Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-10
ECLI:NL:GHSHE:2017:4842
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/3524 t/m/ 16/03529 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [plaats 1] , hierna: belanghebbende, en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 15 juni 2016, nummers 15/1558 tot en met 15/1563, in het geding tussen belanghebbende, en de Inspecteur betreffende na te noemen navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 20 april 2013 over de jaren 2008 tot en met 2010 navorderingaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd en gelijktijdig daarbij bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. Met dagtekening 27 april 2013 zijn aan hem over de hiervoor genoemde jaren navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en gelijktijdig daarbij bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. De hiervoor genoemde navorderingsaanslagen zijn opgelegd met de volgende aanslagnummers en tot de volgende bedragen: Zaak-nummer Jaar Aanslagnummer Belastbaar inkomen uit werk en woning Maximum bijdrage- inkomen Vergrijpboete Heffingsrente 15/1558 2008 [aanslagnummer] H.87 € 158.574 € 35.082 € 10.314 15/1559 2008 [aanslagnummer] W.87 € 31.231 € 233 15/1560 2009 [aanslagnummer] H.97 € 143.450 € 30.873 € 6.143 15/1561 2009 [aanslagnummer] W.97 € 32.369 € 153 15/1562 2010 [aanslagnummer] H.07 € 106.198 € 21.101 € 2.590 15/1563 2010 [aanslagnummer] W.07 € 33.189 € 99 1.2. De Inspecteur heeft de tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen gerichte bezwaren van belanghebbende bij uitspraken op bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft de beroepen voor zover betrekking hebbende op de boetebeschikkingen, gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikkingen vernietigd, de boeten verminderd tot respectievelijk € 21.250 (2008), € 17.000 (2009) en € 9.350 (2010), de beroepen voor het overige ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.484 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank. 1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 september 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de heer [A] , advocaat te [plaats 2] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van mevrouw [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D] . 1.7. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.8. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2 Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan: 2.1. Belanghebbende heeft samen met mevrouw [E] (hierna: [E] ) vier kinderen. Hij was in de onderhavige jaren (tot 14 juli 2008 samen Bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV is uitgegaan van een geschat resultaat uit overige werkzaamheden en zijn de volgende correcties toegepast: 2008 Correcties Persoonsgebonden aftrek € 1.656 Resultaat uit overige werkzaamheden Inkomsten uit mensenhandel € 104.460 Inkomsten uit hennepteelt € 40.656 € 145.116 Totale correctie € 146.772 2009 Persoonsgebonden aftrek € 872 Resultaat uit overige werkzaamheden Inkomsten uit mensenhandel € 25.200 Inkomsten uit hennepteelt € 101.640 € 126.840 Totale correctie € 127.712 2010 Persoonsgebonden aftrek € 549 Resultaat uit overige werkzaamheden Inkomsten uit mensenhandel € 0 Inkomsten uit hennepteelt € 89.118 € 89.118 Totale correctie € 89.667 Bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen Zvw is uitgegaan van de hiervoor genoemde geschatte resultaten uit overige werkzaamheden over de jaren 2008 tot en met 2010 en is het inkomen uit werk en woning verhoogd conform de berekening in het rapport van 27 maart 2013. 2.11. Uit het strafdossier, pagina 487, volgt dat belanghebbende op 12 januari 2011 telefonisch aan de politie vertelde dat hij geen lieverdje is, maar geen loverboy, dat hij zich meer bezighoudt met diefstallen, ladingdiefstallen; dat hij een ladingdief is. Uit het strafdossier, pagina 488, volgt dat getuigen verklaren dat belanghebbende geen loverboy is, maar dat zij er niet van staan kijken als hij wordt beschuldigd van ladingdiefstallen. 3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Zijn de onderhavige navorderingsaanslagen terecht met omkering en verzwaring van de bewijslast opgelegd? Zo ja, heeft belanghebbende aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, dan wel dat de navorderingsaanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd? Is de Inspecteur uitgegaan van een redelijke schatting? Zijn de boeten terecht en tot juiste bedragen opgelegd? Heeft de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot een juist bedrag berekend? Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen in stand kunnen blijven, nu belanghebbende strafrechtelijk is vrijgesproken van mensenhandel. