Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-10
ECLI:NL:GHSHE:2017:4429
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.187.375/01 arrest van 10 oktober 2017 in de zaak van [Praktijken] Praktijken B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. E.J.C. de Jong te Utrecht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. G.J. Knotter te Utrecht, op het bij exploot van dagvaarding van 16 juni 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 18 maart 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 355660 CV EXPL 12-5303) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel appel, tevens houdende vermeerdering van eis met producties; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens antwoord vermeerdering van eis; de bij H 12 formulier d.d. 9 augustus 2017 van de zijde van [geïntimeerde] toegezonden producties en productieoverzicht voor pleidooi, het pleidooi d.d. 24 augustus 2017, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en waarbij de bij voornoemd H 12 formulier toegezonden producties in het geding zijn gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. a. [geïntimeerde] is op 5 juli 1999 bij (één van de rechtsvoorgangers van) [appellante] in dienst getreden in de functie van dierenarts. Aanvankelijk heeft [geïntimeerde] (mede) kleine huisdieren behandeld doch sinds jaren behandelde hij vooral varkens en runderen. b. Op 28 mei 2006 is [geïntimeerde] een ongeval overkomen bij boer [boer 1] . Een koe heeft met de kop tegen het rechterbovenbeen van [geïntimeerde] geslagen. c. Na enkele dagen rust is [geïntimeerde] weer aan het werk gegaan, zij het met aangepaste werkzaamheden. d. Op 28 augustus 2006 is tijdens het inenten van varkens een varken (onzacht) tegen de reeds gekwetste knie aangelopen/gesprongen met opnieuw letsel tot gevolg. [geïntimeerde] had zich voor een maandag-routine-bezoek begeven naar boer [boer 2] . Aldaar aangekomen bleek dat de varkens (nog) niet waren ge-ent door een collega van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is eigener beweging overgegaan tot het enten van de varkens. e. Ter beoordeling van de aansprakelijkheid ex artikel 6:179 BW hebben [geïntimeerde] en boer [boer 1] een expertise laten verrichten door dr. [deskundige 1] , verbonden aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. In zijn definitieve rapportage geeft de deskundige aan dat sprake is van aansprakelijkheid van [boer 1] met 30% eigen schuld. De bindendheid van dit oordeel is bevestigd bij deelgeschilbeschikking van de rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond, van 4 januari 2012. f. In verband met de schadeafwikkeling en ter beoordeling van het medisch causaal verband hebben [geïntimeerde] en [assuradeur] (assuradeur van [boer 1] ) Prof. Dr. [deskundige 2] van het Universitair Orthopeadisch Expertise Centrum Nijmegen (UMC St. Radboud) (hierna: [deskundige 2] , hof) verzocht een expertise te verrichten. Het onderzoek heeft geresulteerd in het rapport van [deskundige 2] d.d. 28 maart 2012. g. Vanaf maart 2007 is [geïntimeerde] arbeidsongeschikt. Aan [appellante] is een loonsanctie opgelegd. [appellante] heeft tot 20 maart 2010 aan [geïntimeerde] het loon door moeten betalen. h. Bij beslissing van 17 maart 2010 heeft het UWV aan [geïntim Hij heeft, kort gezegd, geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende voor recht te verklaren dat [appellante] ex artikel 7:658 BW en/of artikel 7:611 juncto artikel 7:658a BW aansprakelijk is voor de schade van [geïntimeerde] als gevolg van de bedrijfsongevallen van 28 mei en 28 augustus 2006 alsmede als gevolg van een tekortkoming in de nakoming van de re-integratie verplichtingen, met veroordeling van [appellante] tot betaling van de materiële en immateriële schade, met wettelijke rente, op te maken bij staat en te vereffenen naar de wet en veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het principaal en incidenteel appel. 