informatiebrief heeft belanghebbende bij brief van 26 juni 2012 de Inspecteur het volgende meegedeeld en verzocht (hierna: het verzoek van 26 juni 2012): “(…) verzoek ik u, de bij beschikking van resp. 21-11-2010 en 25-11-2009 [ Hof, bedoeld is; 23 november 2011] vastgestelde WGA gedifferentieerde premiepercentage te herzien op basis van een nieuwe beslissing van het UWV ten aanzien van de WGA schade vanaf 18-09-2009. Anders dan u enkele weken geleden telefonisch mededeelde is dit een verzoek welke wij aan uw instantie moeten richten en niet aan het UWV. (…) In bijlage zend ik u eveneens het schrijven van het UWV (…) [ Hof; de beschikking van 1 juni 2012] waarin zij beslissen om de eerdere WGA toekenning en daardoor de schade met terugwerkende kracht per 18-09-2009 om te zetten in een IVA toekennen waarbij geen schade ontstaat. Graag ontvang ik (...) zo spoedig mogelijk nieuwe beschikkingen gedifferentieerde premiepercentage WGA voor 2011 en 2012 zodat wij ook onze loonadministratie kunnen corrigeren.” 2.7. In verband met de behandeling van het verzoek van 26 juni 2012 heeft de Inspecteur het UWV om een beoordeling verzocht. Hierop heeft het UWV, bij schrijven van 12 september 2012, voor zover van belang, als volgt gereageerd (waarbij, en ook hierna, het ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) genomen Besluit Wfsv van 16 november 2005, Stb. 2005, 585, is aangeduid als: het Besluit Wfsv): “Uit onze gegevens blijkt dat de wga-uitkering inderdaad is omgezet met terugwerkende kracht. Indien een uitkering in een bepaald jaar met terugwerkende kracht wordt aangepast (herziening, toekenning, dan wel intrekking) wordt op grond van artikel 2.11, 1e lid, van het Besluit Wfsv het totale bedrag van de aanpassing over alle relevante voorgaande jaren in mindering gebracht dan wel opgeteld bij de toegerekende arbeidsongeschiktheidslasten van de desbetreffende werkgever. Toerekening vindt, conform het kasbasissysteem, plaats aan het jaar waarin de aanpassing is doorgevoerd. Wij hebben geconstateerd dat in het jaar 2012 een herziening aan de wga-uitkering heeft plaatsgevonden. Op grond van het Besluit Wfsv wordt dit bedrag in het premiejaar 2014 op uw gedifferentieerde wga-premie in mindering gebracht.” 2.8. In de “uitspraak op bezwaar gedifferentieerde premie WGA 2011, 2012 en 2013” van 22 mei 2013 heeft de Inspecteur, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “ Ontvankelijkheid 2011: In de brief van 26 juni 2012 wordt verzocht om de herziening van 2011. 2012: (…) Ik merk dit bezwaar als ontvankelijk aan. 2013: (…) dit bezwaar is ontvankelijk. Feiten (…) Vanaf 18 september 2009 had de heer [H] recht op een door het UWV toegekende WGA-uitkering. Op 1 juni 2012 is door het UWV beslist dat vanaf 18 september 2009, recht op een IVA-uitkering bestond ipv de toegekende WGA-uitkering. (…) Motivering De omzetting met terugwerkende kracht van de WGA-uitkering in een IVA-uitkering heeft door toepassing van artikel 2.11 lid 1 Besluit Wfsv tot gevolg dat er in 2012 een negatieve wga-last is ontstaan. Deze negatieve wga last leidt eerst in het kalenderjaar 2014 en volgende jaren tot een compensatie van de dan te betalen premie wga. In het besluit WFSV is nadrukkelijk gekozen voor het kasstelsel, waarbij de compensatie in toekomstige jaren wordt verleend en derhalve niet wordt teruggekomen op de premiebeschikkingen uit het verleden. Na intern overleg is ons gebleken dat niet mag worden afgeweken van het bepaalde in het Besluit. De compensatiesystematiek van het Besluit Wfsv was ook al neergelegd in de voorganger van het Besluit Wfsv, het Besluit Premiedifferentiatie WAO van 19 juli 1997, Stb. 1997 338 (…). Deze compensatie kan tot gevolg hebben dat de werkgever niet volledig zal worden gecompenseerd (…).” 2.9. Bij de bepaling van de gedifferentieerde premies WGA voor het jaar 2014 ten aanzien van belanghebbende is de Inspecteur voor de zogenoemde component WGA-vast uitgegaan van een arbeidsong Ingeval een belanghebbende wel in staat is geweest om binnen de wettelijke bezwaartermijn bezwaar te maken, maar dat niet heeft gedaan omdat hij daartoe destijds geen reden had, kan een nadien opgekomen reden niet bewerkstelligen dat een inmiddels niet-verschoonbare termijnoverschrijving alsnog verschoonbaar wordt (vgl. HR 28 april 2006, nr. 40 956, ECLI:NL:HR:2006:AW4062). Ook een wijziging in juridisch inzicht na het verstrijken van de bezwaartermijn brengt niet mee dat de bezwaartermijn verschoonbaar is overschreden (vgl. HR 8 februari 2002, nr. 36 659, ECLI: NL:HR:2002:AD9094). 