Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-07
ECLI:NL:GHSHE:2017:4782
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.145.198/01 arrest van 7 november 2017 in de zaak van [de vennootschap 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: [de vennootschap 1] , advocaat: mr. J.G.M. Stassen te Enschede, tegen [de vennootschap 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, na splitsing voortgezet door: 1. [de vennootschap 3] gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [de vennootschap 4] gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. [de vennootschap 5] gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna gezamenlijk te noemen: [geintimeerden c.s.] , advocaat: mr. J. Oerlemans te 's-Hertogenbosch, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 21 april 2015 en 14 februari 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer c/04/11932/ HA ZA 12-338 gewezen vonnis van 29 januari 2014. 8 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 14 februari 2017; de memorie na tussenarrest van [de vennootschap 1] met producties; de antwoordmemorie na tussenarrest, tevens wijziging van eis van [geintimeerden c.s.] , met producties; de akte na wijziging van eis van [de vennootschap 1] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 9 De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 9.1.1. Beide partijen hebben er in hun memorie respectievelijk antwoordmemorie na tussenarrest op gewezen dat op 15 januari 2016 een splitsing van [geintimeerden c.s.] als bedoeld in artikel 2:334a BW heeft plaatsgevonden waardoor [de vennootschap 2] , de oorspronkelijk geïntimeerde tevens incidenteel appellante in dit hoger beroep, is opgehouden te bestaan en haar vermogen onder algemene titel is overgegaan op de drie vennootschappen die in de kop van dit arrest zijn vermeld. [geintimeerden c.s.] wenst dat de drie vennootschappen als procespartijen in de onderhavige procedure worden aangemerkt. [de vennootschap 1] stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [de vennootschap 2] , nu zij niet langer bestaat, moeten worden afgewezen. 9.1.2. Naar het oordeel van het hof kan dit standpunt van [de vennootschap 1] niet worden aanvaard. Vast staat, dat als gevolg van een splitsing als bedoeld in artikel 2:334a BW op 15 januari 2016 het vermogen van [de vennootschap 2] onder algemene titel is overgegaan op de drie vennootschappen die in de kop van dit arrest zijn vermeld. Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881) kan een partij die in een procedure is verschenen, wijziging verzoeken van haar aanduiding in de procedure, op de grond (onder meer) dat een partijwisseling heeft plaatsgevonden. Een dergelijk verzoek is toewijsbaar, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor, zodat het verzoek tot wijziging van de partijaanduiding toewijsbaar is. 9.2.1. [geintimeerden c.s.] heeft in haar antwoordmemorie na tussenarrest haar (reconventionele) eis opnieuw gewijzigd. Aanleiding hiervoor was dat zij de koopovereenkomst met [de vennootschap 1] met betrekking tot het pand in [plaats 1] op 1 oktober 2015 buitengerechtelijk heeft ontbonden en het pand aan een derde heeft verkocht en geleverd. De koopovereenkomst met betrekking tot het pand in [plaats 2] was al eerder door haar ontbonden, namelijk op 16 juni 2014. Op grond van het voorgaande vordert [geintimeerden c.s.] niet langer nakoming van de met [de vennootschap 1] gesloten koopovereenkomst, maar uitsluitend betaling van wettelijke handelsrente, van contractuele boete en van schadevergoeding, zoals in het petitum van haar antwoordmemorie na tussenarrest is verwoord. 