Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-26
ECLI:NL:GHSHE:2017:4678
Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001479-13 Uitspraak : 26 oktober 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, zitting houdende te Breda, van 12 april 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-996052-05 tegen: [verdachte] , geboren te [verdachte] op [verdachte] 1955, wonende te [woonadres] . Hoger beroep Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 aan hem ten laste is gelegd. De rechtbank heeft hetgeen onder de feiten 2, 3 en 4 steeds primair ten laste is gelegd bewezen verklaard en heeft dat telkens gekwalificeerd als ‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging’. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 186 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een geldboete van € 30.000,00 subsidiair 185 dagen hechtenis. Namens de verdachte en door de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 2 september 2014, 22 november 2016, 21 februari 2017, 30 mei 2017 en 22 september 2017, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 april 2011, 21 september 2011, 20 juni 2012 en 13 maart 2013. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, hetgeen onder de feiten 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste is gelegd bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 186 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een geldboete van € 30.000,00 subsidiair 185 dagen hechtenis. De raadslieden van de verdachte hebben primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is verzocht om dezelfde straf op te leggen als de rechtbank heeft gedaan. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1.[dochtermaatschappij A B.V.] , verder te noemen 'de B.V.', in elk geval een of meer rechtsperso(o)n(en), op of omstreeks 6 maart 2001, in elk geval op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 6 februari 2001 tot en met 9 april 2001 in de gemeente 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar en/of met een of meer ander(en), althans alleen, een Purchase Agreement / koopcontract tussen [Montenegrijnse vennootschap DI d.o.o.] als seller / verkoper en de B.V. als purchaser / koper (D-A002) – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers hebben/heeft de B.V., in elk geval een of meer rechtsperso(o)n(en), tezamen en in vereniging met elkaar en/of met (een of meer van) haar/hun mededader(s), valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in die/dat Purchase Agreement / koopcontract voornoemd vermeld, althans doen of laten vermelden - da het (nog te ontwerpen, te bouwen, op te richten en op te leveren) vakantieresort Jaz Baai nabij Budva in Montenegro, Republiek Joegoslavië, verkoopt voor een voorlopige verkoopprijs van 119 miljoen euro exclusief belastingen en andere eventuele kosten die mogelijk zullen ontstaan, maar waarvoor de definitieve vergoeding wordt vastgesteld binnen 6 maanden na voltooiing van dat vakantieresort, waarvan het transport zal plaatsvinden na de turnkey-afronding door [Montenegrijnse vennootschap DI d.o.o.] voornoemd, maar niet later dan 31 december 2003 en/of - dat [Montenegrijnse vennootschap DI d.o.o.] het vakantieresort realiseert in een samenwerkingsverband met de plaatselijke autoriteiten die verplicht zijn om het land dat noodzakelijk is voor het realiseren van het vakantieresort ter beschikking te stellen aan dat samenwerkingsverband, zulks terwijl in werkelijkheid sprake was van een schijnovereenkomst tussen voornoemde seller / verkoper en purchaser / koper, als zouden zij over en weer voornoemde verplichtingen zijn aangegaan en/of terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een samenwerkingsverband met de plaatselijke autoriteiten als voornoemd en/of terwijl in werkelijkheid de plaatselijke autoriteiten voornoemd geen verplichting hadden om het land dat noodzakelijk is voor het realiseren van het vakantieresort ter beschikking te stellen aan dat samenwerkingsverband voornoemd, teneinde de Belastingdienst te doen geloven dat de B.V. een investeringsovereenkomst is aangegaan als voornoemd, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 9 april 2001, in elk geval op enig tijdstip in of omstreeks de maand april 2001 in de gemeente 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [dochtermaatschappij A B.V.] , althans met een of meer rechtsperso(o)n(en), in elk geval met een of meer ander(en), als degene(n) die ingevolge de Belastingwet verplicht was/waren tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft/hebben gesteld, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft/hebben hij verdachte en [dochtermaatschappij A B.V.] , althans een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of (een of meer van) hun mededader(s), – zakelijk weergegeven – aan [belastingambtenaar 1] , controlerend ambtenaar van de Belastingdienst, een vals(e) en/of vervalste Purchase Agreement / koopcontract tussen [Montenegrijnse vennootschap DI d.o.o.] als seller / verkoper en de B.V. als purchaser / koper (D-A002) ter beschikking gesteld, welke valsheid en/of vervalsing hierin bestond dat in die/dat Purchase Agreement / koopcontract voornoemd wordt vermeld - dat [Montenegrijnse vennootschap DI d.o.o.] aan de B.V. het (nog te ontwerpen, te bouwen, op te richten en/of op te leveren) vakantieresort Jaz Baai nabij Budva in Montenegro, Republiek Joegoslavië, verkoopt voor een voorlopige verkoopprijs van 119 miljoen euro exclusief belastingen en andere eventuele kosten die mogelijk zullen ontstaan, maar waarvoor de definitieve vergoeding wordt vastgesteld binnen 6 maanden na voltooiing van dat vakantieresort, waarvan het transport zal plaatsvinden na de turnkey-afronding door [Montenegrijnse vennootschap DI d.o.o.] voornoemd, maar niet later dan 31 december 2003 en/of - dat [Montenegrijnse vennootschap DI d.o.o.] het vakantieresort realiseert in een samenwerkingsverband met de plaatselijke autoriteiten die verplicht zijn