3.6. [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [geïntimeerde] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. [appellante] heeft, kort gezegd, geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten. Knieletsel 3.7. Met grief 1 in principaal hoger beroep betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte als feit heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] door het voorval met de koe letsel aan zijn rechterknie heeft opgelopen en dat de kantonrechter (r.o. 4.3) op onjuiste gronden heeft aangenomen dat [geïntimeerde] de gestelde schade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De enkele omstandigheid dat het voorval met de koe tijdens het werk heeft plaatsgevonden wil nog niet zeggen dat de gestelde schade is opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden. [geïntimeerde] heeft niet aangetoond dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval met de koe op 28 mei 2006 en (blijvend) knieletsel. Dat causaal verband kan niet worden aangenomen op basis van het rapport van [deskundige 2] . Uit het rapport blijkt dat er mogelijk tijdens de kopstoot van de koe een ruptuur is opgetreden van de tractus ileotibialis en dit kan leiden tot patellofemorale instabiliteitsklachten, terwijl dit volgens [deskundige 2] niet is gediagnotiseerd en ook op een later tijdstip heel moeilijk alsnog is te diagnotiseren. Voorts doet het klachtenpatroon zoals betrokkene beschrijft [deskundige 2] vermoeden dat mogelijk sprake was van een traumatische ruptuur. Het door prof [deskundige 2] geformuleerde vermoeden is evenwel niet voldoende om aan te nemen dat dat [geïntimeerde] de gestelde schade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. [geïntimeerde] dient aannemelijk te maken dat zijn klachten daadwerkelijk door blootstelling aan schadelijke werkomstandigheden zijn veroorzaakt. Aldus [appellante] . 3.8. Het hof oordeelt dat [appellante] niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [geïntimeerde] het ongeval met de koe is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Naar het hof begrijpt ziet grief 1 op de vraag of causaal verband bestaat tussen het ongeval en de beweerde schade. Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof het volgende voorop. “(…) Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zi [geïntimeerde] bespreekt dat [deskundige 1] blijkbaar vond dat [geïntimeerde] het niet alleen kon, nu [deskundige 1] zich afvraagt waarom [geïntimeerde] zich op de gevaarlijke locatie bevond toen er niemand in de buurt was. Volgens [geïntimeerde] was het noodzakelijk dat hij zich op die plaats bevond. Daar het zeil waarop de koe lag was verschoven diende dat vanwege infectiegevaar van de wond onmiddellijk te worden verlegd. De aanwezigheid van de boer had het ongeval, volgens [geïntimeerde] , kunnen voorkomen nu deze daartoe door [geïntimeerde] geïnstrueerd zo nodig de kop in bedwang had kunnen houden.Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] haar zorgplicht geschonden omdat zij er geen zorg voor heeft gedragen dat [geïntimeerde] een touw had en dit door de boer moest worden gehaald. 3.15. [appellante] betoogt dat er geen normen in de beroepsgroep bekend zijn over de inhoud van een spoedkoffer of de uitrusting van de dierenarts. [geïntimeerde] was als (ervaren) dierenarts zelf verantwoordelijk voor zijn uitrusting en niet de praktijk. Op een dierenarts die spoeddienst heeft rust een eigen professionele verantwoordelijkheid om te controleren of de spoedkoffer op orde is. Wanneer materiaal ontbrak had [geïntimeerde] dit alsnog op de praktijk kunnen halen. De aard van de werkzaamheden brengt mee dat dierenartsen zelfstandig werken en de behandelingen van grote landbouwhuisdieren plaatsvinden op locaties waarover [appellante] geen zeggenschap heeft, terwijl [geïntimeerde] , gezien zijn opleiding en ervaring, wist hoe hij in een situatie die zich heeft voorgedaan diende te handelen. Met een beroep op het rapport van [deskundige 1] betoogt [appellante] voorts dat [geïntimeerde] niets te zoeken had op de plaats waar hij zich tijdens het ongeval bevond en het gevaar bijna nooit in de kop van de koe schuilt zodat dit voor [appellante] niet kenbaar was. 3.16. Het hof oordeelt als volgt. [appellante] heeft niet betwist dat aanwezigheid van de boer het ongeval had kunnen voorkomen en evenmin dat deze afwezig was om een touw te halen. Evenmin heeft [appellante] de noodzaak van een touw om de achterpoot onder de koe vandaan te krijgen betwist. Voorts heeft [appellante] terecht niet de gelding van de door de kantonrechter gehanteerde norm - dat artikel 7:658 BW een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de werkzaamheden vergt en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van door hem gegeven instructies en zo nodig aanvullende veiligheidsmaatregelen treft - bestreden. Deze norm is ook in hoger beroep het uitgangspunt. Nu het opnemen van een touw in de standaarduitrusting van een dierenarts een eenvoudige maatregel is, terwijl een touw in de uitoefening van de werkzaamheden kennelijk nodig is wanneer bepaalde omstandigheden zich voordoen, zoals in het onderhavige geval het onder zich trekken van een achterpoot door de koe, had van [appellante] mogen worden verwacht dat zij voor het benodigde touw in de standaarduitrusting had zorggedragen. Dat [appellante] geen rekening behoefde te houden met het onder zich trekken van haar poot door de koe is gesteld nog gebleken. Aan het voorgaande doet niet af, voor zover daar vanuit moet worden gegaan, dat het voor [appellante] niet kenbaar was dat het gevaar in de kop van de koe school. [appellante] dient ook rekening te houden met onverwachte bewegingen van dieren. 