9.2.2. [de vennootschap 1] heeft bij akte na wijziging eis bezwaar gemaakt 9.3.1. [de vennootschap 1] heeft, naar aanleiding van de antwoordmemorie na tussenarrest tevens wijzing van eis van [geintimeerden c.s.] niet alleen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging maar ook tegen de overige inhoud van de antwoordmemorie. Zij wijst erop dat het hof bij tussenarrest van 14 februari 2017 heeft bepaald dat partijen een memorie na tussenarrest mochten nemen met als doel het in het geding brengen van het voorlopig deskundigenbericht en het becommentariëren daarvan. Volgens [de vennootschap 1] heeft [geintimeerden c.s.] , met voorbijgaan aan de door het hof geformuleerde doelstelling, haar antwoordmemorie na tussenarrest gebruikt om haar standpunten inzake de verschillende geschilpunten nogmaals onder de aandacht van het hof te brengen. [de vennootschap 1] verzoekt het hof om de antwoordmemorie van [geintimeerden c.s.] geheel buiten beschouwing te laten. 9.3.2. Dit verzoek van [de vennootschap 1] is niet toewijsbaar voor zover de antwoordmemorie van [geintimeerden c.s.] moet worden aangemerkt als een toelichting op de wijziging van eis en als een reactie op de inhoud van het voorlopig deskundigenbericht. Voor zover [geintimeerden c.s.] in haar antwoordmemorie na tussenarrest overigens een samenvatting heeft gegeven van (een deel van) haar memorie van grieven is het bezwaar van [de vennootschap 1] gegrond. In zoverre zal het hof de antwoordmemorie na tussenarrest van [geintimeerden c.s.] buiten beschouwing laten. Overigens geldt hetzelfde voor zover [de vennootschap 1] voormelde grenzen te buiten gaat in haar akte na wijziging eis van 23 mei 2017. 9.4. In het tussenarrest van 14 februari 2017 ( in de rechtsoverwegingen 6.8.8 en 6.8.9) heeft het hof overwogen dat de stelling van [de vennootschap 1] dat zij met betrekking tot (de opzegging van) de huurovereenkomst met TNT heeft gedwaald in de zin van artikel 6:228 BW en deswege aanspraak kan maken op vernietiging van de koopovereenkomst niet kan worden aanvaard en dat het feit dat [geintimeerden c.s.] [de vennootschap 1] niet heeft ingelicht omtrent de tweede allonge bij de huurovereenkomst met TNT en omtrent de (naderende) huuropzegging niet kan worden aangemerkt als een onrechtmatige daad van [geintimeerden c.s.] jegens [de vennootschap 1] en evenmin als een tekortkoming van [geintimeerden c.s.] in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens [de vennootschap 1] die de ontbinding van de koopovereenkomst zou kunnen rechtvaardigen. In de rechtsoverwegingen 6.8.14. en 6.8.15 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de stelling van [de vennootschap 1] dat zij met betrekking tot (de opzegging van) de huurovereenkomst met [huurder] heeft gedwaald in de zin van artikel 6:228 BW en deswege aanspraak kan maken op vernietiging van de koopovereenkomst, niet kan worden aanvaard en dat het feit dat [geintimeerden c.s.] [de vennootschap 1] niet heeft ingelicht omtrent de huuropzegging van [huurder] niet kan worden aangemerkt als een onrechtmatige daad van [geintimeerden c.s.] jegens [de vennootschap 1] en evenmin als een tekortkoming van [geintimeerden c.s.] in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens [de vennootschap 1] die de ontbinding van de koopovereenkomst zou kunnen rechtvaardigen. Met betrekking tot het beroep van [de vennootschap 1] op dwaling omdat zij ná het sluiten van de koopovereenkomst gebreken heeft geconstateerd aan de dakconstructie van het gebouw in [plaats 1] , te weten betonrot/corrosie en scheurvorming, welke gebreken [geintimeerden c.s.] voor haar zou hebben verzwegen, heeft het hof de beslissing aangehouden in afwachting van het in het geding brengen van het resultaat van het voorlopig deskundigenbericht dat met betrekking tot de onderhavige problematiek was gelast. Om dezelfde reden was ook de beslissing aangehouden op de vraag of [geintimeerden c.s.] is tekort geschoten in de nakoming van de in artikel 5 lid 7 van de koopovereenkomst omschreven verplichting (de verplichting om vóór het notarieel transport de nieuw a [de vennootschap 1] heeft aan haar beroep op dwaling (mede) ten