Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-26
ECLI:NL:GHSHE:2017:4658
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 26 oktober 2017 Zaaknummer : 200.213.488/01 Zaaknummer eerste aanleg : 5429476 OV VERZ 16-7353 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , België, appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. M.A.M. Lem te Breda, tegen [de vennootschap ] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [de vennootschap ] , advocaat: mr. A. Avci te Amsterdam. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 december 2016, waarin het verzoek van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is afgewezen. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 maart 2017, heeft [appellant] verzocht om voormelde beschikking van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, zijn verzoek in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [de vennootschap ] in de proceskosten in beide instanties. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 mei 2017, heeft [de vennootschap ] verzocht het verzoek van [appellant] af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van dit hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ex artikel 6:119 BW. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Lem en mr. S.M.J. Heeren; - de heer [HR business partner bij de vennootschap] , HR Business Partner bij [de vennootschap ] , bijgestaan door mr. Avci en mr. T.A. Wilms. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 8 december 2016; de rolkaarten van de andere procedures tussen partijen als bij dit hof ambtshalve bekend onder zaaknummers 200.196.668/01, 200.204.701/01 en 200.217.290/01; de ter zitting van dit hof overgelegde en voorgedragen pleitnota van mr. Avci. 3 De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van het volgende, voor zoveel mogelijk in chronologische volgorde - per procedure gegroepeerd - weergegeven. [de vennootschap ] is een groothandel in farmaceutische producten. De aandeelhouder van [de vennootschap ] is [holding] , gevestigd te [vestigingsplaats] . De aandeelhouder van [holding] is [de moedermaatschappij van de vennootschap ] ., gevestigd in [vestigingsplaats] , Delaware in de Verenigde Staten. Op 1 januari 2010 is [appellant] voor onbepaalde tijd bij [de vennootschap ] in dienst getreden, laatstelijk in de functie van Executive Director Supply Chain Europe tegen een loon van € 13.782,24 bruto per maand (inclusief vakantietoeslag, exclusief dertiende maand en emolumenten). [appellant] is in zijn functie verantwoordelijk voor de Global Supply Chain Europe organisatie. Sinds juli 2010 is mevrouw [extern consultant] (hierna: [extern consultant] ) als extern consultant via [consulting] Consulting te België voor [de vennootschap ] werkzaam. Zij is twee managementlevels lager werkzaam in dezelfde reporting line (de Supply Chain Europe) als [appellant] . In juni 2015 heeft [appellant] een (serieuze) affectieve relatie gekregen met [extern consultant] en sindsdien woont hij met [extern consultant] samen. Op 23 juli 2015 heeft [appellant] een bijeenkomst in het kader van de aanstelling van [extern consultant] bijgewoond met de heer [director supply chain] (Director Supply Chain), de heer [senior manager supply chain] (Senior Manager Supply Chain), mevrouw [HR manager C&B 1] en mevrouw [HR manager C&B 2] (HR Manager Compensation & Benefits) over het arbeidsvoorwaardenpakket en het salaris van [extern consultant] . Op 12 augustus 2015 heeft [extern consultant] een arbeidsovereenkomst met [de vennootschap ] gesloten op grond waarvan z - Bij e-mailbericht van 12 oktober 2016 heeft de (huidige) leidinggevende van [appellant] , de heer [de (huidige) leidinggevende van appellant] , aan de ABR staff en geheel Global Supply Chain medegedeeld dat [vervanger van appellant] als ‘interim’ en ‘temporarily’ de functie/positie van [appellant] zal invullen. [vervanger