Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-10
ECLI:NL:GHSHE:2017:4837
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’ Kenmerken: 15/00968-GHK tot en met 15/00997-GHK Tussenuitspraak ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de hoger beroepen van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en de incidenteel hoger beroepen van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 juni 2015, nummers AWB 12/5919 tot en met AWB 12/5948, in het geding tussen belanghebbende, en de Inspecteur , betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 1991 tot en met 2005 en het jaar 2008 opgelegde (navorderings-)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de aan belanghebbende voor de jaren 1992 tot en met 2000 en het jaar 2004 opgelegde (navorderings-)aanslagen vermogensbelasting (hierna: VB), de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Ziekenfondswet (hierna: ZFW) en een aan belanghebbende voor het jaar 1999 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De, zojuist beschreven, aan belanghebbende opgelegde (navorderings- en naheffings-) aanslagen zijn als volgt schematisch weer te geven: IB/PVV: Kenmerk Hof Nummer Rechtbank Jaar [aanslagnummer] Dagtekening 1 15/00968 12/5926 1991 H18 30-11-2003 2 15/00969 12/5925 1992 H28 30-11-2003 3 15/00970 12/5924 1993 H38 30-11-2003 4 15/00971 12/5923 1994 H48 30-11-2003 5 15/00972 12/5922 1995 H57 30-11-2003 6 15/00973 12/5943 1996 H67 30-11-2003 7 15/00974 12/5944 1997 H77 30-11-2003 8 15/00975 12/5939 1998 H87 30-11-2003 9 15/00976 12/5940 1999 H97 30-11-2003 10 15/00977 12/5941 2000 H06 31-10-2003 11 * 15/00978 12/5942 2001 H17 21-07-2004 12 15/00979 12/5945 2002 H26 29-07-2005 13 * 15/00980 12/5921 2003 H36 31-10-2007 14 15/00981 12/5946 2004 H46 30-11-2007 15 15/00982 12/5937 2005 H56 15-07-2008 16 15/00983 12/5919 2008 H86 15-8-2011 VB: 17 15/00984 12/5928 1992 K28 30-11-2003 18 15/00985 12/5938 1993 K38 30-11-2003 19 ** 15/00986 12/5929 20 15/00987 12/5930 1994 K48 30-11-2003 21 15/00988 12/5931 1995 K58 30-11-2003 22 15/00989 12/5932 1996 K67 30-11-2003 23 15/00990 12/5933 1997 K77 30-11-2003 24 15/00991 12/5934 1998 K87 30-11-2003 25 15/00992 12/5935 1999 K97 30-11-2003 26 15/00993 12/5927 2000 K07 30-11-2003 27 ** 15/00994 12/5936 ZFW: 28 * 15/00995 12/5920 2002 S26 OB: 29 *** 15/00996 12/5947 1999 F01 30 *** 15/00997 12/5948 1999 F01 * De procedures met Rechtbank-nummers 12/5942, 12/5921 en 12/5920 zijn in de beroepsfase ingetrokken. ** De procedures met Rechtbank-nummers 12/5929 en 12/5936 zijn ten onrechte door de Rechtbank aangemaakt, blijkens overweging 2.20 van haar uitspraak. *** De procedures met Rechtbank-nummers 12/5947 en 12/5948 betreffen dezelfde naheffingsaanslag OB. 1.2.1. Bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV en VB zijn verhogingen (met kwijtschelding), dan wel boeten opgelegd. Tevens zijn er bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2.2. Bij de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage ZFW en de naheffingsaanslag OB zijn bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.3. Belanghebbende is in rechte opgekomen tegen de vermelde (navorderings- en naheffings-) aanslagen. Voor een omschrijving van hetgeen procedureel in de bezwaar- en beroepsfase is voorgevallen verwijst de geheimhoudingskamer naar de uitspraken van de Rechtbank. 1.4. Belanghebbendes hoger beroepen betreffen alle dertig door de Rechtbank in beroep aangemaakte procedures over de (navorderings- en naheffings-) aanslagen. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord. De Inspecteur heeft een aanvulling op zijn incidenteel hoger beroep ingediend en daarop heeft belanghebbende gereageerd. 1.6. In zijn aanvull Indien belanghebbende de geschoonde versie van de verslaglegging op zich voldoende acht, maar van mening is dat de verslaglegging geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, dient hij dat eveneens aan de geheimhoudingskamer mee te delen. 1.15. Belanghebbende heeft - naar de geheimhoudingskamer begrijpt - gepersisteerd bij zijn eerder ingenomen standpunt dat de verslaglegging geen op de zaak betrekking hebbend stuk is en indien de geheimhoudingskamer van oordeel is dat dit wel het geval is, belanghebbende ook integraal over het stuk dient te beschikken. 1.16. Bij brief van 20 september 2017 is een afschrift van de brief van belanghebbende aan de Inspecteur gestuurd en is aan beide partijen aangekondigd dat de geheimhoudingskamer verwacht eind oktober tussenuitspraak te doen in de onderhavige procedures. 2 Verzoek Het verzoek van de Inspecteur om geheimhouding van delen van de verslaglegging hangt samen met de beantwoording van de vraag of bij de verslaglegging sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk zoals bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Awb, alsmede met de beantwoording van de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert delen van de verslaglegging over te leggen aan het Hof en belanghebbende. 