grondslag gelegd dat zij ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet op de hoogte was van de gebreken aan de dakconstructie van het pand in [plaats 1] ; zij stelt dat zij vóór het sluiten van de koopovereenkomst niet de beschikking had over het rapport van [expertbureau] . Verder stelt zij dat [geintimeerden c.s.] wél op de hoogte was van de gebreken en volgens [de vennootschap 1] had [geintimeerden c.s.] haar moeten inlichten. [de vennootschap 1] stelt dat zij de koopovereenkomst niet dan wel niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien zij wél over de informatie omtrent de gebreken aan de dakconstructie zou hebben beschikt. 9.7.2. [geintimeerden c.s.] stelt dat [de vennootschap 1] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst wel degelijk op de hoogte was van de situatie met betrekking tot de dakconstructie van het pand in [plaats 1] . Zij biedt aan te bewijzen dat [de vennootschap 1] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst de beschikking had gekregen over het rapport van [expertbureau] . Naar het oordeel van het hof kan dit laatste punt in het midden blijven, gelet op het volgende. 9.7.3. Anders dan door [de vennootschap 1] is bepleit, ligt de bewijslast van de gestelde dwaling bij haar. Naar het oordeel van het hof bestaat er onvoldoende grond voor een omkering van de bewijslast. 9.7.4. Voor de beoordeling van de gestelde dwaling is allereerst van belang – zoals door [geintimeerden c.s.] terecht is aangevoerd – dat in de koopovereenkomst is voorzien in de mogelijkheid dat ná het sluiten van de overeenkomst gebreken aan het verkochte zouden worden geconstateerd. In artikel 16 lid 2 is immers bepaald: Op eerste verzoek van koper zal deze door verkoper in staat worden gesteld om specifiek te benoemen bouwkundige aspecten nader te controleren en voor 1 oktober 2012 eventuele gebreken dienaangaande in orde te maken. Partijen zullen binnen tien (10) werkdagen na ondertekening van de koopovereenkomst, op afspraak, een gezamenlijke inspectie uitvoeren. Eventueel resterende gebreken op datum levering worden in onderling overleg gewaardeerd en worden in mindering gebracht op de koopprijs. Niet gesteld of gebleken is dat [geintimeerden c.s.] geweigerd heeft om mee te werken aan een gezamenlijke inspectie zoals bedoeld in voormeld artikel 16 lid 2 van de koopovereenkomst. [de vennootschap 1] stelt weliswaar dat [geintimeerden c.s.] een nadere inspectie van de gebreken aan het plafond niet heeft toegelaten, maar het hof begrijpt uit de stukken van partijen dat de onenigheid over een nadere inspectie pas is ontstaan (ver) ná de beoogde leveringsdatum van de panden, nadat tussen partijen geschillen waren ontstaan over het al dan niet nakomen van de overeenkomst door [de vennootschap 1] . 9.7.5. Van belang is verder dat het bedrijfsgebouw in [plaats 1] een oud pand betreft, volgens [geintimeerden c.s.] daterend uit 1960. Uit het rapport van [expertbureau] volgt dat, als gevolg van het gebruik van het pand in het verleden, op een tweetal plaatsen in het plafond van de bedrijfshal scheurvorming in het beton is ontstaan als gevolg van corrosie van de wapening. Door [geintimeerden c.s.] is gesteld dat zij, na de bevindingen van [expertbureau] , de door [expertbureau] geadviseerde werkzaamheden aan de plafondconstructie heeft uitgevoerd. Dat die werkzaamheden destijds inderdaad hebben plaatsgevonden is op zichzelf niet door [de vennootschap 1] weersproken en vindt ook bevestiging in het rapport van de deskundige Fontein. Gelet op het voorgaande is de enkele omstandigheid dat [geintimeerden c.s.] voorafgaande aan de koopovereenkomst geen melding heeft gemaakt van het rapport van [expertbureau] en van de herstelwerkzaamheden in het verleden (indien al juist; [geintimeerden c.s.] stelt immers dat [de vennootschap 1] wél de beschikking had over het rapport [expertbureau] ) onvoldoende om het beroep van [de vennootschap 1] op dwaling te rechtvaard Het betreft hier onder andere het afwerken van alle naden, opstanden, lichtkoepels, lichtstraten en of randen. 