Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-19
ECLI:NL:GHSHE:2017:4573
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 14/00995 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 4 september 2014, nummer AWB 13/3586, in het geding tussen belanghebbende, en de ontvanger van de Belastingdienst hierna: de Ontvanger, betreffende de hierna vermelde beschikking aansprakelijkstelling. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De Ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking van 16 oktober 2012 met nummer [nummer 1] (hierna: de beschikking) aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 9.194 betreffende een aan [A] B.V. (hierna: [A] ) met betrekking tot het jaar 2006 opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen (hierna: de naheffingsaanslag). De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ontvanger met dagtekening 30 mei 2013 gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 493. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Een eerste zitting heeft plaatsgehad op 21 mei 2015. Beide partijen zijn te dezer zitting niet verschenen, waarvan zij voor de zitting het Hof kennisgegeven hebben. Van deze zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. 1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben partijen nadere stukken ingediend. Belanghebbende bij brieven met dagtekening 13 augustus 2015 en 7 oktober 2015 en de Ontvanger bij brieven met dagtekening 5 oktober 2015 en 12 oktober 2015. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6. De tweede zitting heeft plaatsgehad op 19 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, de heer [B] , verbonden aan [C] te [plaats 1] , en namens de Ontvanger, de heren [E] en [G] en mevrouw [H] . Ter zitting zijn de zaak van belanghebbende en de zaak van een andere belanghebbende met kenmerk 14/00524 met instemming van partijen gezamenlijk, doch niet gevoegd, behandeld. 1.7. Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.8. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van de “Mededeling nieuwe verjaringstermijn” met dagtekening 12 mei 2016. 1.9. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat teneinde de Ontvanger de gelegenheid te geven schriftelijk aan te geven in welke gevallen inleners wel of niet aansprakelijk zijn gesteld en wat de reden hiervan is en teneinde belanghebbende de gelegenheid te geven meer duidelijkheid te verstrekken over de stortingen die belanghebbende gedaan heeft op de G-rekening van [A] (hierna: de G-rekening). 1.10. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 1.11. De Ontvanger heeft vervolgens bij brief met dagtekening 6 juni 2016 nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Belanghebbende heeft op deze brief gereageerd bij fax van 27 juli 2016. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.12. Op verzoek van het Hof heeft de Ontvanger voorafgaand aan de zitting van 2 november 2016 nadere inlichtingen verstrekt bij brief van 24 oktober 2016. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.13. Een derde zitting heeft plaatsgehad op 2 november 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, de heer [B] , verbonden aan [C] te [plaats 1] , en namens de Ontvanger, de heren [E] en [K] . De Ontvanger heeft op basis van omzetgegevens van belanghebbende, van overige inleners die bedragen hebben gestort op de G-rekening van [A] en van inleners die overigens bekend zijn bij de Belastingdienst een omzet van [A] over het jaar 2006 gereconstrueerd van € 911.400, waarbij de Ontvanger heeft vastgesteld dat dit bedrag hoger is dan de omzet die [A] op aangifte (omzetbelasting) heeft aangegeven bij de Belastingdienst. 2.10. In het rapport aansprakelijkstelling is opgenomen dat de Ontvanger bij de berekening van het bedrag waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, is uitgegaan van de volgende omzet van belanghebbende en de volgende storting door belanghebbende op de G-rekening van [A] : Jaar 2006 Omzet ex. OB € 34.572,63 Betaald op G-rekening € 9.287,72 2.11. In maart 2007 is voornoemde G-rekening gedeblokkeerd voor een bedrag van € 27.500. Met betrekking tot deze deblokkering is in het “Invorderingsbehandelplan t.a.v. [M] B.V. sinds 15-9-2008 genaamd [A] B.V.” bij het kopje “25 juni 2007” het volgende opgenomen: “Bij een eerder verzoek ben ik overgegaan tot deblokkering, ondanks het gegeven dat er op dat moment een onderzoek was gepland. Op dat moment kon ik niet overzien wat daarvan het resultaat zou zijn en ik vreesde dat e.e.a. onevenredig lang zou gaan duren.” 