Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-15
ECLI:NL:GHSHE:2017:4849
Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-003685-14 Uitspraak : 15 november 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 24 november 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-994028-14 tegen: [verdachte] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , [adres] . Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het gerechtshof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, opnieuw rechtdoende het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 45.000,-. Namens verdachte is vrijspraak bepleit. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij (voorheen genaamd [verdachte] ) op of omstreeks 6 en/of 7 oktober 2011 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, gevaarlijke afvalstoffen, te weten (niet bruikbare) stookolie (bunkerolie) (afkomstig van het zeeschip [naam 1] ), heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars, en/of gevaarlijke afvalstoffen, te weten (niet bruikbare) stookolie (bunkerolie), zijnde (een) afvalstof(fen) die tot de krachtens artikel 10.48 Wet milieubeheer aangewezen categorieën behoort/behoren, te weten scheepsafvalstoffen, heeft ingezameld zonder vergunning van de Minister van Infrastructuur en Transport. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij (voorheen genaamd [verdachte] ) op 6 en 7 oktober 2011 te Terneuzen opzettelijk gevaarlijke afvalstoffen, te weten niet bruikbare stookolie (bunkerolie), zijnde een afvalstof die tot de krachtens artikel 10.48 Wet milieubeheer aangewezen categorieën behoort, te weten scheepsafvalstoffen, heeft ingezameld zonder vergunning van de Minister van Infrastructuur en Transport. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs A. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. B. De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. De verdediging heeft betoogd dat de stookolie (bunkerolie) geen afvalstof was. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. C. De volgende feiten en omstandigheden staan, gelet op de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging, in de onderhavige zaak niet ter discussie. 1. Op 16 september 2011 heeft [tussenhandelaar 1] te Gdansk, Polen, een hoeveelheid van 140 ton brandstof, afkomstig van [naam leverancier] , geleverd aan het zeeschip [naam 1] , in eigendom van rederij [naam rederij] . [naam leverancier] is een leverancier van stookolie voor schepen. Het zeeschip [naam 1] is door het bedrijf [naam bedrijf] voor langere tijd ingeh De definitie van afvalstof in artikel 3, onder 1, van Richtlijn 2008/98/EG luidt: "elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen". D.3 Of een stof kan worden gekwalificeerd als afvalstof, wordt dus primair bepaald door het gedrag of de intentie van de houder, namelijk of deze zich van de betreffende stof ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. D.4 Bij de beoordeling van de intentie van de houder moet rekening worden gehouden met de doelstelling van de kaderrichtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffendheid van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan. D.5 In de considerans van de kaderrichtlijn is opgenomen dat elk afvalstoffenbeleid in de eerste plaats tot doel moet hebben de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen voor menselijke gezondheid en milieu tot een minimum te beperken. Het begrip afvalstof dient bijgevolg niet restrictief te worden uitgelegd. D.6 In de onderhavige zaak blijkt met betrekking tot de weg die de bij verdachte aangetroffen stookolie heeft afgelegd, het volgende. D.7 Zoals het hof hiervoor onder C. heeft overwogen, is uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting komen vast te staan dat [tussenhandelaar 1] te Gdansk, Polen, op 16 september 2011 een hoeveelheid van 140 ton brandstof, afkomstig van [naam leverancier] , heeft geleverd aan het zeeschip [naam 1] . De [naam 1] heeft op de stookolie gevaren, maar de stookolie bleek niet te voldoen en voor grote problemen met de separatoren te zorgen. Dat de stookolie niet voldeed aan de daarvoor geldende specificaties ('off-spec' was), volgt uit de analyse van een monster dat ervan was genomen door het bedrijf Saybolt, waarbij het sedimentgehalte negen keer hoger bleek te zijn dan de in ISO-norm 8217:2010 vastgestelde norm. [naam leverancier] heeft hierop de resterende hoeveelheid van ongeveer 110 ton brandstof weer teruggenomen. Via twee andere partijen, te weten [tussenhandelaar 1] en [tussenhandelaar 2] , is de stookolie verkocht aan de verdachte. Op 6 en 7 oktober 2011 is de stookolie vanuit de [naam 