3 Beoordeling van het verzoek 3.1. Om daarover een oordeel te kunnen geven heeft de geheimhoudingskamer kennis genomen van de gehele procesdossiers. Algemeen juridisch kader 3.2. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868 en van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129, volgt dat dit stukken zijn die in belanghebbendes zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur dan wel die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter (Hof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205). 3.3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken volledig (dat wil zeggen zonder dat daarin delen onleesbaar zijn gemaakt) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend de Kamer (van het Hof) die in de hoofdzaak beslist kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 3.4. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt: a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de Inspecteur worden onthouden aan de rechter die in de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in lid 1 van art. 8:29 van de Awb door de Inspecteur om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen is gerechtvaardigd.) b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die in de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming). In art. 8:29, lid 5, Awb is bepaald, dat de variant ‘beperkte kennisneming’ alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. (Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHS Door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding 3.13. De Inspecteur heeft in de verslaglegging tot 10 september 2003 a. a) namen en persoonsgegevens van derden geschoond; alsmede b) namen en gegevens van belastingambtenaren/FIOD-ambtenaren/invorderingsambtenaren; c) namen van douane- en politieambtenaren en deurwaarders; d) namen van Officieren van Justitie (betrokken bij het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende); e) namen en gegevens van (derde) bedrijven; f) het woord ‘i…’ op pagina 10, 12 en 15 van de verslaglegging; g) de naam van een project; h) de naam van belanghebbende zelf (een aantal malen). 3.14. In zijn brief van 12 april 2017 heeft de Inspecteur als volgt aangevoerd voor wat betreft zijn verzoek om geheimhouding: ‘Ten aanzien van de werkzaamheden tot en met 10 september 2003 beroep ik mij voorts op toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht aangezien ik een reëel veiligheidsrisico aannemelijk acht voor de in het in het niet geschoonde document genoemde personen. Verder bevat het document naar derden leidende informatie. Om deze reden verzoek ik een geheimhoudingskamer een oordeel te vellen over mijn standpunt dat de wederpartij geen kennis dient te nemen van dit integrale ongeschoonde document.’ 3.15. Belanghebbende heeft verzocht om het vrijgeven van de in de verslaglegging geschoonde (persoons)gegevens. 3.16. Voor wat betreft de bescherming van de persoonsgegevens van natuurlijke personen overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. De Inspecteur heeft zich voor het geheimhouden van de hierboven onder a tot en met d vermelde personen en hun persoonsgegevens, zoals telefoon- en faxnummers, plaatsnamen, adressen en geboortedata beroepen op de bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De Inspecteur is van mening, dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft, namelijk het zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken. 3.17. De Inspecteur acht de bescherming van persoonsgegevens een gerechtvaardigd belang voor het geheimhouden van (delen van) de verslaglegging. 3.18. Belanghebbende is - zo begrijpt de geheimhoudingskamer - van mening, dat hij kennis moet kunnen nemen van de ongeschoonde verslaglegging. 3.19. De Inspecteur heeft per abuis bij de geschoonde versie van de verslaglegging een ongeschoonde pagina 2 (ongenummerd) overgelegd, die aan belanghebbende is gezonden. In zoverre ontbeert het verzoek van de Inspecteur om geheimhouding belang. 3.20. De geheimhoudingskamer is met betrekking tot de hiervóór omschreven belangenafweging, na kennisneming van het gehele dossier, van oordeel dat de in dit kader door de Inspecteur geschoonde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet hierop, mede gelet op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en mede gelet op de uit de Wet bescherming persoonsgegevens en uit de Richtlijn van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, 95/46/EG, PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31 voortvloeiende verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht haar (processuele) standpunt te bepalen. 3.21. Hieruit volgt dat de Inspecteur de onder a tot en met d genoemde persoonsgegevens van natuurlijke personen o