van appellant] is sinds 2012 werkzaam binnen [de vennootschap ] en laatstelijk werkzaam in de functie van Director Supply Chain Latin America. Naar aanleiding hiervan heeft [appellant] op 26 oktober 2016 wederom een kort gedingprocedure gestart waarin hij onder meer wedertewerkstelling heeft gevorderd. Bij vonnis van 17 november 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda de vordering(en) afgewezen. Van dit vonnis is [appellant] bij dit hof in hoger beroep gekomen. Deze zaak is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.204.701/01. Het is het hof ambtshalve bekend dat in deze zaak de grieven en het antwoord zijn genomen en dat de zaak thans op de rol van 7 november 2017 voor arrest staat. - [appellant] heeft [de vennootschap ] op 5 april 2017 in kortgeding gedagvaard bij de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij hij - kort gezegd - nakoming van het Long Term Incentive Plan (hierna: LTI) heeft gevorderd. Bij vonnis van 1 mei 2017 heeft de kantonrechter [appellant] na verweer door [de vennootschap ] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen, omdat - kort gezegd - het LTI een afzonderlijke overeenkomst is met het moederbedrijf [de moedermaatschappij van de vennootschap ] . Van dit vonnis is [appellant] bij dit hof in hoger beroep gekomen. Deze zaak is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.217.290/01. Het is het hof ambtshalve bekend dat in deze zaak inmiddels de grieven en het antwoord zijn genomen en dat in de zaak op 21 december 2017 gelegenheid zal zijn voor pleidooi door beide partijen. 3.2. In onderhavig beroep van de beschikking van de rechtbank van 29 december 2016, waarin het verzoek van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is afgewezen, heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. 3.2.1. In de eerste grief stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte als een tussen partijen vaststaand feit heeft aangenomen dat de aanleiding voor de non-actief stelling d.d. 10 juni 2016 zou zijn geweest de gang van zaken rond de aanstelling van de partner van [appellant] ( [extern consultant] ) in juni 2015 bij [de vennootschap ] , de betrokkenheid van [appellant] daarbij en de omstandigheid dat [de vennootschap ] op dat moment niet op de hoogte was van de affectieve relatie tussen [appellant] en [extern consultant] . Volgens [appellant] blijkt uit de door [de vennootschap ] in eerste aanleg als productie 22 in het geding gebrachte syntheseconclusie d.d. 7 november 2016 (een gedingstuk in de Belgische procedure) onder 42 dat [de vennootschap ] zelf heeft gesteld dat zij [appellant] - vooruitlopend op een ontbindingsprocedure - op non-actief heeft gesteld, omdat een minnelijke regeling ter zake het ontslag van [appellant] niet tot de mogelijkheden behoorde. 3.2.2. In de tweede grief stelt [appellant] - samengevat - dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen. [appellant] betwist dat hij onvoldoende concreet heeft gemaakt op grond waarvan en waarom hij de getuigen wenst te horen. Hij verwijst naar de inhoud van zijn verzoekschrift en pleitnota in eerste aanleg, hetgeen als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. [appellant] stelt daarin -verkort weergegeven- het volgende. De ontbindingsprocedure is geïnstigeerd op basis van een besluit of beslissing van de moedermaatschappij [de moedermaatschappij van de vennootschap ] . [de moedermaatschappij van de vennootschap ] staat echter niet in een gezagsverhouding met [appellant] . [de vennootschap ] heeft geen eigen belang bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst en zij heeft volgens [appellant] ook steeds ke In dat kader stelt [appellant] thans in zijn beroepschrift dat partijen over en weer tegengestelde feitelijke stellingen hebben ingenomen betreffende de gang van zaken rondom: - de aanstelling van [extern consultant] door [de vennootschap ] ; - de rol die de diverse betrokkenen ( [indertijd vice president global supply chain] , [director supply chain] , [senior manager supply chain] , [HR manager C&B 2] , [HR manager C&B 1] en [appellant] ) daarin hebben gehad; - de besluitvorming die aan de aanstelling van [extern consultant] ten grondslag ligt en in het bijzonder van de toepasselijkheid van de ‘DAI’: de binnen [de vennootschap ] geldende richtlijn terzake het nemen van besluiten; - de bekendheid van [de vennootschap ] (in het bijzonder [director supply chain] , [senior manager supply chain] , [HR business partner bij de vennootschap] en [indertijd vice president global supply chain] ) van de affectieve relatie tussen [appellant] en [extern consultant] vanaf juli 2015 dan wel vanaf september/oktober 2015. Indien de feitelijke stellingen van [appellant] juist blijken te zijn, komt daarmee volgens [appellant] vast te staan dat [de vennootschap ] in de diverse processtukken en in het bijzonder in de processtukken in de ontbindingsprocedure in België, in strijd met de waarheid heeft verklaard. [appellant] wenst daarnaast zijn juridische positie in kaart te brengen jegens zowel [de vennootschap ] als jegens de bestuurders van [de vennootschap ] . De statutair bestuurder [statutair bestuurder van de vennootschap] en de HR Manager [HR business partner bij de vennootschap] kunnen volgens [appellant] verklaren over de wijze van besluitvorming en de daarbij al dan niet in acht genomen zorgvuldigheid. 3.3. [de vennootschap ] heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat het verzoek van [appellant] dient te worden afgewezen. Volgens [de vennootschap ] maakt [appellant] ook in hoger beroep nog steeds onvoldoende duidelijk welke concrete feiten opheldering vergen, welke bewijzen nodig zijn en hoe die bewijzen kunnen bijdragen aan een eventuele aansprakelijkheidsprocedure tegen [de vennootschap ] , haar (indirecte) aandeelhouder ( [de moedermaatschappij van de vennootschap ] ) en de individueel betrokkenen. Het is onduidelijk en te vaag waar [appellant] naar op zoek is. Het voorlopig getuigenverhoor toewijzen op basis van de zeer summiere onderbouwing van [appellant] komt neer op ‘fishing expedition’ en daarvoor is een voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld. Voorts ontbreekt het procesbelang en is er ook sprake van de overige afwijzingsgronden als in de rechtspraak ontwikkeld, aldus [de vennootschap ] . Met betrekking tot grief I betwist [de vennootschap ] daarnaast uitdrukkelijk dat er sprake is van valse of verzonnen feiten om tot de non-actiefstelling c.q. het ontslag te komen. De enige aanleiding tot de non-actiefstelling/ontbinding is gelegen in de verwijtbare gedragingen (en verklaringen) van [appellant] zelf: [appellant] heeft zich schuldig gemaakt aan de schending van de policies van [de vennootschap ] door het niet volledig informeren over zijn affectieve relatie met [extern consultant] , hetgeen een onherstelbare vertrouwensbreuk heeft opgeleverd. Nimmer zijn andere omstandigheden door [de vennootschap ] aangevoerd die aanleiding zouden zijn geweest voor de non-actiefstelling en het ontslag van [appellant] . [appellant] is op zoek naar andere omstandigheden, maar weet zelf ook niet wat deze omstandigheden zijn. Met betrekking tot grief II betwist [de vennootschap ] eveneens dat zij uitsluitend op basis van de instructie van de (indirect) aandeelhouder heeft gehandeld. [de vennootschap ] is op zorgvuldige wijze tot haar eigen besluit gekomen en heeft dit uitvoerig gemotiveerd. Desgevraagd heeft de advocaat van [de vennootschap ] laten weten dat met het verzoek [appellant] te veroordelen in de volledige kosten als opgenomen in de pleitnota en het verweerschrift in hoger beroep wordt bedoeld aan te sluiten bij het liquidatietar Enerzijds heeft hij opgesomd de onduidelijkheden/tegenstrijdigheden tussen partijen, zonder daarbij aan te geven