Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2016-11-15
ECLI:NL:GHSHE:2016:5096
Strafrecht
Hoger beroep
15,267 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-001140-15
Uitspraak : 15 november 2016
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 maart 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-666042-13 tegen:
[verdachte] ,
geboren te Tilburg op [geboortedag] 1992,
volgens mondelinge opgave ter terechtzitting wonende te [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 11 juni 2013, te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de noordelijke rijbaan van, de Ringbaan-Zuid en naderend de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Oude Goirleseweg, zulks terwijl toen het verkeer op genoemde kruising/splitsing van wegen werd geregeld middels een, aldaar geplaatste, tijdelijke (in werking zijnde) driekleurige verkeersregelinstallatie en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ter hoogte van voormelde kruising/splitsing van wegen, wegwerkzaamheden in uitvoering waren, aangeduid middels het verkeersbord: "J-16" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "werk in uitvoering") en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ten behoeve van voormelde wegwerkzaamheden een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur van kracht was, aangeduid middels het verkeersbord "A-1" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "50"), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig rijdende met een snelheid, gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur, althans rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in ieder geval – gezien de voren omschreven verkeersomstandigheden – rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan toen voor een veilig verkeer ter plaatse vereist was en/of zonder (voldoende) rekening te houden met en/of zonder (voldoende) te anticiperen op de (gewijzigde) wegsituatie ter plaatse, het kruisingsvlak van genoemde kruising/splitsing van wegen zowel te naderen, als (vervolgens) op te rijden, op het moment dat de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Renault) (rijdende over de zuidelijke rijbaan van de Ringbaan-Zuid, komende uit de richting van de Ringbaan-West en gaande in de richting van de weg, de Oude Goirleseweg) doende was die kruising/splitsing van wegen, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "van links naar rechts" op- en/of over te rijden, althans welk motorrijtuig (personenauto, Renault) zich (nagenoeg) op het kruisingsvlak van voormelde kruising/splitsing van wegen bevond, (mede) ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, BMW) in botsing/aanrijding is gekomen met het motorrijtuig (personenauto, Renault), waardoor de bestuurder (genaamd: [slachtoffer] ) van voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) werd gedood;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 11 juni 2013, te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de noordelijke rijbaan van, de Ringbaan-Zuid en naderend de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Oude Goirleseweg, zulks terwijl toen het verkeer op genoemde kruising/splitsing van wegen werd geregeld middels een, aldaar geplaatste, tijdelijke (in werking zijnde) driekleurige verkeersregelinstallatie en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ter hoogte van voormelde kruising/splitsing van wegen, wegwerkzaamheden in uitvoering waren, aangeduid middels het verkeersbord: "J-16" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "werk in uitvoering") en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ten behoeve van voormelde wegwerkzaamheden een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur van kracht was, aangeduid middels het verkeersbord "A-1" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "50"), met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig rijdende met een snelheid, gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur, althans rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in ieder geval – gezien de voren omschreven verkeersomstandigheden – rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan toen voor een veilig verkeer ter plaatse vereist was en/of zonder (voldoende) rekening te houden met en/of zonder (voldoende) te anticiperen op de (gewijzigde) wegsituatie ter plaatse, het kruisingsvlak van genoemde kruising/splitsing van wegen zowel is genaderd, als (vervolgens) is opgereden, op het moment dat de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Renault) (rijdende over de zuidelijke rijbaan van de Ringbaan-Zuid, komende uit de richting van de Ringbaan-West en gaande in de richting van de weg, de Oude Goirleseweg) doende was die kruising/splitsing van wegen, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "van links naar rechts" op- en/of over te rijden, althans welk motorrijtuig (personenauto, Renault) zich (nagenoeg) op het kruisingsvlak van voormelde kruising/splitsing van wegen bevond, waarna hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, BMW) in botsing/aanrijding is gekomen met het motorrijtuig (personenauto, Renault), waarbij de bestuurder (genaamd: [slachtoffer] ) van voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) dodelijk letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde
Het hof acht op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Feiten
De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat alleen de snelheidsovertreding onvoldoende is voor een bewezenverklaring van – naar het hof begrijpt – het veroorzaken van gevaar op de weg. De raadsman heeft in dit verband gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215, alsmede op de omstandigheid dat de auto van het slachtoffer, [slachtoffer] , geen verlichting voerde en dat [slachtoffer] waarschijnlijk door rood is gereden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met een snelheid gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur de in de tenlastelegging bedoelde kruising is opgereden.