1] overgepompt naar motortankschip [naam 2] , dat was ingehuurd door de verdachte. D.8 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het overpompen van de stookolie door het zeeschip [naam 1] naar het motortankschip [naam 2] niet kan worden aangemerkt als het door de oorspronkelijke afnemer zich daarvan ontdoen in de zin van artikel 3, onder 1, van Richtlijn 2008/98/EG. In lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 12 december 2013 in de zaken met zaaknummers C-241/12 en C-242/12, hierna ook wel aangeduid als het Shell arrest of de Shell zaak, is het hof van oordeel dat in dit verband de omstandigheid dat de oorspronkelijke afnemer de 'off-spec' partij stookolie aan [naam leverancier] heeft geretourneerd met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst, van bijzonder belang is. Een klant die aldus handelt, kan niet worden beschouwd als een persoon die voornemens was de betrokken partij te verwijderen. Het terug leveren aan de leverancier door de afnemer maakt mitsdien de stookolie niet tot afvalstof. D.9 Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld of [naam leverancier] , die door het terug leveren (opnieuw) houder van de partij stookolie werd, voornemens was zich te ontdoen van die partij, op het moment dat aan het licht was gekomen dat de partij niet aan de specificaties voldeed. In dat verband moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waarbij tevens de doelstelling van Richtlijn 2008/98/EG voor ogen moet worden gehouden. D.10 Zowel het openbaar ministerie als de verdediging heeft gewezen op de verkoopprijs van de off-spec partij stookolie ten opzichte van de verkoopprijs van een partij stookolie die wel aan de specificaties voldoet. In de visie van het openbaar ministerie vormt de verkoopprijs van de partij een duidelijke indicatie dat [naa D.17 De verdediging heeft nog gewezen op de omstandigheid dat de vertegenwoordiger van [verdachte] ten overstaan van de politie heeft verklaard dat er nog verschillende mogelijkheden waren voor de partij stookolie, zoals het blenden (mengen) met een nieuwe partij met een verwaarloosbaar laag sedimentgehalte of verkoop aan een andere geïnteresseerde. Naar het oordeel van het hof doet dit niet af aan het feit dat sprake was van een afvalstof, nu niet de intentie van [verdachte] , maar van [naam leverancier] centraal staat en niet is gebleken dat de kwalificatie 'afvalstof' op enig moment aan de stookolie is komen te ontvallen. D.18 Vaststaat dat aan [verdachte] geen vergunning was verleend voor het inzamelen van scheepsafvalstoffen (gevaarlijke afvalstoffen), terwijl ingevolge artikel 9, onder c, van het Besluit inzamelen afvalstoffen, zoals geldend ten tijde van het ten laste gelegde, daarvoor wel een vergunning was vereist. E. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, nu alle betrokkenen steeds hebben gehandeld in de volle overtuiging dat er geen sprake was van een afvalstof, welke overtuiging was gebaseerd op de analyses van deskundigen. F. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte, als handelaar in scheepsbrandstoffen en professionele marktpartij, uit dien hoofde geacht moet worden bekend te zijn met de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheidseisen. Verdachte wist dat het sedimentgehalte van de stookolie veel hoger was dan de in de ISO-norm vastgestelde norm en dat de stookolie “off-spec” was. Inzicht in de exacte samenstelling van de stookolie en de oorzaak voor het te hoge sedimentgehalte ontbrak. Door desondanks deze stookolie over te nemen heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de – naar zij wist vanwege het te hoge sedimentgehalte – niet bruikbare stookolie van de [naam 1] , gelet op de omstandigheden waaronder [naam leverancier] zich daarvan heeft ontdaan, moest worden aangemerkt als afvalstof, zodat het opzet van verdachte daarop in voorwaardelijke zin gericht is geweest. G. Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straf of maatregel Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het inzamelen van een gevaarlijke afvalstof, zonder dat aan haar een vergunning door de Minister van Infrastructuur en Transport was verleend. De verdachte heeft hiermee een voorschrift van de Wet milieubeheer overtreden, dat strekt tot bescherming van het milieu en tot een doelmatig beheer van afvalstoffen. Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan oneerlijke concurrentie. Het hof heeft daarnaast rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken, terwijl het hof niet is gebleken van nieuwe strafbare feiten. Het hof heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat bij de strafvervolging van verdachte