Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-06
ECLI:NL:GHSHE:2017:4288
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/00251 tot en met 16/00254, 16/03646 en 16/03647 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 19 februari 2016, nummers BRE 15/1352, 15/1831, 15/3916 en 15/5368, en van 7 juli 2016, nummers BRE 15/6871 en 15/7239, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende de hierna vermelde voldoeningen op aangifte. 1 Ontstaan en loop van het geding 16/00251 tot en met 16/00254 1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 24 februari 2014, 25 augustus 2014, 24 november 2014 en 23 februari 2015, de volgende rekeningen motorrijtuigenbelasting (MRB) naar belanghebbende gestuurd: Tijdvak: Kenteken: Belastingbedrag: 22 februari 2014 – 21 mei 2014 [kenteken] € 331 22 augustus 2014 – 21 november 2014 [kenteken] € 331 22 november 2014 – 21 februari 2015 [kenteken] € 331 22 februari 2015 – 21 mei 2015 [kenteken] € 333 1.2. Belanghebbende heeft de belastingbedragen op respectievelijk 27 maart 2014, 5 september 2014, 3 december 2014 en 4 maart 2015 voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bij brieven van respectievelijk 30 maart 2014, 4 oktober 2014, 16 december 2014 en 6 maart 2015 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft niet het bezwaarschrift van 30 maart 2014, maar een bezwaarschrift van belanghebbende van 2 juni 2014 gericht tegen de voldoening van MRB over een ander tijdvak aangemerkt als bezwaar gericht tegen de voldoening van MRB over het tijdvak 22 februari 2014 tot en met 21 mei 2014. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 30 maart 2015 dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De Inspecteur heeft bij uitspraken van respectievelijk 23 maart 2015, 3 juli 2015 en 8 mei 2015 de overige bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank in alle vier zaken van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep met nummer 15/1831 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de op de aangifte voldane MRB gehandhaafd en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt. De Rechtbank heeft het beroep in de overige zaken ongegrond verklaard en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van telkens € 45 aan deze vergoedt. 1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd. 16/03646 en 16/03647 1.6. De Inspecteur heeft met dagtekening 22 mei 2015 en 24 augustus 2015 de volgende rekeningen MRB naar belanghebbende gestuurd: Tijdvak: Kenteken: Belastingbedrag: 22 mei 2015 – 21 augustus 2015 [kenteken] € 333 22 augustus 2015 – 21 november 2015 [kenteken] € 333 1.7. Belanghebbende heeft de belastingbedragen op respectievelijk 3 juni 2015 en 16 september 2015 voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bij brieven van respectievelijk 6 juni 2015 en 21 september 2015 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken van respectievelijk 11 september 2015 en 2 november 2015 de bezwaren ongegrond verklaard. 1.8. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt. 1.9. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, tot gegrondverklaring van de beroepen, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot teruggaaf van de op aangifte voldane motorrijtuigenbelasting. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Vooraf 4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) wordt onder de naam motorrijtuigenbelasting een belasting geheven ter zake van het houden van motorrijtuigen, waaronder personenauto’s. Tot en met 31 december 2013 gold een vrijstelling voor motorrijtuigen ouder dan 30 jaar met een overgangsregeling voor motorrijtuigen ouder dan 25 jaar (artikel 72, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid van de Wet MRB) en was belanghebbende voor de onderhavige personenauto geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Met ingang van 1 januari 2014 is artikel 72, eerste lid, onderdeel b van de Wet MRB gewijzigd en is de leeftijdsgrens van motorrijtuigen voor vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verhoogd naar 40 jaar. De Inspecteur heeft belanghebbende in december 2013 schriftelijk op de hoogte gesteld van voormelde voorgestelde wetswijziging. Ten aanzien van de eerste vraag 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het per 1 januari 2014 gewijzigde artikel 72, eerste lid, onderdeel b van de Wet MRB, belanghebbende motorrijtuigenbelasting verschuldigd is voor de auto. Belanghebbende stelt echter dat de mededeling van 2011 een beschikking is die nimmer is ingetrokken en dat wetswijziging alleen niet betekent dat het rechtsgevolg van die mededeling teniet gaat. 4.3. Sedert 1 januari 2007 bepaalt de Wet MRB niet langer dat de oldtimervrijstelling na een daartoe gedaan verzoek bij beschikking van de inspecteur van toepassing is. De vrijstelling geldt sindsdien van rechtswege wanneer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan. Dit betekent dat de mededeling van 2011 van informatieve aard is en niet kan worden aangemerkt als een krachtens de wettelijke bepalingen gegeven beschikking gericht op een zelfstandig rechtsgevolg (vgl. Hoge Raad 23 december 2016, nr. 15/02137, ECLI:NL:HR:2016:2829). Anders dan belanghebbende meent is derhalve met de mededeling van 2011 geen zelfstandig rechtsgevolg ontstaan, welk rechtsgevolg bij voor bezwaar vatbare beschikking zou moeten worden teniet gedaan. De stelling van belanghebbende faalt. Dat in artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit MRB) is bepaald dat de vrijstelling ‘wordt verleend’, noopt evenmin tot deze conclusie. 