De vraag is vervolgens of deze bewezenverklaarde feitelijke gedraging is aan te merken als een gedraging waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW 1994. Die vraag dient naar het oordeel van het hof bevestigend te worden beantwoord. Verdachte is de betreffende binnen de bebouwde kom gelegen kruising opgereden met een snelheid die lag tussen maar liefst bijna tweemaal en bijna driemaal de aldaar maximaal toegestane snelheid. Dit terwijl het op dat moment donker was en er wegwerkzaamheden in uitvoering waren, hetgeen de verdachte (zoals hij heeft verklaard) bekend was. Door met een zo een aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid een kruising op te rijden, zonder (voldoende) rekening te houden met en zonder te anticiperen op de gewijzigde wegsituatie, heeft verdachte naar het oordeel van het hof gevaar op de weg veroorzaakt. Hieraan doet niet af dat de door [slachtoffer] bestuurde auto (mogelijk) geen verlichting voerde. Zelfs als zou komen vast te staan dat [slachtoffer] door rood gereden is, hetgeen evenwel niet is onderzocht, zou dat het oordeel van het hof in dit geval niet anders maken.
De door de verdediging gemaakte vergelijking met de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215 gaat niet op, reeds omdat in die zaak de gemaakte snelheidsovertreding beduidend lager was dan in de onderhavige zaak.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.
Weliswaar is in deze zaak de redelijke termijn niet overschreden, maar het heeft wel bijna twee jaar geduurd voordat de zaak in eerste aanleg is behandeld en bijna anderhalf jaar voordat de zaak in hoger beroep is behandeld. Het tijdsverloop moet strafmatigend werken, aldus de verdediging.
Een ontzegging van de rijbevoegdheid zou betekenen dat verdachte zijn werk als koerier niet kan uitoefenen, waardoor hij geen inkomen heeft en zijn schulden niet kan afbetalen.
Verder moet ermee rekening gehouden worden dat het slachtoffer zich ook niet aan de verkeersregels heeft gehouden door geen verlichting te voeren en door waarschijnlijk door rood te rijden. De gevolgen van het ongeval zouden bovendien waarschijnlijk minder ernstig zijn geweest als het slachtoffer een autogordel had gedragen.
De raadsman verzoekt een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, althans een ontzegging van een gelijke duur als de rechtbank heeft opgelegd.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt, door als bestuurder van een auto binnen de bebouwde kom met een snelheid die bijna tweemaal of driemaal zo hoog was als de ter plaatse maximaal toegestane snelheid een kruising op te rijden, terwijl het op dat moment donker was en er maatregelen in verband met wegwerkzaamheden waren. Als gevolg hiervan heeft een aanrijding plaatsgevonden met de auto die bestuurd werd door [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft deze aanrijding niet overleefd. Hoe groot dit verlies is en welke gevolgen dit heeft, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van zijn moeder.
Uit het uittreksel van het justitieel documentatieregister d.d. 28 juli 2016, blijkt dat verdachte nadien herhaaldelijk is beboet wegens het onverzekerd rijden. Hiermee laat verdachte, koerier van beroep, een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel voor zijn medeweggebruikers zien.
Tegelijkertijd houdt het hof ermee rekening dat vaststaat dat [slachtoffer] geen autogordel droeg. Mogelijk waren de gevolgen minder desastreus geweest als hij die wel had gedragen.
Ook houdt het hof ermee rekening dat de vervolging van verdachte en berechting in eerste aanleg niet voortvarend is geweest, al is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Het hof benadrukt dat het bij de straftoemeting van belang is dat het, anders dan de rechtbank en door de advocaat-generaal gevorderd, niet bewezen heeft verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van artikel 6 van de WVW 1994. Wel acht het hof bewezen dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, maar dat is een overtreding.
Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend acht het hof oplegging van een taakstraf voor het hieronder te vermelden aantal uren passend en geboden.