3.17. Het betoog van [appellante] dat [geïntimeerde] als (ervaren) dierenarts zelf verantwoordelijk was voor zijn uitrusting, mede nu [appellante] op de locatie waar de werkzaamheden werden uitgeoefend geen zeggenschap had, zijn spoedkoffer zelf had moeten controleren en zo nodig touw op de praktijk had moeten halen gaat niet op. [appellante] dient er rekening mee te houden dat werknemers wel eens nalaten de zorgvuldigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is, terwijl is ges Daar de bewijslast van schending van goed werkgeverschap en de dientengevolge geleden schade rust op [geïntimeerde] , lag het op de weg van [geïntimeerde] de medische causaliteit tussen de door hem gestelde schending van goed werkgeverschap en zijn psychische klachten te onderbouwen. [geïntimeerde] heeft dat niet althans onvoldoende gedaan. [geïntimeerde] heeft wel medische stukken overgelegd, maar een onafhankelijk onderzoek naar het causaal verband tussen welke, van de gestelde, tekortkomingen in het re-integratie traject en het psychisch letsel bij [geïntimeerde] en de eigen anamnese van [geïntimeerde] ontbreekt. In zoverre slaagt grief 1 in principaal appel. [geïntimeerde] heeft overigens ook niet aangevoerd wat [appellante] had kunnen doen om psychisch letsel van [geïntimeerde] te voorkomen. Aldus heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van schending van zorgvuldige begeleiding bij de re-integratie welke in causaal verband staat met het door hem gestelde psychisch letsel. In zoverre slaagt grief 1 in principaal appel en faalt grief 3 in incidenteel appel. 3.26. Het in zoverre slagen van grief 1 in principaal appel kan evenwel niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, nu de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] betreffende het psychisch letsel reeds heeft afgewezen. 3.27. Grief 1 in incidenteel appel, met welke grief [geïntimeerde] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] haar zorgplicht niet heeft geschonden door [geïntimeerde] te lang achtereen te laten werken, behoeft gezien het voorgaande geen beoordeling. De grief is voorwaardelijk ingesteld, voor het geval het hof niet reeds op andere gronden oordeelt dat [appellante] te kort is geschoten in haar zorgplicht. 3.28. Ook grief 2 in incidenteel appel behoeft gezien al het voorgaande geen beoordeling. Deze grief - waarmee [geïntimeerde] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] niet (tevens) aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het incident met het varken - is, naar van de zijde van [geïntimeerde] bij pleidooi is gesteld, voorwaardelijk ingesteld voor het geval geen aansprakelijkheid van [appellante] bestaat voor het ongeval met de koe. 3.29. Alhoewel [geïntimeerde] geen conclusie heeft verbonden aan zijn slotopmerking (subsidiair) dat, voor het geval [appellante] niet reeds op grond van artikel 7:658W aansprakelijk is voor het ongeval/de ongevallen, zij dat is op de voet van artikel 7:611 BW, omdat zij geen ongevallenverzekering heeft afgesloten, oordeelt het hof als volgt. De uit goedwerkgeverschap voortvloeiende verzekerplicht omvat niet het onderhavige geval (vgl. HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215). De slotopmerking gaat niet op. 3.30. Een en ander brengt mee dat het hof zich verenigt met de beslissingen van de kantonrechter. Grief 3 in principaal appel faalt derhalve. 3.31. Al het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en dat [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal appel. Het hof ziet aanleiding de kosten van het incidenteel hoger beroep te compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. 4 De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 311,-- aan griffierecht en op € 2.682,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; compenseert de proceskosten in incidenteel hoger beroep, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt; verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voor