Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-14
ECLI:NL:GHSHE:2017:4883
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.186.467/01 arrest van 14 november 2017 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. A.J.M. van Mil te Eijsden, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 april 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/202979/HA ZA 15-123 gewezen vonnis van 18 november 2015. 5 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenarrest van 12 april 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast; - het proces-verbaal van comparitie van 31 mei 2016; de memorie van grieven; de memorie van antwoord met een productie; het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6 De beoordeling 6.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. a. a) Op 1 maart 2006 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] een bedrag van € 145.000,-- geleend. Hiervan is een notariële geldleningsovereenkomst gedateerd 2 augustus 2006 opgemaakt. Later heeft [appellante] nog een bedrag van € 30.000,-- aan [geïntimeerde] geleend. Vervolgens is tussen [appellante] als schuldeiser en [geïntimeerde] als schuldenaar een schuldbekentenis opgemaakt gedateerd 22 juni 2008 (hierna: de schuldbekentenis). b) De schuldbekentenis houdt, voor zover thans van belang, in: “(…) 1. Schuldenaar is aan schuldeiser gelden verschuldigd uit hoofde van leningen (…) ten bedrage van € 175.000,-- (…) 2. Schuldenaar zal over de hoofdsom, respectievelijk het restant daarvan, een rente van 5% per jaar betalen ingaande op 1 januari 2008. De rente is opeisbaar na afloop van ieder kalenderjaar, derhalve voor het eerst op 31 december 2008 over het alsdan sinds de geldlening verstreken tijdvak en vervolgens op iedere volgende 31 e december. 3. Schuldeiser en schuldenaar zullen jaarlijks in onderling overleg vaststellen welk bedrag schuldenaar verplicht is op de hoofdsom per maand (tenminste) af te lossen. 4. Hoofdsom, rente en al wat de schuldeiser verder te vorderen heeft zal terstond opeisbaar zijn, zonder waarschuwing of ingebrekestelling, bij faillissement, overlijden, of ondercuratelestelling van de schuldenaar, bij hun aanvraag om surséance van betaling bij aankondiging (….) bij het begin van de executie van enig goed van de schuldenaren door een schuldeiser van de schuldenaar, bij ontbinding van het voorgenomen huwelijk tussen schuldeiser en schuldenaar door echtscheiding, bij niet-nakoming door de schuldenaar van één of meer zijner verplichtingen uit deze overeenkomst. (…)” c) De schuldbekentenis is door partijen ondertekend en voorzien van een met de hand geschreven goedschrift. d) Partijen zijn op 18 juli 2008 buiten gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In hun huwelijksvoorwaarden is geen verrekenbeding opgenomen. e) Bij beschikking van 20 februari 2015 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 21 oktober 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. f) [geïntimeerde] heeft na het opmaken van de schuldbekentenis nimmer enige rentebetaling of betaling ter aflossing op de hoofdsom gedaan. Tussen partijen is tijdens hun huwelijk nimmer in onderling overleg een bedrag overeengekomen dat [geïntimeerde] (ten minste) moest aflossen op het geleende bedrag. 7. [appellante] heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van € 175.000,--, te vermeerderen met contractuele rente, wettelijke rente en kosten. Na door [geïntimeerde] gevoerd verweer heeft de rechtbank bij het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat de vordering per 1 januari 2009 opeisbaar is geworden doord Met het in juni 2008 geleende geld heeft [geïntimeerde] privé schulden afgelost; D) gelet op het beperkte inkomen van [geïntimeerde] dient de verschuldigde rente tot nul procent te worden gematigd;E) de bedoeling van partijen was dat er nooit iets door [geïntimeerde] aan [appellante] terugbetaald zou hoeven worden. 9.2. Dat [geïntimeerde] volgens de bedoeling van partijen nooit iets zou hoeven terugbetalen aan [appellante] (verweer E) is tegenover de ontkenning door [appellante] van de juistheid van die stelling en tegenover de door beide partijen ondertekende schuldbekentenis, onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat [geïntimeerde] tijdens het huwelijk van partijen niets aan [appellante] heeft betaald impliceert niet dat partijen overeengekomen zijn dat hij dat ook nooit zou hoeven doen. Aan het feit dat partijen niet jaarlijks overlegden (verweer A) over het terug te betalen bedrag verbindt [geïntimeerde] geen gevolgen. Het hof passeert daarom ook dat verweer. 9.3. Ook de stellingen van [geïntimeerde] ter onderbouwing van verweer C kunnen niet leiden tot de conclusie dat de overeenkomst inhield dat [geïntimeerde] het geleende niet behoefde terug te betalen. Voor zover [geïntimeerde] met dat verweer een beroep op rechtsverwerking door [appellante] beoogt te doen, faalt ook dat verweer. Het enkele tijdsverloop of stilzitten is voor het aannemen van rechtsverwerking onvoldoende, terwijl bijzondere omstandigheden, op grond waarvan rechtsverwerking zou moeten worden aangenomen, noch door [geïntimeerde] gesteld, noch gebleken zijn. 9.4. Op welke grond het hof bevoegd zou zijn een terugbetalingsregeling tussen partijen vast te stellen heeft [geïntimeerde] niet duidelijk gemaakt. [appellante] heeft die bevoegdheid in eerste aanleg ontkend. Het hof is met [appellante] van oordeel dat partijen zelf (eventueel) een dergelijke regeling dienen overeen te komen en dat de rechter geen bevoegdheid toekomt die regeling vast te stellen. Verweer B faalt. 9.5. Verweer D van [geïntimeerde] is gericht tegen de rentevordering van [appellante] . 9.5.1. Voor matiging van de rentevordering tot nihil heeft [geïntimeerde] volstrekt onvoldoende feiten aangevoerd. De hoogte van de verschuldigde rente (wat daar van zij) en het, op dit moment, beperkte inkomen van [geïntimeerde] acht het hof met name onvoldoende voor de conclusie dat toewijzing van de rentevordering tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leidt. 9.5.2. Voor het overige overweegt het hof omtrent dit verweer als volgt. [appellante] heeft in eerste aanleg (bij conclusie van repliek) haar vordering gewijzigd in die zin dat deze na die wijziging luidde dat de rechtbank “ [geïntimeerde] diende te verplichten aan [appellante] uit hoofde van geldleenovereenkomst een bedrag van € 175.000,-- te voldoen, te vermeerderen met de contractuele rente en de wettelijke rente, met ingang van de vervaldata van de in de geldleenovereenkomst genoemde termijnen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag of datum ”.In het appelexploot en bij memorie van grieven (onder verwijzing naar voornoemd exploot) heeft [appellante] (naar het hof begrijpt) haar vordering gewijzigd. Zij vordert in hoger beroep “ alsnog te bepalen dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 175.000,- vermeerderd met contractuele rente, wettelijke rente en kosten ”. 9.5.3. Een concrete datum van ingang van de rentevordering noemt [appellante] in hoger beroep niet. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] tijdens het huwelijk van partijen aanspraak heeft gemaakt op nakoming van de gemaakte afspraken ter zake aflossing en/of rente. Daaruit leidt het hof af dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat de niet-betaling van aflossing en rente door [geïntimeerde] tijdens het huwelijk geen tekortkoming door hem in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst opleverde.Vanaf de datum van de echtscheiding, 21 oktober 2015, evenwel is de hoofdsom op grond van punt 4 van de schuldbekentenis terstond opeisbaar. Gelet op