4.6. Gelet op het vorenstaande vormt de enkele omstandigheid dat het UWV op een later moment heeft geconstateerd dat zij aan de ex-werknemer ten onrechte een WGA-uitkering heeft uitgekeerd en dat aan de ex-werknemer met terugwerkende kracht een IVA-uitkering is toegekend, naar het oordeel van de rechtbank, geen omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. 4.7. Nu vaststaat dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De inspecteur heeft dat echter niet gedaan. De rechtbank zal doen wat de inspecteur had moeten doen. Het beroep ten aanzien van de beschikking WGA 2011 is daarom gegrond. 4.8. Nu het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, komt de rechtbank niet meer toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep ten aanzien van de beschikking WGA 2011.” 4.2. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank met de hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden heeft beslist dat belanghebbende buiten de daarvoor geldende termijn bezwaar heeft gemaakt, dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat het bezwaar niet ontvankelijk is, welke gronden het Hof tot de zijne maakt. 4.3. Belanghebbende stelt verder dat in een nieuw ingevoerd zevende lid van artikel 38 van de Wfsv, Stb. 2014, 167, is geregeld dat de Inspecteur de bevoegdheid heeft om onjuiste premiebeschikkingen te herzien gedurende vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft. Belanghebbende voert aan dat de Inspecteur, op het moment van de indiening van het verzoek van 26 juni 2012, nog de bevoegdheid had de beschikking WGA 2011 te herzien en daarmee kan, aldus belanghebbende, een niet-ontvankelijkverklaring van haar bij het verzoek van 26 juni 2012 ingediende bezwaarschrift (c.q. herzieningsverzoek) betreffende de beschikking WGA 2011 niet aan de orde zijn. 4.4. De Inspecteur is van mening dat het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking WGA 2011 niet-ontvankelijk is, omdat bezwaar is gemaakt na de bezwaartermijn van zes weken en met de invoering van het nieuwe artikel 38, lid 7, van de Wfsv geen sprake is van een verlenging van de bezwaartermijn met vijf jaren. De Inspecteur betoogt verder dat in het onderhavige geval herziening van de premiebeschikkingen niet mogelijk is, omdat deze beschikkingen niet op basis van onjuiste of onvolledige gegevens zijn vastgesteld. 4.5. In artikel 38, lid 7, van de Wfsv, Stb. 2014, 167, is bepaald: “De inspecteur is bevoegd tot herziening van een beschikking op grond van dit artikel indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.” Bij de invoering van dit zevende lid is toegelicht dat een het totaalbedrag van de (...) aan de werkgever toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de (…) arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, en b. het totaalbedrag van de (...) aan de werkgever toe te rekenen WGA-uitkeringen die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de WGA-uitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.” En in, hoofdstuk 2, artikel 2.11, lid 1, van het Besluit Wfsv (tekst 2012, 2013) is bepaald: “-1. Indien blijkt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a, of een WGA-uitkering als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel b, geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering wordt ingetrokken of herzien, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering of WGA-uitkering.” In de Nota van Toelichting (hierna: de NvT) bij het Besluit Wfsv van 16 november 2005, Stb. 2005, 585, is onder “2.2 Premiedifferentiatie WAO”, voor zover van belang, vermeld: “De bepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van het onderhavige besluit betreffende de premiedifferentiatie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen waren voorheen opgenomen in het Besluit premiedifferentiatie WAO. Met inwerkingtreding van de Wfsv wordt in artikel 37, vierde lid, van die wet [ Hof; vernummerd naar artikel 38, lid 4, van de Wfsv] voorzien in een grondslag om in het onderhavige besluit bepalingen op te nemen op het gebied van premiedifferentiatie. Derhalve zijn de bepalingen uit het Besluit