Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-31
ECLI:NL:GHSHE:2017:4694
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.174.974/01 arrest van 31 oktober 2017 in de zaak van de publieke rechtspersoon naar Belgisch recht Het Vlaamse Gewest , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als HVG, advocaat: mr. M. van der Bent te Middelburg, tegen 1. de vennootschap onder firma Firma [de vennootschap onder firma] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] en haar beide vennoten: 2. [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] 3. [geïntimeerde 3] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] geïntimeerden, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.A. Hoekstra te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 20 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 april 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen HVG als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagden. 1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3190503/14-4114) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord; het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd; de bij brief van 12 juli 2017 door mr. Van der Bent toegezonden producties, die HVG bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. a. Het vissersvaartuig [vissersvaartuig] behoort in eigendom toe aan de vennootschap onder firma [de vennootschap onder firma] . [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zijn de vennoten van de vof. b. Op 8 november 2011 wilden inspecteurs van het Europese visserij controle agentschap de [vissersvaartuig] (varend onder de naam " [naam] ) controleren op de toepassing van verantwoorde vismethodes conform het Europees visserijbeleid. Het visserschip [vissersvaartuig] bevond zich ten tijde van deze inspectie voor de Belgische kust in de Belgische Exclusieve Economische Zone van de Noordzee. c. Voordat de vistuigen van de [vissersvaartuig] door de betreffende inspecteurs konden worden gecontroleerd, waren deze vistuigen naar de zeebodem verdwenen. De [vissersvaartuig] had niet (meer) de middelen aan boord om deze vistuigen op dat moment zelf weer terug te halen. d. Nadat het vistuig van de [vissersvaartuig] door de Nederlandse en Belgische autoriteiten was opgehaald, bleek dat in het vistuig verboden binnenkuilen waren aangebracht. e. HVG heeft bij brief van 23 november 2011 [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de kosten in verband met het boven water halen van voormelde vistuigen van het aan [geïntimeerde] toebehorende visserschip [vissersvaartuig] en haar tevergeefs tot betaling daarvan aangesproken. Deze kosten zijn in de bij deze brief gevoegde factuur afzonderlijk aan [geïntimeerde] in rekening gebracht (€ 14.257,62). 3.2.1. Bij inleidende dagvaarding van 18 juni 2014 heeft HVG, kort samengevat, gevorderd [geïntimeerde] hoofdelijk te veroordelen aan HVG te betalen een bedrag van € 14.257,62 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011, althans vanaf 18 juni 2014, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten. 3.2.2. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.3.1. In het eindvonnis van 22 april 2015 heeft de kantonrechter de vordering van HVG afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. 3.4. HVG heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. HVG heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 1° «zeegebieden» : de territoriale zee, de exclusieve economische zone en het continentaal plat, bedoeld in de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België; (…) 5° «verontreiniging» : de rechtstreekse of onrechtstreekse inbrenging door de mens van stoffen en energie in de zeegebieden, die schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid kan hebben, zoals schade aan de levende rijkdommen van de zee en de mariene ecosystemen, gevaar voor de gezondheid van de mens, belemmering van activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere rechtmatige gebruiken van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater of vermindering van de recreatieve waarde; (…) 8° «schip» : elk vaartuig, van welk type of omvang ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder onder meer draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, afzinkbare vaartuigen, drijvende tuigen, alsmede vaste of drijvende platforms; (…) 11° «scheepseigenaar»: de eigenaar de bevrachter, de beheerder of de exploitant van het schip: (…) Art. 4 § 1. De gebruikers van de zeegebieden en de overheid zullen bij het uitvoeren van hun activiteiten in de zeegebieden rekening houden met het beginsel van het preventief handelen, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het duurzaam beheer het beginsel dat de vervuiler betaalt en het herstelbeginsel. (…) § 5. Het beginsel de vervuiler betaalt betekent dat de kosten voor maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging en voor het herstellen van schade voor rekening van de vervuiler zijn. § 6. Het herstelbeginsel impliceert bij schade of milieuverstoring in de zeegebieden het mariene milieu in de mate van het mogelijke wordt hersteld in de oorspronkelijke toestand. Art. 5. Elke persoon die in de zeegebieden een activiteit uitoefent, heeft de verplichting de nodige voorzorgen te nemen ter voorkoming van schade en milieuverstoring. In het bijzonder heeft de scheepseigenaar de verplichting alle nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om verontreiniging te voorkomen en te beperken. (…) Art 34. De overheid met bevoegdheid op zee kan het voorstel aanvaarden van de veroorzaker van een verontreiniging om zijn eigen interventiemiddelen te ontplooien teneinde het hoofd te bieden aan de verontreiniging of de effecten