Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-19
ECLI:NL:GHSHE:2017:4583
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/03779 Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 juli 2016, nummer BRE 15/3814, in het geding tussen belanghebbende, en de Inspecteur , betreffende de hierna te vermelden informatiebeschikking. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Met dagtekening 30 december 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een informatiebeschikking (hierna: de informatiebeschikking) gegeven. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de informatiebeschikking gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, bepaald dat de informatiebeschikking enkel betrekking heeft op de hierna te vermelden stoeterij [A] , belanghebbende een termijn van zes weken gesteld om alsnog aan de Inspecteur de in de informatiebeschikking gevraagde informatie met betrekking tot die stoeterij te verstrekken, en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.484. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord. 1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting, gedagtekend 7 augustus 2017 en 11 augustus 2017, nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 augustus 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn gemachtigde de heer [B] en mevrouw [C] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [D] . 1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.7. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is gezonden. 2 Feiten De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarvan in hoger beroep eveneens kan worden uitgegaan. “2.1. In 1971 is de stal [A] (hierna: [A] ) opgericht door en sindsdien onafgebroken geregistreerd bij het [E] (hierna: [E] ) op naam van [F] , de vader van belanghebbende. Het complex van [A] bestaat uit een toegangsweg met rijbak, weiland, longeercirkel en schuur met 10 stallen met overkapping. De stallen zijn destijds gebouwd aan de [a-straat] 15b te [woonplaats] . In 1985 en 1986 heeft belanghebbende [A] in eigendom verkregen. 2.2. Belanghebbende is in 1973 getrouwd met [G] (hierna: [G] ). 2.3. In januari 1991 heeft belanghebbende een bruikleenovereenkomst gesloten met zijn moeder [H] (hierna: [H] ). Bij de bruikleenovereenkomst is [H] overeengekomen enkele objecten Chinees porselein, klokken en schilderijen behorend tot de zogenoemde ‘ [H] - [J] ’-collectie in bruikleen te geven aan [belanghebbende] . In de bruikleenovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “1. deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan te allen tijde door de ene partij aan de andere partij worden opgezegd; (…)” . 2.4. Op 3 mei 1991 zijn belanghebbende en [G] gescheiden. Belanghebbende is toen bij [H] ingetrokken en heeft de objecten die hij op grond van de bruikleenovereenkomst onder zich had meegenomen. In 1997 kon [H] niet langer voor belanghebbende zo De gevraagde informatie moest uiterlijk op 24 december 2014 door de Belastingdienst ontvangen zijn. Tot op heden heb ik de informatie niet ontvangen. (…)” Belanghebbende heeft tegen de informatiebeschikking tijdig bezwaar gemaakt. 2.13. Op 8 januari 2015 heeft het [E] op verzoek van de belastingdienst een overzicht van het [E] gestuurd waaruit valt op te maken dat in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2014 11 [A] merries en 5 [A] hengsten stonden geregistreerd op naam van belanghebbende. Hieruit zijn in deze periode in totaal 23 veulens geboren. 2.14. Op 23 februari 2015 heeft ter zake van het bezwaar tegen de afgegeven informatiebeschikking een hoorgesprek plaatsgevonden. 2.15. Op 1 april 2015 heeft belanghebbende een groot gedeelte van de in beslag genomen documenten terug ontvangen. 2.16. Bij uitspraak op bezwaar van 24 april 2015 heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en aangegeven dat belanghebbende niet als administratieplichtige kan worden aangemerkt ten aanzien van de handel in dekens en vloerkleden. Voor het overige is de informatiebeschikking gehandhaafd. Aan belanghebbende is geen kostenvergoeding toegekend.” 3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is gegeven. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de informatiebeschikking. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4 Gronden 4.1. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of belanghebbende als administratieplichtige moet worden aangemerkt in de zin van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Daarvoor is in de onderhavige zaak beslissend of belanghebbende een bedrijf uitoefent, hetgeen moet worden beoordeeld voor zowel belanghebbendes bemoeienis met [A] als zijn (beweerdelijke) bemoeienis met het porselein. Het Hof zal die beide kwalificaties hierna afzonderlijk behandelen. Ten aanzien van [A] 4.2. De Rechtbank heeft onder meer als volgt overwogen: “4.7. De inspecteur heeft gesteld dat de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende is afgegeven nu belanghebbende ondernemer is en niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht. De inspecteur heeft hiertoe gesteld dat belanghebbende een onderneming drijft die bestaat uit de exploitatie van [A] . Dat er sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid blijkt volgens de inspecteur uit de omstandigheid dat [A] al sinds 1971 bestaat, beschikt over een stal met ondergrond, al dan niet gehuurde weilanden, pony’s en een paardentrailer. Daarnaast verrichten belanghebbende en [K] beiden arbeid bij [A] , treedt belanghebbende met [A] naar buiten via de website [A] .nl, verkoopt hij pony’s en laat hij tegen vergoeding dekkingen verrichten. Tevens mag belanghebbende van de exploitatie van [A] redelijkerwijs een positief resultaat verwachten. Hij verwijst er hierbij naar dat op het laatste door belanghebbende verstrekte overzicht enkele correcties dienen te worden toegepast voor de verkoop van de paarden [L] , [M] , [N] , [O] en [P] in 2013, de dubbeltelling van enkele kosten en, nu blijkt dat de stamboekgegevens van het [E] en de door belanghebbende aangedragen gegevens niet overeenstemmen, de verkoop van 22 pony’s en tien dekkingen. De inspecteur betwist dat er afspraken zijn gemaakt met de inspecteur over de fiscale behandeling van de exploitatie van [A] . 4.8. Belanghebbende betwist die stellingen gemotiveerd. Belanghebbende en [K] hebben ter zitting overtuigend v De Inspecteur heeft weliswaar aan de hand van een theoretische berekening betoogd dat er hiaten moeten zijn in de inkomensverantwoording van belanghebbende, maar de berekeningen die belanghebbende daartegenover heeft gesteld zijn in zodanige mate onderbouwd met bescheiden uit de door hem gereconstrueerde administratie dat die hiaten niet aannemelijk zijn gemaakt. Dat betekent dat het Hof niet aannemelijk acht dan dat ter zake van de exploitatie van [A] een meer dan marginaal en daarmee verwaarloosbaar positief resultaat kon worden verwacht. De incidentele transacties ter zake van het paard [L] en de paarden die aan [K] zijn verkocht, brengen het Hof niet tot een ander oordeel, waarbij het Hof er acht op slaat dat de laatstgenoemde verkoop eerst in 2014 door middel van levering tot eigendomsoverdracht heeft geleid, welk jaar buiten de periode valt waarop de informatiebeschikking betrekking heeft. Maar ook indien die verkoop wel wordt meegewogen (vgl. HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, ECLI:NL:HR:2011:BP5707, BNB 2011/246) acht het Hof, gezien de onderbouwde berekeningen die belanghebbende zelf heeft aangeleverd, niet aannemelijk dat redelijkerwijs een meer dan verwaarloosbaar positief resultaat kon worden verwacht van de exploitatie van [A] . Het Hof acht overigens aannemelijk dat belanghebbende ook in subjectieve zin niet heeft gestreefd naar dergelijke positieve resultaten, maar dat zijn streven met, onder andere, dekkingen en verkooptransacties ter zake van paarden was gericht op een kostendekkende exploitatie van [A] . Dat oordeel wordt bevestigd door de door het Hof aannemelijk geachte overdrachten van paarden aan derden om niet. De activiteiten van belanghebbende ter zake van [A] moeten derhalve in de sfeer van de inkomensbesteding worden gesitueerd en niet in de sfeer van de inkomensverwerving. 4.5. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk ten aanzien van [A] aan belanghebbende. Ten aanzien van het porselein 4.6. De Rechtbank heeft ten aanzien van het porselein het volgende overwogen: “4.4. De inspecteur heeft gesteld dat de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende is opgelegd nu belanghebbende ondernemer is en niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht. De inspecteur heeft hiertoe gesteld dat belanghebbende, in informeel samenwerkingsverband met [G] , een onderneming drijft die bestaat uit de handel in (Chinees) porselein. Dat er sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid blijkt volgens de inspecteur uit de omstandigheid dat belanghebbende en [G] zich beiden actief bezighouden met de aan- en verkoop van (Chinees) porselein, dat hun porseleinen objecten deels door elkaar in dozen liggen, op sommige objecten geen sticker is geplakt die aangeeft aan wie het object toebehoort en dat belanghebbende en [G] gezamenlijk naar buiten toe optreden (zo worden consignatieovereenkomsten door [G] ondertekend, terwijl het contact daarvoor met belanghebbende is aangegaan en zien de verkoopactiviteiten van belanghebbende ook op objecten van [G] ). De inspecteur heeft tevens verwezen naar de bruikleenovereenkomst, op grond waarvan belanghebbende 60 stuks porselein, 7 schilderijen en 4 klokken in zijn bezit had. Van deze items zijn 26 stuks porselein aan [G] verkocht door [H] . Tevens is bij de doorzoeking op 31 oktober 2013 1 porseleinen object en 1 schilderij aangetroffen die op de bruikleenovereenkomst stonden. Er ontbreken dan dus nog 33 stuks porselein, 6 schilderijen en 4 klokken. Deze zijn blijkbaar door belanghebbende vervreemd, aldus de inspecteur. 