Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-26
ECLI:NL:GHSHE:2017:4670
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/00243 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 februari 2016, nummer BRE 15/231 in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, hierna: de Heffingsambtenaar, betreffende de hierna te noemen aanslag toeristenbelasting. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is door de Heffingsambtenaar met dagtekening 31 maart 2014 voor het jaar 2013 een aanslag in de toeristenbelasting opgelegd (hierna: de aanslag), aanslagnummer [aanslagnummer] , naar een bedrag van € 12.266,10, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 22 mei 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [B] . 1.5. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van en exploiteert onder de naam ‘ [belanghebbende] ’ een mini-camping (hierna: de mini-camping) aan de [a-straat] 3 te [vestigingsplaats] (gemeente Veere). Belanghebbende heeft op 10 januari 2014 aangifte toeristenbelasting over het jaar 2013 gedaan (hierna: de aangifte), naar een totaal van 11.151 overnachtingen, waarvan 128 op vaste standplaatsen en 11.023 in mobiele onderkomens op niet-vaste standplaatsen. De mini-camping biedt overnachtingsmogelijkheden aan voor mobiele kampeeronderkomens en stacaravans en omvat volgens de aangifte twee vaste (seizoen)plaatsen. 2.2. De “Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2013” van de gemeente Veere, zoals door de gemeenteraad vastgesteld op 13 december 2012 (hierna: de verordening), luidt voor zover van belang, als volgt: ‘ Artikel 2 Belastbaar feit Ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente in (...) mobiele kampeeronderkomens, (...) en op vaste standplaatsen tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn opgenomen, wordt onder de naam “toeristenbelasting” een directe belasting geheven. Artikel 3 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen. (...) Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen. Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing 1. Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot (...) mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste staanplaatsen bepaald op 3. 2. Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht wordt in geval verblijf wordt gehouden in (...) mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste staanplaatsen, welke geschikt zijn voor gebruik of slechts gebruikt mogen worden gedurende een periode van: - ten hoogste drie maanden in het voorseizoen bepaald op 25; - ten hoogste twee maanden in het naseizoen bepaald op 13; - een seizoen bepaald op 60; - een jaar bepaald op 90. Artikel 7 Opteren voor niet- Vergelijk HR 23 december 2016, nr. 15/02137, ECLI:NL:HR:2016:2829, BNB 2017/63. 4.1.2. Belanghebbende motiveert haar stelling betreffende artikel 1 van het eerste Protocol dat de heffing van toeristenbelasting voor haar door een gebrek aan tariefdifferentiatie en/of door de onmogelijkheid tot toepassing van het forfait van artikel 6 van de verordening op haar niet-vaste standplaatsen leidt tot een onevenredige heffing, en tot een individuele en buitensporige last. Voor wat betreft de stelling dat sprake zou zijn van onevenredigheid is het Hof van oordeel dat de Gemeentewet geen bepalingen bevat waarin tarieven of de verhoging van tarieven voor de toeristenbelasting worden gemaximeerd. De gemeenteraad heeft de vrijheid om een vast tarief vast te stellen. Het niet-differentiëren van het tarief naar soort verblijfsplaats of (veronderstelde) mate van mogelijkheid om de toeristenbelasting door te berekenen aan de toeristen valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en is niet van redelijke grond ontbloot. 4.1.3. In het kader van de stelling dat sprake zou zijn van een individuele en buitensporige last overweegt het Hof als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 maart 2017, nr. 15/04187, ECLI:NL:HR:2017:441 onder andere geoordeeld: ‘3.2. Voormelde keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65). Dat kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle exploitanten van kansspelautomaten geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor haar teweegbrengen (vgl. HR 16 november 2001, nr. C00/142, ECLI:NL:HR:2001:AD5493, NJ 2002/469).’. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij, gelet op de voor haar geldende feiten en omstandigheden, als gevolg van de heffing van toeristenbelasting getroffen wordt door een individuele, buitensporige last. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van haar sprake is van bijzondere, niet voor alle exploitanten van (mini)campings geldende, feiten en omstandigheden, die voor belanghebbende leiden tot een dergelijke last, welke last zich in haar geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Dat de afdracht van toeristenbelasting zoals belanghebbende stelt in enig jaar tot een bedrag groot 35% van de jaarwinst kan oplopen doet aan dit oordeel niet af, enerzijds omdat dit niet enkel voor de minicamping van belanghebbende behoeft te gelden en anderzijds daar deze stelling ten onrechte impliceert dat de kwalificatie van toeristenbelasting als ‘individuele en buitensporige last’ enkel afhankelijk zou (kunnen) zijn van de te behalen winst in enig jaar, welke winst overigens door belanghebbende zelf in zekere mate kan worden beïnvloed. 