9.8.2. [de vennootschap 1] stelde zich aanvankelijk op het standpunt (conclusie van antwoord in reconventie, randnummer 23) dat de overeengekomen werkzaamheden in het geheel niet waren uitgevoerd. Nadat [geintimeerden c.s.] bewijsstukken van het tegendeel had overgelegd (producties 25 tot en met 28 bij haar akte indienen producties d.d. 6 juni 2013, waaruit blijkt dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd door het bedrijf [dakdekkersbedrijf] ) heeft [de vennootschap 1] dit standpunt verlaten en stelt zij dat de werkzaamheden niet deugdelijk en niet tijdig zijn uitgevoerd (conclusie van repliek, randnummer 31). 9.8.3. Naar het oordeel van het hof heeft [de vennootschap 1] haar stelling dat het afwerken van de dakbedekkingslaag ondeugdelijk is gebeurd, ontoereikend onderbouwd, dit gelet op de door [geintimeerden c.s.] overgelegde bewijsstukken, te weten de opdrachtbevestiging waaruit gedetailleerd de uit te voeren werkzaamheden zijn beschreven, alsmede foto’s van het resultaat van de uitgevoerde werkzaamheden en de facturen van [dakdekkersbedrijf] . Het hof merkt hierbij op dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van de – volgens [de vennootschap 1] - ondeugdelijkheid van de uitgevoerde werkzaamheden, bij [de vennootschap 1] ligt. Het hof ziet, in het licht van het voorgaande, onvoldoende grond voor een omkering van de bewijslast. Aan bewijslevering komt het hof niet toe omdat [de vennootschap 1] niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Daar komt bij dat bewijslevering door middel van een deskundigenonderzoek, zoals door [de vennootschap 1] is bepleit, niet mogelijk is gebleken doordat de huidige eigenaar van het pand weigert hieraan medewerking te verlenen. 9.8.4. Met betrekking tot de stelling van [de vennootschap 1] dat het afwerken van de dakbedekkingslaag te laat is geschied overweegt het hof het volgende. In artikel 5 lid 7 van de koopovereenkomst is bepaald dat het afwerken “voor transport” diende plaats te vinden. Partijen zijn het erover eens dat die bepaling zo dient te worden uitgelegd dat de afwerking diende plaats te vinden vóór de boogde transportdatum. In de overeenkomst is die datum bepaald op 1 oktober 2012; partijen zijn nadien als transportdatum 5 oktober 2012 overeengekomen. 9.8.5. Door [geintimeerden c.s.] is erkend dat de afwerking van de dakbedekkingslaag niet vóór 5 oktober 2012 heeft plaatsgevonden. Gelet op de door [geintimeerden c.s.] overgelegde producties 25 tot en met 28 bij haar akte overlegging producties d.d. 6 juni 2013 gaat het hof ervan uit dat de werkzaamheden door [dakdekkersbedrijf] zijn uitgevoerd tussen 17 oktober 2012 (datum opdrachtbevestiging) en 26 oktober 2012, zijnde de datum van facturering én de datum waarop [geintimeerden c.s.] per fax aan [de vennootschap 1] heeft bericht dat de werkzaamheden waren uitgevoerd (inleidende dagvaarding randnummer 35). Omtrent de achtergrond van de vertraging heeft [geintimeerden c.s.] het volgende aangevoerd: - ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden aan de dakbedekkingslaag had [geintimeerden c.s.] een tweetal offertes ontvangen: een offerte van [de vennootschap 6] d.d. 19 september 2012 ten bedrage van € 31.777,- en een offerte van [de vennootschap 7] d.d. 18 september 2012 ten bedrage van € 42.500,- (producties 87 en 88 bij MvA/MvG); - op 20 september 2012 heeft [geintimeerden c.s.] de offertes met [de vennootschap 1] besproken waarbij bleek dat [de vennootschap 1] zich op het standpunt stelde dat in totaal voor een bedrag van € 200.000,- aan werkzaamheden moest worden uitgevoerd; - omdat partijen het niet eens werden is een nieuwe bijeenkomst belegd op 27 september 2012. Voorafgaande aan die bespreking heeft [geintimeerden c.s.] nog een derde