premiedifferentiatie WAO overgeheveld naar het onderhavige besluit. Een materiële wijziging is hiermee niet beoogd. (…)” In het hiervoor bedoelde Besluit premiedifferentiatie WAO van 19 juli 1997, Stb. 1997, 338 (hierna: het Besluit premiedifferentiatie WAO), is met betrekking tot de daarin geregelde “Berekening opslag of korting grote werkgevers”, voor zover relevant, bepaald: “Art. 6 Regres en premievermindering grote werkgevers -1. Indien blijkt dat een (…) arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken of herzien het (…) totaalbedrag verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.” In de NvT bij het Besluit premiedifferentiatie WAO, Stb. 1997, 338, p. 14-16, is onder “2.2.2. Arbeidsongeschiktheidslasten, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “Voor de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage worden de uitkeringslasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bepaald op kasbasis. Alle lasten van de uitkeringen, die in jaar t-2 tot uitbetaling kwamen, worden dus meegenomen in het individuele werkgeversrisicopercentage. Hantering van een systeem op kasbasis sluit aan bij de uitkeringsadministratie van de uitvoeringsinstellingen. Een wijziging van de hoogte van de uitkering leidt op deze wijze over voorgaande jaren niet to In het onderhavige geval heeft het UWV in de jaren 2009 tot en met 2011 ten onrechte een WGA-uitkering toegekend aan de ex-werknemer en daardoor zijn volgens belanghebbende de bestreden WGA-beschikkingen op basis van onjuiste uitgangspunten naar te hoge percentages vastgesteld. Belanghebbende bepleit een herrekening van de premiekorting in die zin dat de in elk van de jaren 2009 tot en met 2011 betaalde uitkering niet wordt meegerekend. Belanghebbende herhaalt dat de Inspecteur, ingevolge artikel 38, lid 7, van de Wfsv, de bevoegdheid en vrijheid heeft onjuiste premiebeschikkingen te herzien en vermeldt uitsluitend ter onderbouwing van dit standpunt dat haar twee gevallen bekend zijn waarin een dergelijke herziening is verleend, van welke gevallen stukken zijn verstrekt. Belanghebbende stelt, gestaafd met een berekening, dat de compensatieregeling, verleend bij de beschikking WGA 2014, onvoldoende financiële tegemoetkoming biedt voor de in de jaren 2011 tot en met 2013 teveel betaalde premies. 4.13. De Inspecteur betwist dat herziening van de onderhavige beschikkingen mogelijk is, omdat de beschikkingen niet op basis van onjuiste of onvolledige gegevens zijn vastgesteld. Voor de premiejaren 2011 tot en met 2013 zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die door het UWV in de jaren 2009 tot en met 2011 zijn uitbetaald, aan belanghebbende toegerekend. Achteraf gezien blijkt de aan de ex-werknemer toegekende uitkering ten onrechte te zijn toegekend en voor die situatie is in het Besluit Wfsv een compensatieregeling getroffen, waardoor eerder afgegeven beschikkingen gedifferentieerde premie niet worden gewijzigd. 4.14. Bij de beoordeling van de klachten van belanghebbende zal het Hof eerst bezien of de besluitgever met de in artikel 2.9 van het Besluit Wfsv getroffen regeling de hem in artikel 38 van de Wfsv gegeven bevoegdheid niet te buiten is gegaan en overweegt als volgt. Het Hof neemt in aanmerking dat in artikel 38 van de Wfsv geen voorschriften zijn opgenomen omtrent de elementen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in aanmerking genomen mogen worden bij de vaststelling en berekening van de in artikel 38, lid 4, van die wet bedoelde percentages, opslagen en kortingen. Deze algemeen geformuleerde delegatiebepaling laat, naar het oordeel van het Hof, de besluitgever ruimte om met het oog op de uitvoerbaarheid van de regeling een systematiek te hanteren gebaseerd op de WGA-uitkeringen, die in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het premiejaar door een UWV zijn betaald aan werknemers, die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot een werkgever (ofwel de uitkeringsadministratie van het UWV). Dit leidt het Hof tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat de wijze waarop in artikel 2.9 van het Besluit Wfsv rekening wordt gehouden met de uitbetaalde WGA-uitkeringen strijd oplevert met artikel 38 van de Wfsv (vgl. HR 9 maart 2012, nr. 11/01759, ECLI:NL:HR:2012:BT8788, BNB 2012/135 (hierna: het arrest BNB 2012/135)). 