4.1.4. Voorts geldt dat belanghebbende, gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 224 van de Gemeentewet (hierna: GW) en artikel 3, tweede lid, van de verordening, de bevoegdheid heeft om de toeristenbelasting te verhalen op haar gasten. Indien en voor zover belanghebbende er voor heeft gekozen de toeristenbelasting niet te verhalen op haar gasten, leidt een dergelijke keuze naar het oordeel van het Hof niet tot de conclusie dat de verordening reeds daardoor in strijd is met artikel 1 van het eerste Protocol. 4.1.5. Deelvraag I dient derhalve ontkennend beantwoord te worden. 4.2. Deelvraag II 4.2.1. Belanghebbende heeft gesteld dat het hanteren van één (uniform) tarief in de verordening, gelet op de diversiteit aan accommodaties binnen de gemeente Veere, strijdig is met het bepaalde in artikel 1 van de Grondwet, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en in artikel 26 van het IVBPR. Het Hof begrijpt deze stelling aldus dat het hanteren van één uniform tarief naar de mening van belanghebbende str Er is naar ’s Hofs oordeel, gelet op het vorenstaande, geen sprake van strijd met het bepaalde in artikel 1 van de Grondwet, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het IVBPR (vgl. Hoge Raad 18 oktober 2013, nr. 13/01116, ECLI:NL:HR:2013:917). 4.2.5. Deelvraag II dient derhalve ontkennend beantwoord te worden. 4.3. Deelvraag III 4.3.1. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de in de verordening opgenomen heffingsmaatstaven in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, daar ten aanzien van de niet-vaste standplaatsen op de minicamping van belanghebbende de forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 6 van de verordening geen toepassing kan vinden, terwijl eigenaren van zogenoemde strandslaaphuisjes wel van bedoelde forfaitaire berekeningswijze gebruik kunnen maken. 4.3.2. De vraag die het Hof in dit kader dient te beantwoorden is of de niet-vaste standplaatsen op de minicamping van belanghebbende, voor zover het de heffing van toeristenbelasting in de gemeente Veere betreft, gelijk gesteld kunnen worden aan mobiele kampeeronderkomens welke zijn geplaatst op het strand (hierna: de strandslaaphuisjes). Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. 4.3.3. Tussen partijen staat vast dat de niet-vaste standplaatsen op de minicamping van belanghebbende gedurende het jaar 2013 doorlopend aan verschillende gasten zijn verhuurd. Voorts is niet in geschil dat belanghebbende de minicamping bedrijfsmatig exploiteert. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar verklaard dat tot voor enige jaren de strandslaaphuisjes voornamelijk privébezit vormden en in de familiesfeer werden gebezigd. Vanwege het privébezit en -gebruik was het lastig om het aantal overnachtingen te bepalen, reden waarom destijds de mogelijkheid van een forfaitaire berekeningswijze voor strandslaaphuisjes is ingevoerd, aldus nog steeds de Heffingsambtenaar. De afgelopen jaren is evenwel door de Heffingsambtenaar vastgesteld dat steeds meer strandslaaphuisjes bedrijfsmatig worden geëxploiteerd. Om die reden is de verordening aangepast: vanaf 2016 is ter zake van bedrijfsmatig geëxploiteerde strandslaaphuisjes het tarief op basis van het daadwerkelijk aantal overnachtingen verschuldigd, terwijl voor particuliere strandslaaphuisjes nog steeds geopteerd kan worden voor de forfaitaire berekeningswijze. De Heffingsambtenaar betoogt vervolgens dat voor het jaar 2013 de verhouding tussen de particuliere strandslaaphuisjes en de bedrijfsmatig geëxploiteerde strandslaaphuisjes nog niet een regeling vereiste, zoals ingevoerd in 2016. 4.3.4. Met inachtneming van hetgeen de Heffingsambtenaar heeft verklaard onder 4.3.3, is het Hof van oordeel dat de strandslaaphuisjes in het jaar 2013 niet gelijk zijn te stellen aan de niet-vaste standplaatsen op de minicamping van belanghebbende, dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en dat de Heffingsambtenaar onderscheid heeft mogen maken in de tariefstelling. Belanghebbende is er niet in geslaagd de door de Heffingsambtenaar gestelde verschillen in gebruik (particulier gebruik of verhuur) en exploitatie (privé of bedrijfsmatig) te ontzenuwen dan wel aannemelijk te maken dat de strandslaaphuisjes in 2013 gelijk kunnen worden gesteld aan de niet-vaste standplaatsen op de minicamping van belanghebbende. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. 4.3.5. Deelvraag III dient derhalve ontkennend beantwoord te worden. Slotsom 4.4. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. Ten aanzien van het griffierecht 4.5. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. Ten aanzien van de proceskosten 4.6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van d