offerte gevraagd en gekregen. Dit is de offerte van [dakdekkersbedrijf] die de werkzaamheden aan de dakbedekkingslaag wilde uitvoeren voor een bedrag van € 25.817,-. Ook op 27 september 2 Die grief is gegrond, immers: nu de vordering tot nakoming door [geintimeerden c.s.] is ingetrokken kan de beslissing van de rechtbank op dit punt niet in stand blijven. De grieven 13, 14 en 15 van [de vennootschap 1] worden hierna besproken. Grief 16 van [de vennootschap 1] is gericht tegen de proceskostenbeslissing van de rechtbank en wordt eveneens hierna besproken. Grief 17 van [de vennootschap 1] heeft, naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis. Die grief behoeft geen afzonderlijke bespreking. 9.10.3. [geintimeerden c.s.] heeft incidenteel geappelleerd. Haar memorie van grieven in incidenteel appel bevat geen concreet als zodanig aangeduide grieven, met dien verstande dat uit de inhoud van de memorie volgt dat [geintimeerden c.s.] zich niet kan verenigen met de matiging door de rechtbank van de door haar in eerste aanleg gevorderde contractuele boete ex artikel 13 lid 3 van de koopovereenkomst. Voor het overige bevat de memorie van grieven in incidenteel appel slechts eiswijzigingen. 9.10.4. Na de eiswijziging bij antwoordmemorie na tussenarrest luidt de vordering van [geintimeerden c.s.] in hoger beroep als volgt: i. i) veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van Є 1.801.830,48 aan wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW), vermeerderd met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over dit bedrag vanaf 2 oktober 2015 tot en met de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie vast te stellen voorziening te treffen. ii) veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 797.985,-, vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 2 oktober 2015 tot en met de dag der algehele voldoening. iii) veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 23.806.514,10, vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 2 oktober 2015 tot en met de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie vast te stellen voorziening te treffen. iv) veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 478.791,-, vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 6 juni 2013 tot en met de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie vast te stellen voorziening te treffen. v) veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 39.190,58, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 2 september 2014 tot en met de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie vast te stellen voorziening te treffen. vi) [de vennootschap 1] te veroordelen in de kosten van de procedure. 9.10.5. Tussen partijen staat vast dat [de vennootschap 1] ook na ingebrekestelling haar medewerking aan het notarieel transport van de twee panden heeft geweigerd. [geintimeerden c.s.] was op grond hiervan gerechtigd de koopovereenkomst te ontbinden. Omdat de tekortkoming aan [de vennootschap 1] kan worden toegerekend is zij schadeplichtig jegens [geintimeerden c.s.] . De stelling van [de vennootschap 1] dat zij niet gehouden was om mee te werken aan het notarieel transport omdat aan de zijde van [geintimeerden c.s.] sprake was van schuldeisersverzuim kan niet worden aanvaard, gelet op hetgeen hiervoor in dit arrest en in het tussenarrest van 14 februari 2017 is overwogen en beslist. Voor zover het beroep van [de vennootschap 1] op schuldeisersverzuim is gebaseerd op haar stelling dat zij het pand in [plaats 1] niet mocht inspecteren, overweegt het hof nog dat die omstandigheid niet heeft te gelden als een beletsel voor de nakoming van de verplichtingen aan de zijde van [de vennootschap 1] in de zin van artikel 6:58 BW. Evenmin kan de stelling van [de vennootschap 1] worden aanvaard dat levering niet mogelijk was omdat door een derde, [gebruiker van bedrijfshal] , beslag was gelegd op het pand in [plaats 1] . Door [geintimeerden c.s.] is hi Het voorgaande betekent dat grief 13 van [de vennootschap 1] in zoverre gegrond is; de grief van [geintimeerden c.s.] in incidenteel appel faalt. 