ervan te verminderen of te voorkomen. In dit geval, geeft zij geval per geval de toestemming voor het gebruik van de voorgestelde interventiemethodes. De overheid met bevoegdheid op zee blijft belast met de coördinatie van de interventie ter plaatse en houdt toezicht op de operaties. Haar beslissing ontslaat de veroorzaker van een verontreiniging niet van zijn aansprakelijkheid inzake de vergoeding van de kosten van de veroorzaakte schade. (…) Art. 37. § 1. Elke schade en elke milieusverstoring die de zeegebieden aantast ten gevolge van een ongeval of een inbreuk op de van kracht zijnde wetgeving, brengt voor diegene die de schade of milieuverstoring heeft veroorzaakt, de verplichting mee deze te herstellen, zelfs al heeft hij geen fout begaan. Art. 38. De kosten van de te herstellen schade bij verontreiniging omvat ook de kosten gedragen door de overheid en de personen die op haar verzoek tussenkwamen, voor het nemen van maatregelen ter voorkoming, beperking, vrijwaring, bescherming en bestrijding van verontreiniging of een dreigende verontreiniging van het mariene milieu. (…) Art. 56. (…) § 2. De rechtspersonen, en in het bijzonder de scheepseigenaar, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de verplichtingen van hun organen, die voortvloeien uit de toepassing van artikel 37. 3.9. HVG legt subsidiair, kort samengevat, naast de vaststaande feiten onder meer het volgende aan haar vordering ten grondslag. De [vissersvaartuig] is een "schip" in de zin van art. 2 sub 8° van de Wet ter bescherming van het mariene milieu. Er is in dit geval sprake van een door de [vissersvaartuig] veroorzaakte "verontreiniging" in de zin van art. 2. su Het hof constateert dat [geïntimeerde] op zichzelf niet bestrijdt dat op haar ingevolge art. 37 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu de verplichting rust om de door haar veroorzaakte schade en/of milieuverstoring te herstellen. Het herstelbeginsel impliceert dat bij schade of milieuverstoring in de zeegebieden het mariene milieu in de mate van het mogelijke wordt hersteld in zijn oorspronkelijke toestand (art. 4 § 6 van voornoemde wet). Op grond van art. 56 § 2 juncto art. 37 en 38 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu is [geïntimeerde] als scheepseigenaar aansprakelijk voor de kosten van het herstel van de door de kapitein van de [vissersvaartuig] veroorzaakte schade. 3.14. Voor zover [geïntimeerde] aanvoert dat zij doende was met (de uitvoering van) het herstel van de door haar veroorzaakte schade, althans milieuverstoring, maar dat aan haar geen redelijke termijn werd geboden de vistuigen zelf op te dreggen, overweegt het hof als volgt. Ingevolge art. 34 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu, kan (cursivering, hof) de overheid met bevoegdheid op zee het voorstel aanvaarden van de veroorzaker van een verontreiniging om zijn eigen interventiemiddelen te ontplooien teneinde het hoofd te bieden aan de verontreiniging of de effecten ervan te verminderen of te voorkomen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de bevoegde overheid om in te gaan op een voorstel van de veroorzaker van de verontreiniging ( [geïntimeerde] ) en niet om een verplichting; laat staan om een schadebeperkingsverplichting. In het licht van art. 34 voornoemd, had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen om aan de bevoegde overheid een concreet en gelet op het mogelijke gevaar voor overige schepen op korte termijn uitvoerbaar voorstel te doen om de vistuigen zelf op te dreggen. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij dit heeft gedaan noch is dit gebleken uit de stukken . Nu niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] een voorstel heeft gedaan aan de bevoegde overheid om de vistuigen zelf boven water te halen, is evenmin komen vast te staan dat dit voorstel door de bevoegde overheid is aanvaard. In het verlengde van het voorgaande komt het hof niet toe aan de vraag of [geïntimeerde] , zoals zij aanvoert, een redelijke termijn zou moeten worden gegund bij het zelf boven water halen van de vistuigen. 3.15. HVG heeft de kosten, die zij heeft gemaakt in verband met het boven water halen van de vistuigen van de [vissersvaartuig] aan [geïntimeerde] in rekening gebracht bij factuur van 23 november 2011. Op deze factuur staat als omschrijving vermeld: "inzet [schip] op 8 en 9 november 2011 (19 uur 30 aan € 731,16 euro/uur)", hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 14.257,62. 3.16. [geïntimeerde] heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat de [schip] van HVG heeft geassisteerd bij de bergingsoperatie van de vistuigen van [vissersvaartuig] . 3.17. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Uit het door HVG overgelegde proces-verbaal [nummer] van de Vlaamse overheid blijkt, zoals HVG terecht stelt, dat haar schip de [schip] op 8 november 2011 en 9 november 2011 is ingezet bij het aan de oppervlakte krijgen van de vistuigen van de [vissersvaartuig] . Dat de [schip] werkzaamheden heeft verricht bij het boven water halen van de vistuigen van de [vissersvaartuig] wordt daarnaast bevestigd en vindt steun in het proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, waarin is opgenomen dat het Nederlandse kustvaartuig de [kustvaartuig] de opgedregde lijn van de [schip] overneemt (prod. 6 inleidende dagvaarding). Gelet op de inhoud van voormelde processen-verbaal, in onderling verband en samenhang bezien, neemt het hof als vaststaand aan dat de [schip] van HVG is ingezet op 8 en 9 november 2011 bij de bergingsoperatie van de vistuigen van de [vissersvaartuig] . 3.18. Nadat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de gevorderde vergoeding van de kosten van de [schip] /HVG ad € 14.257,62