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de strafrechtelijke vrijspraak geen gevolgen heeft voor de fiscale zaak en voorts dat de Rechtbank met betrekking tot de proceskostenvergoeding ten onrechte aan belanghebbende één procespunt heeft toegekend voor het verschijnen van belanghebbendes gemachtigde ter zitting van de Rechtbank, terwijl de gemachtigde daar niet is verschenen. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en van de boetebeschikkingen. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep van de Inspecteur, de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de beslissing inzake de tegemoetkoming in de proceskosten en bevestiging van de uitspraak voor het overige. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil De navorderingsaanslagen 4.1. Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in verbinding met artikel 27h van de AWR, het hoger beroep van belanghebbende ongegrond wordt verklaard, indien belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoev Omkering en verzwaring van de bewijslast – vereiste aangifte 4.7. Het Hof acht – gelet op de omvang van de geconstateerde negatieve privé uitgaven en de inkomsten uit onder meer hennepteelt in relatie tot het in de onderhavige jaren aangegeven belastbare inkomen – aannemelijk dat sprake is van zodanige bedragen aan niet-aangegeven inkomsten, zowel in absolute als in relatieve zin, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het Hof is daarbij van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of zich ervan bewust moest zijn, dat door het niet aangeven van deze inkomsten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit betekent dat op grond van artikel 27e van de AWR de bewijslast in zoverre wijzigt, dat belanghebbende overtuigend moet aantonen – dat wil zeggen: moet doen blijken - dat en in hoeverre de navorderingsaanslag onjuist is. Heeft belanghebbende aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn? 4.8. Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in het door hem te leveren bewijs dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld. Afgezien van de blote stelling van belanghebbende dat hij in 2008 tot en met 2010 geen hennep heeft geteeld, welke stelling door het Hof – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet wordt gevolgd, heeft belanghebbende niets aangevoerd. Naar het oordeel van het Hof doet de omstandigheid dat belanghebbende door het Hof (strafkamer) vrijgesproken is van mensenhandel, hier niet aan af. 4.9. Immers anders dan belanghebbendes gemachtigde meent, brengt de omstandigheid dat belanghebbende door de strafkamer van het Hof is vrijgesproken van mensenhandel, niet mee dat de navorderingsaanslagen vernietigd moeten worden. De belastingrechter is niet gebonden aan een oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex, zelfs niet als aan hem dezelfde bewijsmiddelen ter beschikking staan als aan de strafrechter. Dit geldt zowel voor het bewijs met betrekking tot een belastingaanslag als voor het bewijs ten aanzien van een fiscale bestuursrechtelijke boete. Van een - door belanghebbende gestelde - inbreuk op het in het EVRM neergelegde vermoeden van onschuld kan eerst sprake zijn, indien de bewoordingen van de uitspraak van de belastingrechter twijfel oproepen over de juistheid van een vrijspraak in de strafzaak (vgl. EHRM 12 juli 2013, Allen tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 25424/09, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, en EHRM 23 oktober 2014, Melo Tadeu tegen Portugal, nr. 27785/10, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510). De strafkamer heeft belanghebbende vrijgesproken van de mensenhandel omdat zij hem het voordeel van de twijfel gunde gelet op de voor het strafprocesrecht geldende bewijsregels. Het Hof (belastingkamer) trekt de juistheid van deze beslissing van de strafkamer niet in twijfel. In het onderhavige geval gaat het echter om de toepassing van de in het belastingrecht geldende regels voor de verdeling en omkering en verzwaring van de bewijslast, die afwijken van de in het strafprocesrecht geldende regels.Naar het oordeel van het Hof doet zich hier geen situatie voor waarin twijfel is ontstaan over de juistheid van de vrijspraak in de strafzaak en is derhalve geen sprake van een inbreuk op de onschuldpresumptie. Is de schatting van de Inspecteur redelijk? 4.10. De Rechtbank heeft in het kader van de beoordeling van de vraag of de schatting van de Inspecteur redelijk is, geoordeeld dat zowel de schatting met betrekking tot de inkomsten uit de werkzaamheden van [G] alsook de schatting met betrekking tot de inkomsten uit hennepteelt redelijk zijn (r.o. 4.4.3.1 tot en met 4.4.4). Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat deze schattingen zijn gebaseerd op de berekeningen in het Rapport WVV. Omdat niet alle contante geldstromen bekend zijn geworden, zijn de onbekende geldstromen buiten de berekening gehouden