Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-11-03
ECLI:NL:GHSHE:2017:4746
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 13/01233 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 november 2013, nummer AWB 13/1956, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende de hierna te vermelden navorderingsaanslag. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.77 over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Na verrekening van loonheffing en (voorlopige) aanslagen bedraagt de navorderingsaanslag € 71.494. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag verminderd tot een bedrag aan verschuldigde belasting en premie volksverzekeringen (na verrekening van loonheffing en (voorlopige) aanslagen) van € 68.775. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 21 januari 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] , de heer [C] en de heer [D] . 1.5. Na het onderzoek ter zitting heeft het Hof partijen bij brief van 3 februari 2015 in kennis gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad in een vergelijkbare andere zaak (nr. 13/04188). De Hoge Raad heeft de behandeling van bedoelde zaak op zijn beurt aangehouden totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) antwoord heeft gegeven op de bij arrest van 10 april 2015 in de zaak met nummer 14/00528 gestelde prejudiciële vragen. Het HvJ heeft die vragen beantwoord bij arrest van 15 februari 2017, X, nr. C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119. 1.6. De Inspecteur heeft bij brief van 2 maart 2017 en belanghebbende heeft bij brief van 10 mei 2017, beiden na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, een reactie gegeven naar aanleiding van het arrest van het HvJ van 15 februari 2017. 1.7. Het Hof heeft partijen bij brief van 15 mei 2017 in kennis gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad in de zaak met nummer 14/00528 arrest heeft gewezen. De Hoge Raad heeft in deze zaak bij arrest van 2 juni 2017, nr. 14/00528, ECLI:NL:HR:2017:843, beslist. 1.8. Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017. De Inspecteur heeft daarvan gebruik gemaakt bij brief van 23 augustus 2017. 1.9. Tijdens het onderzoek ter zitting van 21 januari 2015 bestond de Kamer uit W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.P.J. Schramade. Nadien is de samenstelling van de Kamer gewijzigd in V.M. van Daalen-Mannaerts, P.A.G.M. Cools en P.J.J. Vonk. Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven voor het doen van uitspraak zonder nadere zitting en in gewijzigde samenstelling van de Kamer. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en daarvan op 9 oktober 2017 schriftelijk mededeling gedaan aan partijen. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende woont in Nederland en heeft voor de jaren 1999 tot en met 2010 aangiften gedaan voor de IB/PVV en tot en met het jaar 2000 ook voor de vermogensbelasting (hierna: VB). Belanghebbende heeft in zijn aangiften geen opgave gedaan van (inkomsten uit) in het buitenland aangehouden banktegoeden. 2.2. Op 31 mei 20 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en – naar het Hof begrijpt - vermindering van de navorderingsaanslag tot een bedrag van € 3.782. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Ten aanzien van de eerste vraag 4.1. Uit het arrest van het HvJ van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, ECLI:EU:C:2009:368, volgt dat in gevallen als het onderhavige de vrijheid van kapitaalverkeer in het geding is. De Inspecteur stelt dat de standstillbepaling van artikel 64, lid 1, van het VWEU van toepassing is, hetgeen met zich brengt dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de AWR, die reeds op 31 december 1993 bestond, onverkort geldt. De in dit verband relevante artikelen van het VWEU zijn: Artikel 63 1. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden. Artikel 64 1. Het bepaalde in artikel 63 doet geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van het nationale recht of het recht van de Unie inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. 4.2. Bij arrest van 15 februari 2017, X, C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119, heeft het HvJ in antwoord op prejudiciële vragen van de Hoge Raad over de toepasselijkheid van artikel 64, lid 1, van het VWEU ten aanzien van artikel 16, lid 4, van de AWR, het volgende voor recht verklaard: “1) Artikel 64, lid 1, VWEU moet in die zin worden uitgelegd dat het van toepassing is op een nationale regeling die een beperking stelt aan het in die bepaling bedoelde kapitaalverkeer, zoals de verlengde navorderingstermijn die in het hoofdgeding aan de orde is, zelfs wanneer deze beperking tevens van toepassing is in situaties die niets van doen hebben met directe investeringen, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. 