9.10.12. [geintimeerden c.s.] vordert (naast de wettelijke handelsrente) een tweetal bedragen aan schadevergoeding, te weten: - een bedrag van € 478.791,- met wettelijke rente. [geintimeerden c.s.] stelt dat zij (samen met anderen) een overeenkomst had gesloten met de Belastingdienst ter zake van openstaande belastingaanslagen. Op grond van die overeenkomst diende (onder meer) [geintimeerden c.s.] aan de Belastingdienst een bedrag van € 4.500.000,- te betalen. Onderdeel van de overeenkomst was dat de overdrachtsbelasting die verschuldigd zou zijn bij levering van de panden in [plaats 1] en [plaats 2] aan [de vennootschap 1] , welke overdrachtsbelasting € 487.791,- zou bedragen, aangemerkt zou worden als een deelbetaling op het aan de Belastingdienst verschuldigde bedrag. Voorwaarde was, dat de levering van de panden uiterlijk op 31 december 2012 zou plaatsvinden. Aan die voorwaarde is niet voldaan doordat [de vennootschap 1] geweigerd heeft aan de levering van de panden mee te weken. [geintimeerden c.s.] stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden tot voormeld bedrag; - een bedrag van € 39.190,58 met wettelijke rente. [geintimeerden c.s.] stelt dat zij, als gevolg van het niet meewerken aan de uitvoering van de koopovereenkomst door [de vennootschap 1] , van een van de huurders van het pand in [plaats 1] , [gebruiker van bedrijfshal] , minder huur heeft ontvangen en daardoor schade heeft geleden. [de vennootschap 1] was, vooruitlopend op de eigendomsoverdracht van het pand in [plaats 1] , met [gebruiker van bedrijfshal] een nieuwe huurovereenkomst voor langere duur overeengekomen ter vervanging van de lopende huurovereenkomst, maar dit tegen een lagere huurprijs. [geintimeerden c.s.] had zich hiermee akkoord verklaard en was aan de lagere huur gebonden, ook toen de levering aan [de vennootschap 1] niet doorging. 9.10.13. [de vennootschap 1] heeft de verschuldigdheid van de hiervoor genoemde schadebedragen op verschillende gronden bestreden. Ook heeft zij een beroep gedaan op voordeeltoerekening (artikel 6:100 BW). Zij wijst er op dat [geintimeerden c.s.] , als gevolg van het niet doorgaan van de levering van de panden in [plaats 1] en [plaats 2] , de huurinkomsten met betrekking tot de twee panden is blijven ontvangen en uiteindelijk de twee panden “voor een goede prijs" aan derden heeft kunnen verkopen. 9.10.14. Met betrekking tot de door [geintimeerden c.s.] gestelde belastingschade ad € 478.791,- overweegt het hof het volgende. Ingevolge artikel 6:98 BW komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in een zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. De door [geintimeerden c.s.] gestelde belastingschade hangt samen met afspraken die door [geintimeerden c.s.] (en anderen) met de belastingdienst zijn gemaakt; [de vennootschap 1] heeft hiermee niets van doen gehad. Naar het oordeel van het hof is het verband tussen de door [geintimeerden c.s.] gestelde belastingschade en de tekortkoming van [de vennootschap 1] in de nakoming van de koopovereenkomst zodanig ver verwijderd dat [de vennootschap 1] daarmee geen rekening hoefde te houden. De schade kan daarom niet aan haar worden toegerekend, zodat de vordering van [geintimeerden c.s.] op dit punt niet toewijsbaar is. 9.10.15. Het door [geintimeerden c.s.] gevorderde bedrag van € 39.190,58 wegens huurschade is niet toewijsbaar omdat de gestelde schade niet het gevolg is van het tekortschieten van [de vennootschap 1] in de nakoming van de koopovereenkomst maar van het feit dat [geintimeerden c.s.] als verhuurder akkoord is gegaan met wijziging van de met [gebruiker van bedrijfshal] gesloten huurovereenkomst. Bovendien is naar het oordeel van het hof