om het land dat noodzakelijk is voor het realiseren van het vakantieresort ter beschikking te stellen aan dat samenwerkingsverband, zulks terwijl in werkelijkheid sprake was van een schijnovereenko en/of (een of meer van) haar mededader(s), opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren, – zakelijk weergegeven – - in kolom 7 (wijziging in toelaatbare reserves) onder 7d van voornoemde aangifte in de ruimte, bestemd voor het invullen van een bedrag aan onttrekking herinvesteringsreserve, een bedrag groot 24.456.521,- euro vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat bedrag aan onttrekking herinvesteringsreserve in werkelijkheid lager was dan vermeld en/of - in kolom 12 (belastbaar bedrag) onder 12c van voornoemde aangifte in de ruimte, bestemd voor het invullen van het belastbare bedrag nihil (0) heeft vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat belastbare bedrag in werkelijkheid hoger was dan vermeld aan en/of - in kolom 15 (voorheffingen) onder 15d in de ruimte, bestemd voor het invullen van het belastingbedrag (het bedrag van de belasting over 2002), nihil (0) heeft vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat belastingbedrag in werkelijkheid hoger was dan vermeld, in elk geval een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 oktober 2004 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [dochtermaatschappij B B.V.] en/of een of meer anderen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het kalenderjaar 2002 en/of boekjaar 2002/2003, boekjaar 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003 ten name van [dochtermaatschappij B B.V.] (D-A011), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben hij, verdachte en [dochtermaatschappij B B.V.] en/of (een of meer van) hun mededader(s), opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren, – zakelijk weergegeven – - in kolom 7 (wijziging in toelaatbare reserves) onder 7d van voornoemde aangifte in de ruimte, bestemd voor het invullen van een bedrag aan onttrekking herinvesteringsreserve, een bedrag groot 24.456.521,- euro vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat bedrag aan onttrekking herinvesteringsreserve in werkelijkheid lager was dan vermeld en/of - in kolom 12 (belastbaar bedrag) onder 12c van voornoemde aangifte in de ruimte, bestemd voor het invullen van het belastbare bedrag nihil (0) heeft vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat belastbare bedrag in werkelijkheid hoger was dan vermeld en/of - in kolom 15 (voorheffingen) onder 15d in de ruimte, bestemd voor het invullen van het belastingbedrag (het bedrag van de belasting over 2002), nihil (0) heeft vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat belastingbedrag in werkelijkheid hoger was dan vermeld, in elk geval een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven; 3.[dochtermaatschappij C B.V.] , verder te noemen 'de B.V.', op of omstreeks 13 oktober 2004 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het kalenderjaar 2002 en/of boekjaar 2002/200 en/of (een of meer van) haar mededader(s) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren, – zakelijk weergegeven – - in kolom 7 (wijziging in toelaatbare reserves) onder 7d van voornoemde aangifte in de ruimte, bestemd voor het invullen van een bedrag aan onttrekking herinvesteringsreserve, een bedrag groot 14.312.124,- euro vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat bedrag aan onttrekking herinvesteringsreserve in werkelijkheid lager was dan vermeld en/of - in kolom 12 (belastbaar bedrag) onder 12c van voornoemde aangifte in de ruimte, bestemd voor het invullen van het belastbare bedrag -/- 519.732,- euro vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat belastbare bedrag in werkelijkheid hoger was dan vermeld en/of - in kolom 15 (voorheffingen) onder 15d in de ruimte, bestemd voor het invullen van het belastingbedrag (het bedrag van de belasting over 2002), nihil (0) vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat belastingbedrag in werkelijkheid hoger was dan vermeld, in elk geval een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 13 oktober 2004 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [dochtermaatschappij C B.V.] en/of een of meer anderen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het kalenderjaar 2002 en/of boekjaar 2002/2003, boekjaar 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003 ten name van [dochtermaatschappij C B.V.] (D-A012), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers hebben hij, verdachte en [dochtermaatschappij C B.V.] en/of (een of meer van) hun mededader(s), opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren, – zakelijk weergegeven – - in kolom 7 (wijziging in toelaatbare reserves) onder 7d van voornoemde aangifte in de ruimte, bestemd voor het invullen van een bedrag aan onttrekking herinvesteringsreserve, een bedrag groot 14.312.124,- euro vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat bedrag aan onttrekking herinvesteringsreserve in werkelijkheid lager was dan vermeld en/of - in kolom 12 (belastbaar bedrag) onder 12c van voornoemde aangifte in de ruimte, bestemd voor het invullen van het belastbare bedrag -/- 519.732,- euro vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat belastbare bedrag in werkelijkheid hoger was dan vermeld en/of - in kolom 15 (voorheffingen) onder 15d in de ruimte, bestemd voor het invullen van het belastingbedrag (het bedrag van de belasting over 2002), nihil (0) vermeld, althans doen of laten vermelden, zulks terwijl dat belastingbedrag in werkelijkheid hoger was dan vermeld, in elk geval een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven; 4.