van welke relevante feiten behorend tot die onduidelijkheden/tegenstrijdigheden, hij bewijs zou willen leveren in het kader van de door hem beoogde vorderingen. Anderzijds heeft hij slechts in zeer algemene zin als te bewijzen onderwerpen genoemd de onjuiste motieven op basis waarvan [de vennootschap ] de arbeidsovereenkomst wil(de) ontbinden en de onzorgvuldige wijze waarop de besluitvorming van (het statutair bestuur van) [de vennootschap ] tot stand zou zijn gekomen. In dat verband is duidelijk geworden dat volgens [appellant] ‘niet uitgesloten’ kan worden dat de besluitvorming bij [de vennootschap ] op enig punt niet juist heeft plaatsgevonden en dat één (of meer) van de daarbij betrokkenen aan de zijde van [de vennootschap ] en haar statutair bestuurders wel degelijk bekend waren ‘met de werkelijke gang van zaken’. Op welke punten de besluitvorming ten nadele van [appellant] onjuist althans in strijd met de daarvoor geldende regels in Nederland en/of de Verenigde Staten zou hebben plaatsgevonden blijft echter onduidelijk. Concrete aanknopingspunten voor een mogelijk bevestigend antwoord op de vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen van [de vennootschap ] , van haar aandeelhouders ( [de moedermaatschappij van de vennootschap ] ) en van alle (overige) betrokkenen, zijn niet gesteld. De enkele stelling van [appellant] dat een en ander niet klopt, kan niet als een voldoende concretisering van het te onderzoeken feitencomplex worden aangemerkt. 3.4.6.2. Voorts is het hof van oordeel dat door [appellant] onvoldoende feitelijk en concreet is aangegeven welke getuigen op welk punt/welke vragen gehoord zouden moeten worden. Er is slechts in algemene zin aangegeven dat de statutair bestuurder [statutair bestuurder van de vennootschap] en de HR Manager [HR business partner bij de vennootschap] kunnen verklaren over de wijze van besluitvorming en de daarbij al dan niet in acht genomen zorgvuldigheid. Ten aanzien van alle opgegeven getuigen is verder niet meer gesteld dan dat het horen van getuigen noodzakelijk is om vast te stellen dat [de vennootschap ] in de diverse processtukken en in het bijzonder in de processtukken in de ontbindingsprocedure in België, in strijd met de waarheid zou hebben verklaard. Onvoldoende concreet is gebleven op basis van welke feiten en omstandigheden [appellant] concludeert dat het statutaire bestuur van [de vennootschap ] ‘klakkeloos’ de instructies van haar aandeelhouder heeft opgevolgd zonder een eigen belangenafweging te maken. De herhaaldelijke verwijzing (in algemene zin) naar de stukken en naar de onduidelijkheden tussen partijen, acht het hof dan ook niet voldoende concreet en ter zake dienend, ook al nu [appellant] ter zitting van dit hof uitgebreid in de gelegenheid is gesteld een nadere toelichting te geven op het verzoek, en hiervan slechts in geringe mate gebruik heeft gemaakt. Het verzoek van [appellant] komt er op neer dat hij het complete besluitproces rondom de aanstelling van [extern consultant] en zijn non-actiefstelling wil bezien en in dat verband vele getuigen wil horen, om vervolgens te kunnen beoordelen of [de vennootschap ] dan wel haar aandeelhouders dan wel de (andere) betrokkenen jegens hem aansprakelijk zijn. Dit komt naar het oordeel van het hof neer op een vorm van ‘fishing expedition’, waarvoor een voorlopig getuigenverhoor niet is bedoeld. Deze norm geldt niet alleen in Nederland maar geldt ook voor verzoeken als te baseren op de EU-Bewijsverordening EG/1206/2001, hierna Bewijs-Vo (artikel 1 lid 2 Bewijs-Vo), voor het geval elders in de Europese Unie wonende getuigen op grond van de Bewijs-Vo zouden moeten worden gehoord. 3.4.4. Nu het verzoek van [appellant] tot het gelasten van een getuigenverhoor onvoldoende concreet en ter zake dienend is, dient dit verzoek als afstuitend op een zwaarwichtig bezwaar te worden afgewezen. Hetgeen overigens door parti