4.15.1. In zoverre belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de regeling in artikel 2.9, lid 2, van het Besluit Wfsv in het onderhavige geval geen toepassing dient te vinden, omdat vanwege een beoordelingsfout van het UWV een WGA-uitkering aan de ex-werknemer is betaald en dat daarom deze WGA-uitkering niet aan belanghebbende mag worden toegerekend en belanghebbende evenmin behoort te worden geconfronteerd met een lagere korting of opslag van het individuele werkgeversrisicopercentage, wijst het Hof deze grief af. In artikel 2.9, lid 2, van het Besluit Wfsv is geregeld dat ter bepaling van het individuele werkgeversrisicopercentage aan een werkgever worden toegerekend arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het aldaar bedoelde jaar zijn betaald aan werknemers, die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot de werkgever. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de ex-werknemer bij het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in d Het Hof heeft in (de ontstaansgeschiedenis van) het Besluit Wfsv geen aanwijzingen gevonden dat bij onvoldoende financiële tegemoetkoming van de compensatieregeling van de getroffen regeling kan worden afgeweken op de door belanghebbende voorgestane wijze. Het Hof merkt hierbij op dat een onvoldoende financiële tegemoetkoming, in die zin dat de compensatie in het jaar 2014 veel geringer is dan de extra premielasten in de jaren 2011 tot en met 2013, mede gelegen kan zijn in andere elementen van de jaarlijkse premieberekening. Verder is het Hof van oordeel dat de omstandigheid dat de in de jaren 2009 tot en met 2011 in aanmerking genomen uitkeringslasten zijn terug te voeren op een beoordelingsfout van het UWV niet tot een andere uitleg kan leiden. 4.17. Het beroep van belanghebbende op artikel 38, lid 7, van de Wfsv wijst het Hof af. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.11 tot en met 4.16 is het Hof van oordeel dat de bestreden WGA-beschikkingen niet op onjuiste uitgangspunten zijn vastgesteld en er geen aanleiding is voor een herziening van deze beschikkingen. Verzoek om vergoeding van immateriële schade 4.18. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat het verzoek om schadevergoeding de vergoeding van immateriële schade vanwege het overschrijden van de redelijke termijn betreft. De Rechtbank heeft voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase van 11 maanden een vergoeding van € 1.000 voor de onderhavige zaken tezamen ten laste van de Inspecteur toegekend. Hiertegen zijn geen grieven ingebracht. Met betrekking tot een vergoeding voor de hoger beroepsfase oordeelt het Hof als volgt. 4.19. De Hoge Raad heeft op 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140 (hierna: het overzichtsarrest) herhaald, dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, meebrengt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn voor de beslechting van een geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten, die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Hof, behoudens bijzondere omstandigheden, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel van hoger beroep is aangewend. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Indien sprake is van gezamenlijke behandeling van meerdere zaken van één belanghebbende, die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, wordt per fase van de procedure met een gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. 4.20. Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep stelt het Hof het volgende vast. Bij geschrift van 19 januari 2015, per fax op die datum bij het Hof binnengekomen, is hoger beroep ingesteld en het Hof doet uitspraak op 16 november 2017. De hoger beroepsfase heeft derhalve twee jaren en bijna tien maanden geduurd en daarmee is de voor de behandeling van het hoger beroep gestelde termijn van twee jaren met bijna tien maanden overschreden. Het Hof heeft in de zaken zelf geen aanknopingspunten gevonden voor een langere duur van de hoger beroepsfase dan de redelijke termijn van twee jaren en de langere duur wordt aan het Hof toegerekend. In de onderhavige hoger beroepsprocedures zijn WGA-beschikkingen voor drie verschillende jaren gezamenlijke behandeld. Het Hof ziet hierin aanleiding voor de drie zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar te hanteren. De overschrijding in