4.5.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, mede gelet op hetgeen [Q] ter zitting heeft verklaard, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in Chinees porselein handelde en daarom administratieplichtig was in de zin van artikel 52, tweede lid van de AWR. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. [Q] heeft ter zitting verklaard dat het zijns inziens gaat om een privécollectie, om ee Daarvoor ontbreekt bewijs ter zake van de inkoopcomponent van die handel en is onvoldoende duidelijk geworden of en zo ja in hoeverre belanghebbende verkoopresultaten heeft behaald die het gehalte van een incidentele verkoop overstijgen. Wat betreft de bedoelde inkoopcomponent, is weliswaar aannemelijk dat er naast enige verkopen eveneens aankopen van porselein hebben plaatsgevonden, maar het Hof acht niet meer aannemelijk dan dat die aankopen hebben plaatsgevonden in het kader van het onderhoud en/of de uitbouw van de reeds bestaande collectie. [G] en belanghebbende zijn kennelijk reeds gedurende vele jaren betrekkelijk fervente verzamelaars en liefhebbers van het hier bedoelde porselein, hetgeen mede blijkt uit tot de gedingstukken behorend fotomateriaal waarop gehele wanden zijn bekleed met porselein. Dat zij vanaf enig moment hebben gepoogd onderdelen van die collectie te vervreemden betekent nog niet dat zij een als onderneming te kwalificeren handel in porselein hebben gedreven. De aangetroffen website en flyers duiden weliswaar op pogingen tot verkoop van porselein, maar belanghebbende heeft betwist dat de flyers ooit daadwerkelijk zijn uitgedeeld en de Inspecteur heeft onvoldoende inzicht gegeven in de relatie tussen deze verkoopmiddelen (website en flyers) en daadwerkelijke verkooptransacties. Het Hof overweegt voorts nog dat, gesteld dat in dit verband sprake is van een samenwerking tussen belanghebbende en [G] , de Inspecteur onvoldoende inzicht heeft verschaft in het aandeel van belanghebbende respectievelijk [G] in die samenwerking en het daaruit voor hen respectievelijk voortvloeiende voordeel. Slotsom 4.10. De slotsom is dat het principale hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep ongegrond is. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel behoeft geen behandeling. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen, behoudens haar beslissing omtrent de proceskosten. Aangezien belanghebbende noch ter zake van [A] , noch ter zake van het porselein als ondernemer kan worden aangemerkt, is er geen grond voor handhaving van de informatiebeschikking voor zover die berust op de niet-bestaande administratieplicht van belanghebbende. Aangezien het Hof overigens van oordeel is dat belanghebbende in voldoende mate heeft voldaan aan zijn verplichting tot het verstrekken van gegevens(dragers) ingevolge artikel 47 van de AWR, is er ook overigens geen grond voor handhaving van de informatiebeschikking. Het Hof zal die beschikking vernietigen. Ten aanzien van het griffierecht 4.11. Aangezien de uitspraak van de Rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het ter zake van het principale hoger beroep geheven griffierecht van € 124 aan hem te vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.12. Aangezien het principale hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor de veroordeling van de Inspecteur tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 3 (punten) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x € 495 (tarief) = € 2.227,50. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de werkelijke proceskosten van belanghebbende. 5 Beslissing Het Hof: verklaart het principale hoger beroep gegrond; verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond; vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, uitsluitend voor zover die de proceskosten betreft; verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de Inspecteur; vernietigt de informatiebeschikking; gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van het principale hoger beroep betaalde griff