4.4. De enkele vermelding op de mededeling van 2011 dat bezwaar mogelijk is, leidt er evenmin toe dat sprake is van een beschikking gericht op zelfstandig rechtsgevolg. Hetzelfde heeft te gelden voor de door belanghebbende ter zitting overgelegde informatie afkomstig van de website van de Belastingdienst. Zo al zou deze informatie onjuistheden bevatten en hieruit volgen dat de vrijstelling bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt verleend, moet, met het oog op het belang dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, worden aanvaard dat onjuiste voorlichting door de fiscus in de regel niet voor diens rekening komt (vgl. Hoge Raad 24 september 2010, nr. 08/03539, ECLI:NL:HR:2010:BM1206). De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat in het onderhavige geval sprake is van schade ten gevolge van het voortbouwen op gerechtvaardigd vertrouwen op die informatie, op grond waarvan een uitzondering op de genoemde regel aangenomen zou kunnen worden. 4.5. Belanghebbende mocht aan de mededeling van 2011 voorts niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de oldtimervrijstelling ook na 1 januari 2014 voor de auto v Om zowel budgettaire als milieuoverwegingen heeft de wetgever daarom gekozen voor een aanscherping van de wettelijke eisen, waarbij de regeling nog slechts van toepassing is op motorrijtuigen die 40 jaar of ouder zijn. Evenals het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 17 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1378 heeft beslist, is de rechtbank van oordeel dat de wetgever hiermee een legitiem doel nastreeft en dat deze keuze – mede in het licht van de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt – niet evident van redelijke grond is ontbloot. 2.16. De wijziging van het vrijstellingsregime voor oldtimers is neergelegd in de wettelijke regeling zoals deze met ingang van 1 januari 2014 luidt. Ook overigens wordt – naar het oordeel van de rechtbank – voldaan aan de vereisten van ‘lawfullnes’. 2.17. Ter onderbouwing van de stelling van belanghebbende inhoudend dat de wetgever de zogenoemde ‘fair balance’ heeft overschreden, in die zin dat voor belanghebbende sprake is van een buitensporige last, heeft belanghebbende ter zitting een taxatierapport overgelegd. De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat duidelijk is dat belanghebbende na de wetswijziging per 1 januari 2014 slechter af is dan daarvoor, en dat in die zin sprake is van een last voor belanghebbende, maar hij heeft zich op het standpunt gesteld dat deze last niet buitensporig is in de zin dat de wetgever de zogenoemde “fair balance” zou hebben overschreden. 2.18 De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De reguliere heffing van motorrijtuigenbelasting, die evenzeer geldt voor andere motorrijtuigen, kan niet worden aangemerkt als een buitensporige last. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, heeft geoordeeld, brengt het enkele feit dat een auto als gevolg van de hogere motorrijtuigenbelasting in waarde is gedaald, in zijn algemeenheid niet mee, ook niet in samenhang met de verschuldigde belasting, dat sprake is van een met artikel 1 EP strijdige buitensporige last. Met het overleggen van het genoemde taxatierapport heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de kostenstijging en waardedaling in haar geval zozeer sterker is dan in het algemeen, dat van een overschrijding van een “fair balance” sprake zou zijn. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat belanghebbende het motorrijtuig nog steeds gebruikt en de gestelde waardedaling zich thans nog niet daadwerkelijk - door een verkoop - heeft voorgedaan. 2.19. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van artikel 1 EP.” De Rechtbank is in de uitspraak op het beroep met de nummers 15/1352, 15/1831, 15/3916 en 15/5368 in bewoordingen van gelijke strekking tot hetzelfde oordeel gekomen, met dien verstande dat de Rechtbank in die uitspraak niet is ingegaan op het taxatierapport. In dat beroep had belanghebbende dit taxatierapport niet overgelegd. 4.10. Voor zover belanghebbende verwijst naar hetgeen in beroep is aangevoerd, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof overweegt in dit kader dat wijziging van wetgeving voor een belastingplichtige alleen dan kan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103). Dat kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle houders van motorrijtuigen ouder dan 25 jaren geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor hem teweegbrengen (vgl. HR 17 maart 2017, nr. 15/04187, ECLI:NL:HR:2017:441). De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende met overlegging van het taxatierapport daaraan niet heeft voldaan. 4.11. In hoger beroep heeft belanghebbende voorts aangevoerd dat voor de beoordeling of sprake is van een buitensporige last, dient t