[dochtermaatschappij E B.V.] , verder te noemen 'de B.V.', op of omstreeks 18 december 2003 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het kalenderjaar 2001 en/of boekjaar 2001/2003, boekjaar 1 juni De rechtspersoon [dochtermaatschappij A B.V.] is pleger van het feit, nu de desbetreffende gedraging, te weten het opzettelijk opmaken van de valse overeenkomst, redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend. Het opmaken van de overeenkomst past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en is voorts door haar aanvaard, nu zij contractspartij is bij die overeenkomst. De verdachte was middellijk bestuurder van [dochtermaatschappij A B.V.] , namelijk als directeur van [moedermaatschappij N.V.] , de moedermaatschappij van [dochtermaatschappij A B.V.] In die hoedanigheid had hij zeggenschap over [dochtermaatschappij A B.V.] De advocaat-generaal heeft zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat de verdachte in zijn hoedanigheid van controller binnen de [concernnaam] -groep op de hoogte was van de financiële positie van de onder de moedermaatschappij vallende dochterondernemingen. De verdachte kende het financieel-fiscale belang van tijdige herinvestering en wist dat de fiscus het project Montenegro niet als afboeking op de herinvesteringsreserves accepteerde. Voordat de verdachte de overeenkomst aan de fiscus verstrekte had het op zijn weg gelegen om deze overeenkomst grondig te bestuderen. De verdachte zou dan volgens de advocaat-generaal bemerkt hebben dat de summiere opzet van het document in geen verhouding stond tot het achterliggende financiële belang en dat andere concrete stukken of aanwijzingen dat het om een serieus project ging nauwelijks bestonden. Als registeraccountant en hoogste financiële man binnen het vastgoedconcern [concernnaam] had de verdachte zich veel kritischer moeten opstellen. Door zich niet te vergewissen van het realiteitsgehalte van de overeenkomst van 6 maart 2001 heeft de verdachte zich – in de visie van het Openbaar Ministerie – willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de fiscus een valse overeenkomst verstrekte om aan te tonen dat aan een herinvesteringsverplichting was voldaan. De verdachte heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat hij niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. Hij heeft in maart 2001 kennis van het bestaan ervan gekregen. Op instigatie van [medeverdachte 1] heeft de verdachte de overeenkomst opgenomen in de administratie. De verdachte stelt op dat moment geen reden te hebben gehad om te twijfelen aan de echtheid van de overeenkomst. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zeiden tegen hem dat zij bij een Montenegrijnse minister waren geweest en dat zij een toezegging hadden gekregen over de beschikbaarheid van de (naar het hof begrijpt: in de overeenkomst bedoelde) grond. De verdachte zag de overeenkomst als een raamovereenkomst die nog nadere uitwerking behoefde. Hij wist niet zo goed aan welke eisen de overeenkomst voor de Belastingdienst moest doen. De contacten met de Belastingdienst werden volgens de verdachte met name door [medeverdachte 1] verzorgd. De verdachte had een uitvoerende rol, in de zin dat hij ervoor moest zorgen dat de Belastingdienst de beschikking kreeg over de benodigde stukken. Met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken was bij het opmaken van de koopovereenkomst van 6 maart 2001. Evenmin is komen vast te staan dat hij betrokken was bij de fase voorafgaand aan het opmaken van de overeenkomst en dat hij werkzaamheden verrichtte ten behoeve van het project. Als financieel directeur heeft de verdachte in dat verband enkel administratieve handelingen verricht of laten verrichten. Bij die stand van zaken kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het opmaken van de overeenkomst op 6 maart 2001 wetenschap had van de intellectuele valsheid van de overeenkomst, waardoor hij niet als feitelijk leiddinggever aan of opdrachtgever van het opmaken van die overeenkomst kan worden aangemerkt. De vervolgvraag waarvoor het ho [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] hebben bij overeenkomst van 20 maart 2003 de rechten en verplichtingen ten aanzien van het project Montenegro van [concernnaam] Sales and Lease Back Company B.V. overgenomen. Gelet daarop heeft zowel [dochtermaatschappij B B.V.] als [dochtermaatschappij C B.V.] terecht een bedrag van respectievelijk € 24.456.521,00 en € 14.312.124,00 aan de herinvesteringsreserve onttrokken. De in kolom 7d van de aangifte vermelde bedragen zijn dus niet onjuist, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard. Dat geldt temeer omdat een onttrekking het gevolg is van ofwel de vrijval van de herinvesteringsreserve, ofwel van een afboeking vanwege een herinvestering, welke bedragen steeds identiek (en dus niet lager dan in werkelijkheid) kunnen zijn. Nu beide vennootschappen de rechten en verplichtingen die uit de overeenkomst van 6 maart 2001 voortvloeien hebben overgenomen bij overeenkomst van 20 maart 2003, vormt de investeringsverplichting in het project Montenegro een investering die voldoende bepaalbaar is. Uit de bewijsmiddelen volgt in de visie van de verdediging dan ook niet, althans niet zonder meer, dat onjuiste aangiften vennootschapsbelasting over het boekjaar 2002/2003 zijn gedaan. Subsidiair, mocht het hof oordelen dat wel sprake is van onjuiste aangiften, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat de aangiften zijn gebaseerd op een pleitbaar standpunt. De overeenkomst van 6 maart 2001 zou immers een bindende obligatoire overeenkomst zijn die – naar objectieve maatstaven gemeten – tot verplichtingen leidde, waardoor de herinvesteringsreserve kon worden aangewend. Dit vindt volgens de raadslieden zijn ondersteuning in het feit dat prof. [naam adviseur] , deskundige bij uitstek op het terrein van herinvesteringsreserves, dezelfde mening was toegedaan. Meer subsidiair, indien het hof mocht oordelen dat ook geen sprake is van een pleitbaar standpunt, is naar voren gebracht dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het indienen van onjuiste aangiften en dat hij evenmin als feitelijk leidinggever of medepleger kan worden aangemerkt, omdat het wettig bewijs daarvoor tekort schiet. C. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De verdachte staat ingevolge hetgeen onder de feiten 2 en 3 aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van (het feitelijk leidinggeven aan) het opzettelijk doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting door [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] Het hof overweegt over de betrokkenheid van de verdachte bij het doen van beide aangiften het volgende. C.1 Concernstructuur en bestuur De [concernnaam] - of [concernnaam] is opgericht door medeverdachte [medeverdachte 2] en was gevestigd aan de [vestigingsadres concern] te ’s-Hertogenbosch. Aan de top van de groep stond [topholding N.V.] waarvan alle aandelen in handen waren van de echtgenote van [medeverdachte 2] , te weten [echtgenote medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] was directeur van [topholding N.V.] van 1 januari 1999 tot 1 februari 2005. Zijn broer [medeverdachte 1] was directeur van [topholding N.V.] van 1 april 1993 tot 30 juni 2004. [topholding N.V.] had een aantal dochtervennootschappen waarvan zij voor 100% de aandelen hield. Daaronder bevond zich [moedermaatschappij N.V.] met als directeuren medeverdachte [medeverdachte 1] (van 1 april 1994 tot 28 maart 2003) en verdachte [verdachte] (van 15 oktober 2000 tot 28 maart 2003). [verdachte] was van 1 juni 1997 tot 15 oktober 2000 adjunct-directeur van [moedermaatschappij N.V.] [moedermaatschappij N.V.] had eveneens enkele dochtermaatschappijen waarvan zij voor 100% de aandelen hield. Daaronder bevonden zich [dochtermaatschappij A B.V.] , [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] De bestuurders van [dochtermaatschappij A B.V.] waren [moedermaatschappij N.V.] , [dochtermaatschappij B B.V.] en sinds 2 maart 2005 medeverdachte [medeverdachte 2] . Als bestuurder van [do Op 13 oktober 2004 is door [dochtermaatschappij C B.V.] bij de inspecteur der rijksbelastingen te Eindhoven een aangifte vennootschapsbelasting ingediend over het boekjaar 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003. Uit de aangifte , specificatie bij de aangifte en grootboekkaart over genoemd boekjaar maakt het hof op dat in het bedrag van € 14.312.124,00 aan onttrekking herinvesteringsreserve dat in de aangifte is vermeld, het project Montenegro is verwerkt. De verdachte is registeraccountant en was hoofd boekhouding van de [concernnaam] -groep. Hij is begonnen bij [dochtermaatschappij B B.V.] Later is hij (financieel) directeur geworden van [moedermaatschappij N.V.] , de moedermaatschappij van [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in dit verband verklaard dat onder meer [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] van bovenaf werden bestuurd door medeverdachte [medeverdachte 2] , de verdachte [verdachte] en hemzelf. De koopovereenkomst van 20 maart 2003 is verwerkt in de aangiften vennootschapsbelasting van [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij deze aangiften herkent en dat hij deze aangiften heeft ondertekend. Hij heeft de aangiften ingevuld aangeleverd gekregen door de verdachte. Belastingadviseur [naam adviseur] heeft voorts verklaard dat hij met de verdachte heeft gesproken over de kosten van [directeur DI d.o.o.] voor het project Montenegro en dat de verdachte alle fiscale aangiften deed van de [concernnaam] -groep. Het hoofd van de administratie van de [concernnaam] -groep, getuige [hoofd administratie] , heeft verklaard dat hij voor verdachte [verdachte] werkte. De verdachte was volgens [hoofd administratie] de echte financiële man. Verdachte had contacten met de banken, notarissen etc. [hoofd administratie] heeft voorts verklaard: “Alle aangiftes, zoals vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonbelasting werden altijd ondertekend door [verdachte] en ik zorgde vaak voor de verzending. [verdachte] was wel echt bezig met de vervangingsreserve en welke vennootschap nog een vervangingsverplichting had”. [hoofd administratie] mocht het project Montenegro ten laste van de vervangingsreserve boeken en verondersteld dat hij de aangiften vennootschapsbelasting over het boekjaar 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003 van [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] heeft ingevuld. Belastingadviseur [belastingadviseur] van [big four-kantoor] heeft verklaard dat binnen de [concernnaam] -groep de verdachte het aanspreekpunt was met betrekking tot de aangiften vennootschapsbelasting. De Belastingdienst heeft bij brief van 4 juli 2002 aan [moedermaatschappij N.V.] , ter attentie van medeverdachte [medeverdachte 1] , kenbaar gemaakt dat de onttrekkingen van de vervangingsreserves ter zake van het project Montenegro niet aan de voorwaarden ex artikel 14 (oud) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voldoen en daarom volledig aan de winsten van de betreffende vennootschappen (het hof begrijpt: [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] ) in het boekjaar 2000/2001 dienen te worden toegevoegd. [moedermaatschappij N.V.] heeft per brief van 15 oktober 2002 op deze brief van de Belastingdienst gereageerd. De brief is ondertekend door medeverdachte [medeverdachte 1] . Het hof leidt hieruit af dat de [concernnaam] -groep wetenschap had van het feit dat de Belastingdienst het Montenegro-project niet als vervangende investering accepteerde. Desondanks hebben [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] de valse overeenkomst van 20 maart 2003 gebruikt in de aangiften vennootschapsbelasting over het boekjaar 2002/2003 en zijn de herinvesteringsreserves in casu afgeboekt op de vervangende investering. Het hof acht het zeer aannemelijk dat de verdachte, gelet op zijn functie als financieel directeur en gelet op onder andere de verklaringen van med Indien hij dat wel zou hebben gedaan – waartoe hij gelet op zijn taak als financieel directeur binnen het [concernnaam] -concern redelijkerwijs gehouden was – dan zou hij ten laatste in december 2003 tot de conclusie moeten zijn