2) Het openen van een effectenrekening door een ingezetene van een lidstaat bij een bankinstelling buiten de Europese Unie, zoals aan de orde in het hoofdgeding, valt onder het begrip „kapitaalverkeer in verband met het verrichten van financiële diensten” in de zin van artikel 64, lid 1, VWEU. 3) De mogelijkheid die artikel 64, lid 1, VWEU de lidstaten biedt om beperkingen toe te passen op het kapitaalverkeer in verband met het verrichten van financiële diensten, geldt ook voor beperkingen zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verlengde navorderingstermijn, die zich niet richten tot de dienstverrichter en evenmin de voorwaarden of de wijze van dienstverlening regelen.” 4.3. De Hoge Raad heeft vervolgens in zijn arrest van 2 juni 2017, nr. 14/00528, ECLI:NL:HR:2017:843, onder verwijzing naar het hiervoor onder 4.2 genoemde arrest van het HvJ en de daarin gegeven verklaring voor recht, het volgende overwogen: “3.1.1. Uit de hiervoor in onderdeel 1 weergegeven verklaring voor recht, en de door het HvJ daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, vermeld in de punten 20 tot en met 35 van zijn arrest, volgt dat artikel 64, lid 1, VWEU, de zogenoemde standstillbepaling, kan worden ingeroepen bij de beoordeling of toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verenigbaar is met het Unierecht in een geval als het onderhavige, waarin de belanghebbende een (effecten)rekening aanhoudt bij een bank in Zwitserland. 4.4. Gelet op de onder 2.4 en 2.7 weergegeven feiten ten aanzien van de bankrekening in Zwitserland is ook in de situatie van belanghebbende de standstillbepaling van toepassing. De stelling van belanghebbende dat het arrest van het HvJ geen betrekking heeft op zijn Voor zover de stelling van belanghebbende aldus moet worden begrepen dat de in de navorderingsaanslag begrepen boetes dienen te worden verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn, overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende is met de Inspecteur een overeenkomst aangegaan, waarbij onder meer een compromis is gesloten over de met de correcties verband houdende boetes. Dit brengt met zich dat de desbetreffende boetes niet meer afzonderlijk door de rechter kunnen worden getoetst. Gelet hierop kunnen de boetes in casu evenmin worden getoetst aan een eventuele overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (vgl. Hoge Raad 9 januari 2004, nr. 38 599, ECLI:NL:HR:2004:AO1503). 4.12. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt echter mee dat ook belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb brengt mee dat om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn moet worden verzocht. Indien een belanghebbende zich voor de rechter erover beklaagt dat deze de redelijke termijn heeft overschreden, moet die klacht worden aangemerkt als een zodanig verzoek (zie Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.1). 4.13. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag, maar heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep zich er niet over beklaagd dat die onderscheidenlijke fasen (te) lang hebben geduurd. Er is derhalve geen verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan. 4.14. Zelfs indien de door belanghebbende in hoger beroep ingenomen stelling moet worden opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade, geldt dat de redelijke termijn in dit geval niet is overschreden en artikel 6 van het EVRM niet is geschonden. Indien het verzoek voor het eerst voor het Hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het Hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (zie Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ELCI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3). In het onderhavige geval is de redelijke termijn aangevangen bij ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur op 12 november 2012. Het Hof doet uitspraak op 3 november 2017 betreffende het door belanghebbende ingestelde hoger beroep. De procedure heeft in totaal ongeveer vijf jaren geduurd. De behandelduur is weliswaar langer geweest dan het te hanteren uitgangspunt van vier jaren voor bezwaar, beroep en hoger beroep tezamen, maar het Hof acht het redelijk om in het onderhavige geval de redelijke termijn te verlengen met de duur dat de zaak is aangehouden in afwachting op de beantwoording van prejudiciële vragen door het HvJ en de beslissing van de Hoge Raad, zoals is weergegeven onder 1.5 en 1.7 (zie Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.7.1 tot en met 3.7.6). De redelijke termijn wordt daarom verlengd met ruim twee jaren tot ruim zes jaren. De behandeling van de zaak heeft binnen een redelijke termijn plaatsgevonden. 4.15. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur vóór ontvangst van het bezwaarschrift van belanghebbende op 12 november 2012 niet voldoende voortvarend heeft gehandeld, kan hem dit niet baten. Deze periode valt niet onder de reikwijdte van artikel 6 van het EVRM. Slotsom 4.16. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. Ten aanzien van het griffierecht 4.17. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. Ten aanzien van de proceskos