Daarnaast zal het hof aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen voorwaardelijk. Het hof heeft bij de bepaling van de duur rekening gehouden met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Niettemin acht het hof, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid geboden. Met oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]
De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.164,42 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.082,71, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;
Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.382,71 (tweeduizenddriehonderd tweeëntachtig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente
over een bedrag van € 1.082,71 met ingang van 11 juni 2013
over een bedrag van € 1.300,00 met ingang van vandaag 15 november 2016
telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.382,71 (tweeduizenddriehonderdtweeëntachtig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente
over een bedrag van € 1.082,71 met ingang van 11 juni 2013
over een bedrag van € 1.300,00 met ingang van vandaag 15 november 2016
telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in 8 (acht) termijnen van 3 maanden, elke termijn groot € 297,83 (tweehonderdzevenennegentig euro en drieëntachtig cent);
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Aldus gewezen door
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Martens, griffier,
en op 15 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-001140-15
Uitspraak : 15 november 2016
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 maart 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-666042-13 tegen:
[verdachte] ,
geboren te Tilburg op [geboortedag] 1992,
volgens mondelinge opgave ter terechtzitting wonende te [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 11 juni 2013, te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de noordelijke rijbaan van, de Ringbaan-Zuid en naderend de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Oude Goirleseweg, zulks terwijl toen het verkeer op genoemde kruising/splitsing van wegen werd geregeld middels een, aldaar geplaatste, tijdelijke (in werking zijnde) driekleurige verkeersregelinstallatie en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ter hoogte van voormelde kruising/splitsing van wegen, wegwerkzaamheden in uitvoering waren, aangeduid middels het verkeersbord: "J-16" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "werk in uitvoering") en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ten behoeve van voormelde wegwerkzaamheden een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur van kracht was, aangeduid middels het verkeersbord "A-1" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "50"), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig rijdende met een snelheid, gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur, althans rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in ieder geval – gezien de voren omschreven verkeersomstandigheden – rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan toen voor een veilig verkeer ter plaatse vereist was en/of zonder (voldoende) rekening te houden met en/of zonder (voldoende) te anticiperen op de (gewijzigde) wegsituatie ter plaatse, het kruisingsvlak van genoemde kruising/splitsing van wegen zowel te naderen, als (vervolgens) op te rijden, op het moment dat de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Renault) (rijdende over de zuidelijke rijbaan van de Ringbaan-Zuid, komende uit de richting van de Ringbaan-West en gaande in de richting van de weg, de Oude Goirleseweg) doende was die kruising/splitsing van wegen, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "van links naar rechts" op- en/of over te rijden, althans welk motorrijtuig (personenauto, Renault) zich (nagenoeg) op het kruisingsvlak van voormelde kruising/splitsing van wegen bevond, (mede) ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, BMW) in botsing/aanrijding is gekomen met het motorrijtuig (personenauto, Renault), waardoor de bestuurder (genaamd: [slachtoffer] ) van voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) werd gedood;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 11 juni 2013, te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de noordelijke rijbaan van, de Ringbaan-Zuid en naderend de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Oude Goirleseweg, zulks terwijl toen het verkeer op genoemde kruising/splitsing van wegen werd geregeld middels een, aldaar geplaatste, tijdelijke (in werking zijnde) driekleurige verkeersregelinstallatie en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ter hoogte van voormelde kruising/splitsing van wegen, wegwerkzaamheden in uitvoering waren, aangeduid middels het verkeersbord: "J-16" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "werk in uitvoering") en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ten behoeve van voormelde wegwerkzaamheden een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur van kracht was, aangeduid middels het verkeersbord "A-1" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "50"), met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig rijdende met een snelheid, gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur, althans rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in ieder geval – gezien de voren omschreven verkeersomstandigheden – rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan toen voor een veilig verkeer ter plaatse vereist was en/of zonder (voldoende) rekening te houden met en/of zonder (voldoende) te anticiperen op de (gewijzigde) wegsituatie ter plaatse, het kruisingsvlak van genoemde kruising/splitsing van wegen zowel is genaderd, als (vervolgens) is opgereden, op het moment dat de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Renault) (rijdende over de zuidelijke rijbaan van de Ringbaan-Zuid, komende uit de richting van de Ringbaan-West en gaande in de richting van de weg, de Oude Goirleseweg) doende was die kruising/splitsing van wegen, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "van links naar rechts" op- en/of over te rijden, althans welk motorrijtuig (personenauto, Renault) zich (nagenoeg) op het kruisingsvlak van voormelde kruising/splitsing van wegen bevond, waarna hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, BMW) in botsing/aanrijding is gekomen met het motorrijtuig (personenauto, Renault), waarbij de bestuurder (genaamd: [slachtoffer] ) van voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) dodelijk letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde
Het hof acht op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Feiten
De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat alleen de snelheidsovertreding onvoldoende is voor een bewezenverklaring van – naar het hof begrijpt – het veroorzaken van gevaar op de weg. De raadsman heeft in dit verband gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215, alsmede op de omstandigheid dat de auto van het slachtoffer, [slachtoffer] , geen verlichting voerde en dat [slachtoffer] waarschijnlijk door rood is gereden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met een snelheid gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur de in de tenlastelegging bedoelde kruising is opgereden.