gekomen dat de overeenkomst van 6 maart 2001 en daarmee die van 20 maart 2003 intellectueel vals waren. In dit verband heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ook zelf erkend dat hij ten aanzien van de overeenkomsten inzake het project Montenegro beter had moeten doorvragen en kritischer had moeten zijn. Naar bestendige jurisprudentie is aan het strekkingsvereiste voldaan indien de gedraging naar haar aard en in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. De te geringe heffing dient op grond van algemene ervaringsregels naar redelijke verwachting waarschijnlijk te zijn. Het strekkingsvereiste dient dus naar objectieve maatstaven te worden ingevuld, waarbij geen plaats is voor een subjectief oogmerk van de verdachte tot benadeling van de fiscus. In het onderhavige geval is sprake van vennootschappen die een herinvesteringsreserve hebben gevormd. Zij hebben het bedrag van die reserve afgeboekt op een vermeende vervangende investering. Dat leidt ertoe dat de boekwaarde van dat vervangende bedrijfsmiddel wordt verlaagd tot de kostprijs minus het bedrag van de afboeking op de herinvesteringsreserve. Dat heeft gevolgen voor de jaarlijkse fiscale afschrijving – die in het algemeen lager wordt dan zij zou zijn op basis van de kostprijs – en voor de te belasten winst bij vervreemding van het bedrijfsmiddel, omdat die winst het verschil is tussen de verkoopopbrengst en de fiscale boekwaarde. Over die winst en daarmee ook over het bedrag van de afgeboekte herinvesteringsreserve hoeft pas te worden afgerekend bij vervreemding van het vervangende bedrijfsmiddel. Toepassing van de herinvesteringsreserve leidt in het algemeen dus niet tot afstel van belastingheffing maar tot uitstel. Daarmee leidt de toepassing wel tot belastingnadeel voor de Staat der Nederlanden in de jaren waarover het uitstel zich uitstrekt. Mitsdien is aan het strekkingsvereiste voldaan. De rechtspersonen [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] kunnen als normadressaten van het kwaliteitsdelict van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden aangemerkt. Het indienen van deze aangiften vennootschapsbelasting kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs aan deze rechtspersonen worden toegerekend nu deze gedragingen zich in de sfeer van die rechtspersonen hebben voorgedaan. De gedragingen passen immers in de normale bedrijfsvoeringen en zijn de vennootschappen dienstig geweest in het door hen uitgeoefende bedrijf. Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen was de verdachte betrokken bij de verwerking van de overeenkomst van 20 maart 2003 in de aangiften vennootschapsbelasting van [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] De verdachte [verdachte] was als financieel directeur binnen de [concernnaam] -groep verantwoordelijk voor de aangiften vennootschapsbelasting. Door zijn opleiding tot registeraccountant bezat hij ook ter zake relevante kennis. Hij heeft evenwel nagelaten om te controleren of de overeenkomsten van 6 maart 2001 en 20 maart 2003 de werkelijkheid weerspiegelden en of het project Montenegro als vervangende investering in de aangiften was opgenomen. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte, wetende dat de fiscus het project niet als vervangende investering accepteerde, ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] beide een aangifte voor de vennootschapsbelasting zouden indienen waarin het project Montenegro was verwerkt. Het opzet van de verdachte was daar, ten minste in voorwaardelijke zin, op gericht. Dat opzet kan aan beide vennootschappen worden toegerekend. De vervolgvraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of de verdac De in dit verband door het Openbaar Ministerie bij appelmemorie opgeworpen stelling dat geen rekening kan worden gehouden met de compensabele verliezen in de aangiften, omdat deze al in eerdere jaren zouden zijn verrekend, maakt dat niet anders. Immers, pas ruim nadat de aangiften vennootschapsbelasting waren ingediend heeft de inspecteur der rijksbelastingen de compensabele verliezen gecorrigeerd. Een motivering voor die correcties ontbreekt en die motivering is evenmin uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen. Bovenal is het hof van oordeel dat met deze achteraf gedane correcties door de fiscus geen rekening kan worden gehouden, nu het hof bij de beoordeling of het onder feiten 2 en 3 ten laste gelegde bewezen kan worden, slechts feiten en omstandigheden in zijn oordeel kan betrekken voor zover die respectievelijk op 11 oktober 2004 en 13 oktober 2004 bekend waren. Ten slotte ligt de vraag voor of kolom 7 van de aangiften vennootschapsbelasting onjuist is ingevuld, gelijk de rechtbank bewezen heeft verklaard. Het hof wijst daartoe op het volgende. Ingevolge hetgeen hiervoor onder C.2 is overwogen, vielen de herinvesteringsreserves vrij en hadden deze aan de belastbare winst moeten worden toegevoegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat voor zowel [dochtermaatschappij B B.V.] als [dochtermaatschappij C B.V.] de eigen vierjaarstermijn voor vervangende investeringen dreigde te verlopen , waardoor ook daadwerkelijk de herinvesteringsreserves vrij zouden vallen en dientengevolge onttrekkingen ten behoeve van de fiscale winst zouden moeten volgen. De herinvesteringsreserves zijn in casu echter afgeboekt op de vervangende investering, te weten het project Montenegro. In zowel het geval van een afboeking op een vervangende investering als een afboeking ten behoeve van de fiscale winst is sprake van een onttrekking aan de herinvesteringsreserve. Elk van deze onttrekking dient in kolom 7 onder 7d te worden vermeld. Deze bedragen zijn steeds identiek. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat het in de aangiften aan onttrekking herinvesteringsreserve vermelde bedrag in werkelijkheid lager – en daarmee onjuist – was. De onjuistheid bij het doen van zowel de aangifte van [dochtermaatschappij B B.V.] als [dochtermaatschappij C B.V.] zit in het feit dat beide vennootschappen, ondanks dat zij geen kwalificerende vervangende investering hadden en de termijn voor het mogen handhaven van de herinvesteringsreserve afliep, hebben nagelaten om de aldus vrijvallende herinvesteringsreserve toe te voegen aan de belastbare winst. Het bedrag van de te laag opgegeven belastbare winst is terug te vinden in kolom 20 van beide aangiften. Dat de onjuistheid van het handelen daarin zou bestaan, is evenwel niet ten laste gelegd. D. Bij die stand van zaken kan de ten laste gelegde onjuistheid van de aangiften van [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] niet wettig en overtuigend worden bewezen. Mitsdien zal de verdachte van het onder de feiten 2 en 3 ten laste gelegde worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 4.[dochtermaatschappij E B.V.] , verder te noemen 'de B.V.', op 18 december 2003 in de gemeente Eindhoven, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het boekjaar 1 juni 2001 tot en met 31 maart 2003 ten name van de B.V., onjuist heeft gedaan, immers heeft de B.V. opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemd jaar, – zakelijk weergegeven – in de kolom betreffende 'fiscale winstberekening' onder 18b (afschrijving bedrijfsgebouwen en -terreinen) in (de specificatie bij) voornoemde aangifte onder 'willekeurige afschrijving Beek' een Verdachte [verdachte] verzorgde vanuit de [concernnaam] -groep de administratie van [dochtermaatschappij E B.V.] Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [dochtermaatschappij E B.V.] zijn ‘kindje’ was en dat hij zich daarmee dan ook bezig hield. [dochtermaatschappij E B.V.] heeft een beroep gedaan op de willekeurige afschrijvingsregeling van artikel 3.34 (oud) van de Wet inkomstenbelasting 2001. Die regeling gold enkel voor nieuw gebouwde panden die voorafgaand aan de investering nog niet in gebruik waren genomen. De willekeurige afschrijving in de onderhavige zaak had betrekking op een pand aan de [adres aangekochte pand] te Beek. Dit kantoorgebouw is op 17 september 2002 bij notariële akte geleverd. De verkoper was [dochtermaatschappij F B.V.] , vertegenwoordigd door [directeur vastgoed dochtermaatschappij F B.V.] en medeverdachte [medeverdachte 2] als bestuurder van [dochtermaatschappij B B.V.] De koper was [dochtermaatschappij E B.V.] In deze akte staat onder artikel 2, derde lid, dat het verkochte pand wordt aanvaard verhuurd zijnde aan [huurder] en dat [huurder] het verkochte met ingang van 5 juli 2002 in gebruik heeft genomen. Dat laatste is door [huurder] bij brief van 6 augustus 2002 aan de Belastingdienst bevestigd. Op 18 december 2003 is door [dochtermaatschappij E B.V.] bij de inspecteur der rijksbelastingen te Eindhoven een aangifte vennootschapsbelasting ingediend over het boekjaar 1 juni 2001 tot en met 31 maart 2003. De aangifte is ondertekend op 15 december 2003 door [directeur dochtermaatschappij E B.V.] , directeur van [dochtermaatschappij E B.V.] In de opgaaf bij deze aangifte staat in kolom 18 inzake afschrijvingen, onder 18b (Bedrijfsgebouwen en -terreinen) een bedrag van € 9.250.545,00 genoteerd. Dit bedrag is vervolgens verwerkt in kolom 21 onder ‘Saldo fiscale winstberekening’ , welk saldo vervolgens in de aangifte in kolom 1 (Fiscale winst) onder 1h is opgenomen. In de specificatie bij deze aangifte is in de kolom Fiscale winstberekening onder 18b vermeld dat voornoemd bedrag van € 9.250.545,00 is opgebouwd uit een bedrag van € 4.239.962,00 aan reguliere afschrijving en een bedrag van € 5.010.583,00 aan willekeurige afschrijving te Beek. In een nadere specificatie is vermeld dat die willekeurige afschrijving betrekking heeft op een bedrijfsmiddel gelegen aan de [adres aangekochte pand] te Beek. In de periode voorafgaand aan het indienen van deze aangifte is tussen [dochtermaatschappij E B.V.] en de Belastingdienst gecorrespondeerd over toepassing van de willekeurige afschrijvingsfaciliteit. De verdachte heeft namens [dochtermaatschappij E B.V.] een formulier ‘Melding willekeurige afschrijving nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten’ ondertekend te ’s-Hertogenbosch en dit formulier vervolgens bij het Bureau investeringsregelingen en willekeurige afschrijving van de Belastingdienst ingediend. Dat formulier vermeldt dat [dochtermaatschappij E B.V.] , met als contactpersoon [verdachte] , een kantoorpand met als locatie ‘ [huurder] , [adres aangekochte pand] , 6199 AE Beek’ heeft aangeschaft met als aanschaffingskosten € 10.357.793,00, datum aangaan van de investeringsverplichting 17 september 2002 en datum (vermoedelijke) ingebruikneming van het bedrijfsmiddel 18 september 2002. De begeleidende brief is gedateerd op 10 december 2002. De melding met begeleidende brief is per faxbericht toegestuurd. Op het voorblad van het faxbericht is door verdachte [verdachte] vermeld: ‘In vervolg op ons telefonisch gesprek van zojuist’. Blijkens het zogenaamde ‘verzend controle rapport’ is dit faxbericht op 8 januari 2003 te 14.03 uur verzonden naar het Bureau investeringsregelingen en willekeurige afschrijving. Het faxbericht is door de Belastingdienst ontvangen , hetgeen ook naar voren komt uit de omstandigheid dat op het voorblad dat per fax bij de Belastingdienst is ingekomen is vermeld ‘morgen bellen’ met daaronder een pijl met vermelding ’09-01-03’ en voorts dat onderaan het voorblad de faxdatum ‘08/01 Het hof is van oordeel dat artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een regeling is waarmee is beoogd een op de praktijk toegesneden uitvoerbare uitwerking van de willekeurige afschrijvingsregeling mogelijk te maken. Aldus treft het verweer geen doel. Voorts vindt het hof dat de verdachte geen geslaagd beroep toekomt op een pleitbaar standpunt. Het hof overweegt daartoe als volgt. Belastingadviseur [belastingadviseur] van [big four-kantoor] heeft bij faxbericht van 5 september 2002 het volgende aan [moedermaatschappij N.V.] t.a.v. de heer [medeverdachte 1 of 2] bericht: ‘(…) nu de onroerende zaak al in gebruik is genomen, er in principe voor [dochtermaatschappij E B.V.] [het hof begrijpt: [dochtermaatschappij E B.V.] ] géén sprake is van een ‘nieuw gebouw’ in de zin van de regeling willekeurige afschrijving. Indien we echter kijken naar de ratio van de regeling en het algemene feitencomplex, denken wij dat [dochtermaatschappij E B.V.] wel degelijk aanspraak zou moeten kunnen maken op de regeling. Wij zullen u hieromtrent morgen even bellen.’ In zijn verhoor door de FIOD heeft deze belastingadviseur verklaard dat [big four-kantoor] zich met betrekking tot de [concernnaam] -groep bezighield met zogenaamde ‘gestileerde vragen’. Daarbij liggen volgens hem vaktechnische vraagstukken ter beantwoording voor, waarbij de feitelijke situatie en de context niet aan de orde zijn. De vraag van de [concernnaam] -groep over de willekeurige afschrijving is slechts beantwoord aan de hand van gegevens die door de [concernnaam] -groep zijn overgelegd, waarbij de belastingadviseur zelf geen onderzoek heeft verricht naar het feitencomplex. Dat komt ook naar voren uit de in voornoemd faxbericht opgenomen zinsnede ‘ [concernnaam] kan ten aanzien van het onderhavige pand – zo begrijpen wij (is door ons niet nader onderzocht) [cursivering hof] – in eerste instantie gebruik maken van de regeling van willekeurige afschrijving’. Voorts heeft belastingadviseur [belastingadviseur] verklaard dat de omstandigheid dat een meldingsformulier niet tijdig is ingediend bij het Bureau investeringsregelingen en willekeurige afschrijving, niet in zijn beantwoording van de vraag over toepassing van de willekeurige afschrijvingsregeling is meegenomen. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de [concernnaam] -groep omtrent de al dan niet fiscaal toelaatbare aspecten van de toepasselijkheid van de willekeurige afschrijvingsregeling geen ondubbelzinnig op het concrete geval toegespitst schriftelijk advies heeft ingewonnen. Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting evenmin gebleken dat elders een dergelijk advies is ingewonnen. Daarbij komt dat de Belastingdienst bij brief van 28 maart 2003 – dus na voormeld faxbericht van 5 september 2002 en voor het doen van de aangifte – aan [moedermaatschappij N.V.] , ter attentie van de verdachte, heeft laten weten dat de melding inzake de willekeurige afschrijvingsregeling niet in behandeling kan worden genomen. Daardoor wist de verdachte dat de fiscus een beroep op de willekeurige afschrijvingsregeling niet zou honoreren. Bij deze stand van zaken kon en mocht de verdachte ten tijde van het doen van de aangifte redelijkerwijs niet menen dat deze juist en volledig was. Mitsdien faalt het dienaangaande gevoerde verweer. In het onderhavige geval heeft [dochtermaatschappij E B.V.] in de aangifte vennootschapsbelasting een beroep gedaan op de willekeurige afschrijvingsregeling als bedoeld in artikel 3.34 (oud) van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het toepassen van deze faciliteit leidt ertoe dat de boekwaarde van het bedrijfsmiddel wordt verlaagd tot de kostprijs minus het bedrag van die vervroegde afschrijving. Dit heeft gevolgen voor de verdere jaarlijkse fiscale afschrijving. Deze wordt immers lager dan zij zou zijn op basis van de kostprijs. De totale afschrijving op het bedrijfsmiddel wordt evenwel niet hoger door toepassing van de faciliteit van de willekeurige afschrijving. Toepassing van willekeurige afschri Aldus acht het hof, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan. Het hof verwerpt de dienaangaande tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straf Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van een aangifte vennootschapsbelasting, door ten onrechte een beroep te doen op de willekeurige afschrijvingsregeling ten aanzien van een onroerende zaak (bedrijfspand) te Beek. De verdachte was (financieel) directeur binnen het [concernnaam] -concern. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren eveneens directeur en/of bestuurder van diverse concernvennootschappen. Hoewel medeverdachte [medeverdachte 2] als initiatiefnemer van het bewezenverklaarde strafbare feit kan worden aangemerkt, neemt dat niet weg dat de verdachte geen verwijt te maken is. Hij heeft op het moment dat de aangifte werd ingediend onvoldoende controle uitgeoefend op de onderliggende stukken. Dat verwijt is echter van een andere orde dan aan het adres van de [medeverdachte 2] kan worden gemaakt. Met zijn handelwijze heeft de verdachte de werking van een nuttig instrument waarmee de continuïteit van bedrijven wordt gewaarborgd ernstig ondermijnd door onterecht een beroep te doen op de willekeurige afschrijvingsregeling, welke regeling beoogt vestiging van bedrijven te bevorderen in regio’s met een economisch zwakke structuur. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 maart 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van de omstandigheid dat de verdachte gehuwd is en dat hij twee niet meer thuis wonende kinderen heeft. Hij kent voorts geen schuldenproblematiek. De verdachte is medevennoot van een accountantskantoor en is voor zijn inkomsten afhankelijk van de accountantswerkzaamheden die hij voor dat kantoor verricht. Voor wat betreft de gezondheidstoestand van de verdachte is naar voren gebracht dat hij met een hoge bloeddruk te kampen heeft. Bij de straftoemeting heeft het hof gelet op het belastingnadeel dat door het bewezenverklaarde feit is geleden. Zoals hiervoor onder G.1 met betrekking tot het strekkingsvereiste is overwogen, is het hof van oordeel dat – indien alle feiten BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feiten 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 4 primair ten laste gelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder feit 4 primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 (zesenzestig) dagen ; bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 60 (zestig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis ; veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 8.000,00 (achtduizend euro) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis . Aldus gewezen door: mr. H. Harmsen, voorzitter, mr. P.J. Hödl en mr. M. Harthoorn, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier, en op 26 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken. In verband met de leesbaarheid van dit arrest zijn tevens voetnoten opgenomen bij de hierna volgende overwegingen met betrekking tot de feiten 2 en 3, welke overwegingen uitmonden in een vrijspraak van die feiten. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 96. Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel, p. 99. Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel, p. 103. Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel, p. 104. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 106. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 111. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 121. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 106 en 107. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 111. Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel, p. 114. Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel, p. 117. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 121. Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel, p. 116. Vertaling van een in de Servische taal opgemaakte beschikking van de handelsrechtbank te Podgorica, p. 3484 en 3486 (“ [Montenegrijnse vennootschap DI d.o.o.] ” besloten vennootschap voor engineering, opgericht door (naar het hof begrijpt:) [voormalige naam dochtermaatschappij D B.V.] (vertegenwoordigd door [directeur DI d.o.o.] ) resp. [betrokkene 1] ). Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel, p. 116 en 117. Koopovereenkomst d.d. 29 maart 2000, gesloten tussen [dochtermaatschappij A B.V.] en een tiental andere vennootschappen binnen het [concernnaam] -concern, p. 1697-1704; Proces-verbaal van bevindingen, p. 527. Koopovereenkomst d.d. 20 maart 2003, gesloten tussen [dochtermaatschappij A B.V.] , [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] , p. 2014-2015 (origineel in het Engels) en p. 2016-2017 (vertaald in het Nederlands). Ambtsedige verklaring van belastingambtenaar [belastingambtenaar Gevraagd wordt wat er feitelijk is gebeurd na 25 september 2001 en verzocht wordt om beschikbare kadastrale aanduidingen, de opleveringsdatum van het project, stukken met betrekking tot de koopsom, de status van subsidies, eigendomsbewijzen van de grond, een besprekingsverslag van de participatie in de joint-venture met de overheid en documentatie inzake de financiering toe te sturen. Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 september 2017, voor zover inhoudende het laatste woord van de verdachte. Aangifte vennootschapsbelasting [dochtermaatschappij B B.V.] over het boekjaar 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003, p. 1722. Specificatie bij de vennootschapsbelasting [dochtermaatschappij B B.V.] over het boekjaar 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003, p. 1733. Zo bedraagt het totaalbedrag aan verrekenbare verliezen € 44.265.794,00, waarvan € 41.993.359,00 betrekking heeft op het boekjaar 2001/2002. Aangifte vennootschapsbelasting [dochtermaatschappij C B.V.] over het boekjaar 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003, p. 1749. Specificatie bij de vennootschapsbelasting [dochtermaatschappij C B.V.] over het boekjaar 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003, p. 1758. Zo bedraagt het totaalbedrag aan verrekenbare verliezen € 27.674.303,00, waarvan € 29.686.829,00 betrekking heeft op het boekjaar 2001/2002. Aangiften vennootschapsbelastingen over de boekjaren 2001/2002 en 2002/2003 ten name van [dochtermaatschappij B B.V.] en [dochtermaatschappij C B.V.] Bij brieven van 2 maart 2005, 3 maart 2005 en 21 augustus 2006 heeft de inspecteur te kennen gegeven de belastbare winst en het belastbaar bedrag te corrigeren en vast te stellen op andere bedragen. Het een en ander komt naar voren uit het in hoger beroep aan het dossier toegevoegde pakket met fiscale documenten, getiteld ‘Stukken Belastingdienst n.a.v. P-V Hof Den Bosch inzake strafzaak [medeverdachte 1] c.s.’, naar aanleiding van een bevel op de regiezitting van 2 september 2014. Verweerschrift d.d. 27 januari 2005 van de inspecteur der rijksbelastingen te Oost-Brabant, kantoor Eindhoven, in het beroep, dienende bij de belastingkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2000/2001 van [dochtermaatschappij A B.V.] , onder 5.13, zoals overgelegd als bijlage 39 bij de tijdlijn opgesteld door medeverdachte [medeverdachte 1] . Hiervoor is en hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het overzichtsproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Roermond, op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, dossiernummer 34757, afgesloten d.d. 4 september 2008, inhoudende zestien delen met een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-4030. Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel, p. 124. Proces-verbaal van verhoor getuige [directeur dochtermaatschappij E B.V.] , p. 1647. Proces-verbaal van verhoor getuige [directeur dochtermaatschappij E B.V.] , p. 1652-1655. Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 1543. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 1444. Notariële akte van levering d.d. 17 september 2002, p. 2272-2279. Brief van [big four-kantoor] Belastingadviseurs d.d. 6 augustus 2002 aan de Belastingdienst, p. 2268-2269. Ambtsedige verklaring van belastingambtenaar [belastingambtenaar 2] , p. 2753. Aangifte vennootschapsbelasting van [dochtermaatschappij E B.V.] over het boekjaar 1 juni 2001 tot en met 31 maart 2003, p. 2236 e.v. Opgaaf behorende bij de aangifte vennootschapsbelasting van [dochtermaatschappij E B.V.] over het boekjaar 1 juni 2001 tot en met 31 maart 2003, p. 2246-2247. Aangifte vennootschapsbelasting van [dochtermaatschappij E B.V.] over