Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-10
ECLI:NL:GHSHE:2017:4838
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’ Kenmerk: 16/00063-GHK Tussenuitspraak ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad - van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Nederland van 31 januari 2013, nummer AWB 12/1653, in het geding tussen belanghebbende, en de ontvanger van de Belastingdienst, hierna: de Ontvanger, betreffende de aan belanghebbende opgelegde beschikking aansprakelijkstelling voor door [A] BV niet betaalde omzetbelasting. 1 Procesverloop 1.1. In de onderhavige procedure is na beroep (zie ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1891) en hoger beroep (niet gepubliceerd) beroep in cassatie ingesteld door belanghebbende. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 januari 2016, nr. 14/02925, ECLI:NL:HR:2016:39 (hierna: het verwijzingsarrest), het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad het geding verwezen naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest. 1.2. De Ontvanger heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof, bij brief van 1 maart 2016 een conclusie naar aanleiding van het verwijzingsarrest ingediend. Deze conclusie is in afschrift aan belanghebbende verstrekt. 1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 11 maart 2016 een verzoek tot vereenvoudigde afdoening ingevolge artikel 8:54 van de Awb bij het Hof ingediend, wegens het (door belanghebbende veronderstelde) ontbreken van belang aan de zijde van de Ontvanger. 1.4. De Ontvanger heeft bij brief van 31 maart 2016 afwijzend op dit verzoek van belanghebbende gereageerd. 1.5. Belanghebbende is vervolgens door het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van de Ontvanger, hetgeen belanghebbende heeft gedaan bij conclusie van 2 mei 2016. In de begeleidende brief bij deze conclusie heeft belanghebbende opgemerkt dat hij productie 19 (het FIOD-dossier) van de Ontvanger (nog) niet in afschrift heeft ontvangen (van het Hof). De conclusie en de brief van belanghebbende zijn in afschrift aan de Ontvanger verstrekt. 1.6. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 een aanvulling op zijn conclusie ingediend bij het Hof, welke aanvulling eveneens in afschrift aan de Ontvanger is verstrekt. 1.7. Uit de brieven van belanghebbende van 2 en 17 mei 2016 heeft het Hof geconcludeerd dat belanghebbende de beschikking wil krijgen over het ontbrekende FIOD-dossier (productie 19) en, zoals belanghebbende heeft vermeld, over de onderliggende stukken bij productie 20 en 21 bij de conclusie van de Ontvanger van 1 maart 2016 (‘verzoeken, besprekingen en brieven aan derden, die voor belanghebbende onbekend zijn’). Tevens heeft belanghebbende verzocht de beschikking te krijgen over de stukken betrekking hebbend op ‘het invorderingsonderzoek, diverse derden-onderzoeken, constateringen in de administratie van de BV, diverse bescheiden (o.a. leasecontracten), afgelegde verklaringen en een ingesteld strafrechtelijk onderzoek’. Belanghebbende acht zich geschaad in zijn verdediging nu hij (nog) niet de beschikking heeft gekregen over deze stukken. 1.8. Het Hof heeft, na kennisneming van deze verzoeken, de onderhavige procedure in handen gesteld van de geheimhoudingskamer. De geheimhoudingskamer heeft de Ontvanger verzocht om deze stukken alsnog ongeschoond aan haar te overleggen, zodat zij kan beoordelen of de stukken op de onderhavige zaak betrekking hebben. Indien de Ontvanger zich (voor delen van) stukken op geheimhouding wil beroepen dient hij eveneens een geschoonde versie daarvan te overleggen en aan te geven welke gewichtige redenen (deze) geheimhouding rechtvaardigen. 1.9. De Ontvanger heeft gereageerd bij br 2 Het verzoek Het verzoek van de Ontvanger om geheimhouding van de stukken G1 tot en met G5 hangt samen met de beantwoording van de vraag of daarbij sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Awb, alsmede met de beantwoording van de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Ontvanger weigert deze stukken over te leggen aan het Hof en belanghebbende. 3 Beoordeling van het verzoek 3.1. Om daarover een oordeel te kunnen geven heeft de geheimhoudingskamer kennis genomen van het gehele procesdossier. Algemeen juridisch kader 3.2. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Ontvanger op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868 en van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129, volgt dat dit stukken zijn die in belanghebbendes zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Ontvanger dan wel die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter (Hof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205). 3.3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken volledig (dat wil zeggen zonder dat daarin delen onleesbaar zijn gemaakt) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend de Kamer (van het Hof) die in de hoofdzaak beslist kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 3.4. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt: a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de Ontvanger worden onthouden aan de rechter die in de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in lid 1 van art. 8:29 van de Awb door de Ontvanger om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen is gerechtvaardigd.) b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die in de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming). In art. 8:29, lid 5, Awb is bepaald, dat de variant ‘beperkte kennisneming’ alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. (Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944.) 3.5. Uit de door belanghebbende ingediende stukken maakt de geheimhoudingskamer op dat belanghebbende deze toestemming niet wil geven, hetgeen impliceert dat het verzoek van de Ontvanger in dit geval opgevat dient te worden als een verzoek om geheimhouding en niet als een verzoek om beperkte kennisneming. 3.6. Beslissend bij de vraag of de Ontvanger zich terecht op deze geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen, voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3). Slechts indien de door de Ontvan