De vraag is vervolgens of deze bewezenverklaarde feitelijke gedraging is aan te merken als een gedraging waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW 1994. Die vraag dient naar het oordeel van het hof bevestigend te worden beantwoord. Verdachte is de betreffende binnen de bebouwde kom gelegen kruising opgereden met een snelheid die lag tussen maar liefst bijna tweemaal en bijna driemaal de aldaar maximaal toegestane snelheid. Dit terwijl het op dat moment donker was en er wegwerkzaamheden in uitvoering waren, hetgeen de verdachte (zoals hij heeft verklaard) bekend was. Door met een zo een aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid een kruising op te rijden, zonder (voldoende) rekening te houden met en zonder te anticiperen op de gewijzigde wegsituatie, heeft verdachte naar het oordeel van het hof gevaar op de weg veroorzaakt. Hieraan doet niet af dat de door [slachtoffer] bestuurde auto (mogelijk) geen verlichting voerde. Zelfs als zou komen vast te staan dat [slachtoffer] door rood gereden is, hetgeen evenwel niet is onderzocht, zou dat het oordeel van het hof in dit geval niet anders maken.
De door de verdediging gemaakte vergelijking met de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215 gaat niet op, reeds omdat in die zaak de gemaakte snelheidsovertreding beduidend lager was dan in de onderhavige zaak.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.
Weliswaar is in deze zaak de redelijke termijn niet overschreden, maar het heeft wel bijna twee jaar geduurd voordat de zaak in eerste aanleg is behandeld en bijna anderhalf jaar voordat de zaak in hoger beroep is behandeld. Het tijdsverloop moet strafmatigend werken, aldus de verdediging.
Een ontzegging van de rijbevoegdheid zou betekenen dat verdachte zijn werk als koerier niet kan uitoefenen, waardoor hij geen inkomen heeft en zijn schulden niet kan afbetalen.
Verder moet ermee rekening gehouden worden dat het slachtoffer zich ook niet aan de verkeersregels heeft gehouden door geen verlichting te voeren en door waarschijnlijk door rood te rijden. De gevolgen van het ongeval zouden bovendien waarschijnlijk minder ernstig zijn geweest als het slachtoffer een autogordel had gedragen.
De raadsman verzoekt een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, althans een ontzegging van een gelijke duur als de rechtbank heeft opgelegd.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt, door als bestuurder van een auto binnen de bebouwde kom met een snelheid die bijna tweemaal of driemaal zo hoog was als de ter plaatse maximaal toegestane snelheid een kruising op te rijden, terwijl het op dat moment donker was en er maatregelen in verband met wegwerkzaamheden waren. Als gevolg hiervan heeft een aanrijding plaatsgevonden met de auto die bestuurd werd door [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft deze aanrijding niet overleefd. Hoe groot dit verlies is en welke gevolgen dit heeft, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van zijn moeder.
Uit het uittreksel van het justitieel documentatieregister d.d. 28 juli 2016, blijkt dat verdachte nadien herhaaldelijk is beboet wegens het onverzekerd rijden. Hiermee laat verdachte, koerier van beroep, een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel voor zijn medeweggebruikers zien.