2.12. Belanghebbende heeft ter zake geen bedragen rechtstreeks bij de Belastingdienst gestort. 2.13.1. Bij de berekening van de omvang van de aansprakelijkstelling heeft de Ontvanger twee berekeningen gemaakt, waarbij per jaar de voor belanghebbende meest gunstige uitkomst, is aangehouden. 2.13.2. Berekening 1 (artikel 34, derde lid, van de IW), uitgaande van maximale aansprakelijkheid onder aftrek van de stortingen op de G-rekening: Formule: ((omzet belanghebbende/totale omzet [A] ) * totaal verschuldigde loonheffingen door [A] ) -/- betalingen G-rekening door belanghebbende) Jaar Formule Uitkomst 2006 (€ 34.573 / € 911.400) * € 518.508) -/- € 9.288) = € 10.381 2.13.3. Berekening 2 (artikel 34.8.1. van de Leidraad Invordering 2008), uitgaande van het door [A] nog verschuldigde bedrag aan loonheffingen: Formule: ((omzet inlener/totale omzet uitlener) * openstaande loonheffingenschuld) Jaar Formule Uitkomst 2006 (€ 34.573 / € 911.400) * € 242.359) = € 9.194 2.13.4. Gelet op het voorgaande heeft de Ontvanger het bedrag van de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de loonbelastingschulden van [A] voor het jaar 2006 gebaseerd op berekening 2 en heeft hij belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 9.194. 2.14. Met betrekking tot de aansprakelijkstelling van andere inleners voor de loonbelastingschulden van [A] ter zake van de jaren 2005 tot en met 2008 heeft de Ontvanger, bij brieven met dagtekening 6 juni 2016 en 24 oktober 2016 nadere inlichtingen verstrekt. 3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:1. Is de naheffingsaanslag tijdig aan [A] opgelegd en op de juiste wijze aan haar verzonden? 2. Is aansprakelijkstelling van belanghebbende ten gevolge van verjaring niet meer mogelijk? 3. Heeft de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur) onvoldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de naheffingsaanslag aan [A] respectievelijk heeft de Ontvanger onvoldoende voortvarend gehandeld bij het aansprakelijk stellen van belanghebbende, waardoor belanghebbende in haar verdediging is geschaad? 4. Heeft de Ontvanger, gelet op de financiële situatie van [A] , onzorgvuldig gehandeld door ter zake van de naheffingsaanslag geen zekerheidstelling van [A] te verlangen, waardoor belanghebbende is benadeeld? 5. Heeft de Ontvanger, gelet op de financiële situatie van [A] , onzorgvuldig gehandeld door in het jaar 2007 de G-rekening te deblokkeren voor een bedrag van € 27.500? 6. Heeft de Ontvanger v De ambtenaar die het duplicaat-aanslagbiljet heeft opgemaakt in de onderhavige zaak heeft per abuis het verkeerde adres overgenomen, namelijk het adres dat was vervallen op 27 juli 2011. 4.2. Het Hof acht, op grond van de door de Ontvanger overgelegde informatie met betrekking tot de aanmaak van de naheffingsaanslag, aannemelijk dat de opsteller van het interne memo in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat de naheffingsaanslag nog niet was opgelegd. 4.3. Voorts acht het Hof aannemelijk dat de naheffingsaanslag binnen de hiertoe in de wet gestelde termijn is opgelegd. Ingevolge artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) vervalt de bevoegdheid tot naheffing door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de naheffingsaanslag (artikel 5, eerste lid, van de AWR), mits de aanslag niet is gedagtekend op een dag voorafgaande aan de terpostbezorging (arrest Hoge Raad 18 april 2014, nr. 13/04796, ECLI:NL:HR:2014:930, BNB 2014/182). De naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 is opgelegd met dagtekening 7 december 2011. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag reeds op 5 december 2011 is verzonden, waardoor als datum van vaststelling van de naheffingsaanslag de datum van dagtekening (7 december 2011) heeft te gelden. Redengevend voor dit oordeel zijn de tot de gedingstukken behorende rapporten van 30 januari 2015, met bijlagen, van de heer [P] , behandelfunctionaris bij de Belastingdienst Centrale Administratie te Apeldoorn, waarin wordt gerapporteerd over zijn onderzoek naar de verzending van de naheffingsaanslagen. Uit deze rapporten volgt dat de naheffingsaanslagen op 28 november 2011 zijn aangemaakt en geregistreerd met dagtekening 7 december 2011, dat de naheffingsaanslagen zijn opgenomen in een samengevoegde partij documenten, genaamd C51093 en C52093 SUB/NH Naheff. aanslagLH48 met RUNID [nummer 4] en generatienummer g: [nummer 2] , dat die partij documenten op 5 december is aangeboden aan Post NL en dat die partij met verkooporder [nummer 3] zonder problemen is verzonden. Voorts is in het rapport vermeld dat de Belastingdienst Centrale Administratie in het kalenderjaar 2011 contractueel met Post NL is overeengekomen dat partijen documenten van het soort als RUNID [nummer 4] en generatienummer g: [nummer 2] worden bezorgd binnen 48 uur na aanbieding. De naheffingsaanslag is derhalve, nu de loonbelastingschuld ultimo 2006 is ontstaan en de naheffingsaanslag op 7 december 2011 is vastgesteld, binnen de vijfjaarstermijn van artikel 20, derde lid, van de AWR opgelegd. 4.4. Het Hof is voorts van oordeel dat de Ontvanger met de door hem verstrekte gegevens en toelichting daarop, aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag naar het juiste adres van [A] , namelijk het door [A] opgegeven verplichte toezendadres, is verzonden. 4.5. De eerste klacht van belanghebbende faalt. Vraag 2: Is de aansprakelijkstelling van belanghebbende ten gevolge van verjaring niet meer mogelijk? 4.6. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ten gevolge van verjaring van de rechtsvordering tot betaling van de naheffingsaanslag niet aansprakelijk gesteld kan worden voor betaling van deze naheffingsaanslag. 4.7. Het Hof acht aannemelijk dat de naheffingsaanslag is vastgesteld op 7 december 2011 (zie onderdeel 4.3). De beschikking waarbij belanghebbende aansprakelijk is gesteld voor betaling van de naheffingsaanslag is gedagtekend op 16 oktober 2012. Aangezien de rechtsvordering tot betaling van de naheffingsaanslag pas verloopt vijf jaar nadat de betalingstermijn is verstreken en de aanslag geheel invorderbaar is, was de rechtsvordering op het moment van aansprakelijkstelling van belanghebbende nog niet verjaard (vgl. artikel 4:104, lid 1, Awb en artikel 27, lid 2, IW). 4.8. Vraag 4: Heeft de Ontvanger, gelet op de financiële situatie van [A] , onzorgvuldig gehandeld door ter zake van de naheffingsaanslag geen zekerheidstelling van [A] te verlangen, waardoor belanghebbende is benadeeld? 4.12. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat voor de naheffingsaanslag waarvoor zij aansprakelijk is gesteld, uitstel van betaling is verleend zonder dat de Ontvanger zekerheidstelling heeft verlangd van [A] , oordeelt het Hof als volgt. De Ontvanger heeft gemotiveerd weersproken dat sprake is geweest van uitstel van betaling. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende het tegendeel onvoldoende aannemelijk het gemaakt. Het Hof is voorts van oordeel dat de Ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat er onvoldoende mogelijkheden van zekerheidstelling bestonden. De naheffingsaanslag is aan [A] opgelegd in december 2011. Op dat moment ontbrak een groot deel van de administratie en was er – naar het Hof aannemelijk acht – geen zicht op de financiële positie van [A] . 4.13. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur te lang heeft gewacht met het instellen van een boekenonderzoek en dat daardoor verhaalsmogelijkheden zijn verdwenen, verwerpt het Hof dit standpunt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaande aan het faillissement aanleiding bestond voor het instellen van een boekenonderzoek. 4.14. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat van handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel geen sprake is. Vraag 5: Heeft de Ontvanger, gelet op de financiële situatie van [A] , onzorgvuldig gehandeld door in het jaar 2007 de G-rekening te deblokkeren voor een bedrag van € 27.500? 4.15. Voor zover belanghebbende zich in hoger beroep op het standpunt stelt dat zij is benadeeld door deblokkering van de G-rekening van [A] , omdat met het geld van de G-rekening (een deel van) de door [A] verschuldigde loonheffingen had kunnen worden betaald waardoor belanghebbende voor een lager bedrag aansprakelijk zou zijn gesteld, oordeelt het Hof als volgt. 4.16. De deblokkering van de G-rekening waar belanghebbende op doelt, is geschied in maart 2007. De aansprakelijkstelling van belanghebbende betreft een onbetaald gebleven naheffingsaanslag over het jaar 2006. Deze naheffingsaanslag is aan [A] opgelegd met dagtekening 7 december 2011. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die zich op het standpunt stelt dat zij is benadeeld door de handelwijze van de Ontvanger, deze benadeling aannemelijk maakt. Naar het oordeel van het Hof is hiertoe onvoldoende dat als gevolg van het vrijgeven van het saldo op de G-rekening in maart 2007 er nadien minder liquide middelen beschikbaar waren voor het voldoen van de (nog te formaliseren) loonheffingenschuld. Belanghebbende heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze zij is benadeeld. Immers, de Ontvanger heeft onweersproken gesteld dat op het moment van de deblokkering van de G-rekening van [A] er geen (geformaliseerde) loonbelastingschuld open stond, zodat deblokkering van de G-rekening geoorloofd was. Een eventueel vermoeden van mogelijke onjuistheden in de loonadministratie ter zake van [A] aan de zijde van de Ontvanger, wat daar ook van zij, maakt dat niet anders. Het Hof merkt overigens op dat wanneer de deblokkering niet had plaatsgevonden en het saldo van de G-rekening zou worden aangewend voor de voldoening van nog openstaande belastingschulden van [A] , dit saldo – zoals de Ontvanger terecht heeft opgemerkt – zou zijn aangewend voor de nog openstaande schuld van het jaar 2005. Dit heeft derhalve geen gevolgen voor de nog openstaande belastingschuld over het jaar 2006. 4.17. Voor zover belanghebbende beoogt te stellen dat zij door de stortingen op de G-rekening zou zijn gevrijwaard, wijst het Hof deze stelling af. De stortingen op de G-rekening leidt weliswaar tot een beperking van de aansprakelijkstelling, maar niet tot een vrijwaring. Dit heeft met name te gelden in een situatie als de onderhavige waarbij de na Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de aansprakelijkstelling van belanghebbende geen strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verbod van detournement de pouvoir. 4.23. Ten overvloede merkt het Hof op dat de hoogte van het bedrag dat belanghebbende gestort heeft op de G-rekening (indirect) van invloed is geweest op het bedrag waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, doordat de Ontvanger voor de vaststelling van dit bedrag aansluiting heeft gezocht bij de voor belanghebbende meest gunstige uitkomst van de onder 2.13.2 en 2.13.3 beschreven berekenwijzen en bij berekenwijze 1 de storting van belanghebbende op de G-rekening in mindering wordt gebracht op het maximale bedrag waarvoor belanghebbende aansprakelijk gesteld kan worden. Hier doet niet aan af dat in het onderhavige geval berekenwijze 2, waarbij geen rekening wordt gehouden met de storting van belanghebbende op de G-rekening, de voor belanghebbende meest gunstige uitkomst oplevert. Vraag 8: Dient de aansprakelijkstelling van belanghebbende te worden verminderd in verband met een hogere totale omzet van [A] dan waar de Ontvanger vanuit is gegaan? 4.24. Voor zover belanghebbende betoogt dat bij de berekening van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk is gesteld een onjuiste omzet van [A] is gehanteerd, aangezien niet uitgesloten is dat de totale omzet van [A] hoger is geweest, met als gevolg dat het aandeel van belanghebbende daarin en daarmee de omvang van haar aansprakelijkstelling lager dient te worden vastgesteld, oordeelt het Hof als volgt. 4.25. De Ontvanger heeft in dit kader betoogd dat bij de berekening van het aandeel van belanghebbende in de totale omzet van [A] en daarmee van de omvang van haar aansprakelijkstelling, bij gebrek aan een deugdelijke administratie van [A] , is uitgegaan van de opgave van omzetgegevens van de inleners van personeel van [A] , welk bedrag hoger uitkwam dan de totale omzet zoals door [A] op aangifte is aangegeven. 4.26. De Ontvanger heeft in de beroepsfase een onderbouwing gegeven van de berekening van het aansprakelijkheidsaandeel van belanghebbende. Bij schrijven met dagtekening 16 juni 2014 heeft de Ontvanger in de bijlage de onder 2.13.2 en 2.13.3 vermelde berekeningen opgenomen. Ter onderbouwing van de totale omzet van [A] heeft de Ontvanger bij geschrift met dagtekening 6 juni 2016 een overzicht overgelegd waarin, voor zover in hoger beroep relevant, de omzetten van andere inleners van personeel van [A] ter zake van het jaar 2006 vermeld waren evenals het totaalbedrag van de door deze inleners in dat jaar behaalde omzetten. Het in dit overzicht vermelde totaalbedrag is gelijk aan de totale omzet waarvan de Ontvanger is uitgegaan bij de berekening van de aansprakelijkstelling. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met de stelling dat er mogelijk meer omzet is gerealiseerd bij andere inleners. 4.27. Het Hof is van oordeel dat de Ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat de omzetbedragen waarvan hij is uitgegaan, zijn gebaseerd op de omzetgegevens die afkomstig zijn van de inleners. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te betogen dat er mogelijk meer inleners zijn waardoor de totale omzet van [A] hoger is, heeft belanghebbende daarvoor geen enkel bewijs geleverd. Het standpunt van belanghebbende, inhoudende dat niet uitgesloten is dat de omzet feitelijk hoger was, is door haar dan ook niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep faalt in zoverre. Vraag 9: Heeft de Ontvanger in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door slechts inleners van personeel van [A] in een onderzoek te betrekken waarbij het belang meer dan € 500 bedraagt? 4.28. Belanghebbende heeft, naar aanleiding van de door de Ontvanger verstrekte gegevens, gesteld dat de Ontvanger het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door niet bij alle inleners onderzoeken in te stellen c.q. door niet alle inleners aansprakelijk te stellen. In dat kader heeft belanghebbende tevens gesteld dat het hanteren van een do Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij door het in de administratie noteren van de namen en sofinummers van het van [A] ingeleende personeel, het persoonlijk controleren van identiteitsbewijzen van deze werknemers, het zetten van een “vinkje” ter accordering van deze identiteitsbewijzen en het specificeren van het door betreffende personeel gewerkte aantal uren, voldaan heeft aan de in de Leidraad Invordering 2008 gestelde voorwaarden voor matiging. 4.37. De Ontvanger heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat belanghebbendes administratie onvoldoende is om de identiteit van de ingeleende kracht aan te tonen. Daartoe had belanghebbende, volgens de Ontvanger, identiteitsbewijzen in de administratie moeten opnemen dan wel gegevens moeten noteren van identiteitsbewijzen, zoals soort identiteitsbewijs, nummer en geldigheidsduur. Belanghebbende heeft dit, volgens de Ontvanger, verzuimd. 4.38. Artikel 34, eerste lid, van de IW luidde in 2012: “Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener, dan wel – in geval doorlening plaatsvindt – de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete.” 4.39. Artikel 34.8.2 van de Leidraad Invordering 2008 luidde in 2012, voor zover in de onderhavige procedure relevant, als volgt: “De inlener is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door de uitlener over het werk zijn verschuldigd. De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de inlener de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden door de ingeleende arbeidskrachten. Als mocht blijken dat het in de administratie van de inlener opgenomen BSN/sofinummer van de werknemer onjuist is, zal de inlener in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste BSN/sofinummer te overleggen. Als de inlener de identiteit van de werknemer kan aantonen en hij legt tevens de gegevens over aan de hand waarvan het loon van de werknemer kan worden geïndividualiseerd, dan zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen. (…) Deze ‘tariefmatiging’ – die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag – vindt niet plaats als de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener met anoniem personeel werkte. De beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft daardoor achterwege.” 4.40. In het jaar 2014 is artikel 34.8.2 van de Leidraad Invordering 2008 gewijzigd in die zin dat de inlener de identiteit van de werknemer niet meer hoeft aan te tonen door het overleggen van kopieën van identiteitsbewijzen. Artikel 34.8.2 van de Leidraad Invordering 2008 luidde in het jaar 2014, voor zover in de onderhavige procedure relevant, als volgt: “De inlener is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door de uitlener over het werk zijn verschuldigd. De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de inlener de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden door de ingeleende arbeidskrachten. Al