Tegelijkertijd houdt het hof ermee rekening dat vaststaat dat [slachtoffer] geen autogordel droeg. Mogelijk waren de gevolgen minder desastreus geweest als hij die wel had gedragen.
Ook houdt het hof ermee rekening dat de vervolging van verdachte en berechting in eerste aanleg niet voortvarend is geweest, al is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Het hof benadrukt dat het bij de straftoemeting van belang is dat het, anders dan de rechtbank en door de advocaat-generaal gevorderd, niet bewezen heeft verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van artikel 6 van de WVW 1994. Wel acht het hof bewezen dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, maar dat is een overtreding.
Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend acht het hof oplegging van een taakstraf voor het hieronder te vermelden aantal uren passend en geboden.
Daarnaast zal het hof aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen voorwaardelijk. Het hof heeft bij de bepaling van de duur rekening gehouden met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Niettemin acht het hof, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid geboden. Met oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]
De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.164,42 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.082,71, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;
Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.382,71 (tweeduizenddriehonderd tweeëntachtig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente
over een bedrag van € 1.082,71 met ingang van 11 juni 2013
over een bedrag van € 1.300,00 met ingang van vandaag 15 november 2016
telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.382,71 (tweeduizenddriehonderdtweeëntachtig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente
over een bedrag van € 1.082,71 met ingang van 11 juni 2013
over een bedrag van € 1.300,00 met ingang van vandaag 15 november 2016
telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in 8 (acht) termijnen van 3 maanden, elke termijn groot € 297,83 (tweehonderdzevenennegentig euro en drieëntachtig cent);
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Aldus gewezen door
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Martens, griffier,
en op 15 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-001140-15
Uitspraak : 15 november 2016
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 maart 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-666042-13 tegen:
[verdachte] ,
geboren te Tilburg op [geboortedag] 1992,
volgens mondelinge opgave ter terechtzitting wonende te [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 11 juni 2013, te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de noordelijke rijbaan van, de Ringbaan-Zuid en naderend de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Oude Goirleseweg, zulks terwijl toen het verkeer op genoemde kruising/splitsing van wegen werd geregeld middels een, aldaar geplaatste, tijdelijke (in werking zijnde) driekleurige verkeersregelinstallatie en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ter hoogte van voormelde kruising/splitsing van wegen, wegwerkzaamheden in uitvoering waren, aangeduid middels het verkeersbord: "J-16" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "werk in uitvoering") en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ten behoeve van voormelde wegwerkzaamheden een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur van kracht was, aangeduid middels het verkeersbord "A-1" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "50"), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig rijdende met een snelheid, gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur, althans rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in ieder geval – gezien de voren omschreven verkeersomstandigheden – rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan toen voor een veilig verkeer ter plaatse vereist was en/of zonder (voldoende) rekening te houden met en/of zonder (voldoende) te anticiperen op de (gewijzigde) wegsituatie ter plaatse, het kruisingsvlak van genoemde kruising/splitsing van wegen zowel te naderen, als (vervolgens) op te rijden, op het moment dat de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Renault) (rijdende over de zuidelijke rijbaan van de Ringbaan-Zuid, komende uit de richting van de Ringbaan-West en gaande in de richting van de weg, de Oude Goirleseweg) doende was die kruising/splitsing van wegen, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "van links naar rechts" op- en/of over te rijden, althans welk motorrijtuig (personenauto, Renault) zich (nagenoeg) op het kruisingsvlak van voormelde kruising/splitsing van wegen bevond, (mede) ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, BMW) in botsing/aanrijding is gekomen met het motorrijtuig (personenauto, Renault), waardoor de bestuurder (genaamd: [slachtoffer] ) van voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) werd gedood;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 11 juni 2013, te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de noordelijke rijbaan van, de Ringbaan-Zuid en naderend de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Oude Goirleseweg, zulks terwijl toen het verkeer op genoemde kruising/splitsing van wegen werd geregeld middels een, aldaar geplaatste, tijdelijke (in werking zijnde) driekleurige verkeersregelinstallatie en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ter hoogte van voormelde kruising/splitsing van wegen, wegwerkzaamheden in uitvoering waren, aangeduid middels het verkeersbord: "J-16" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "werk in uitvoering") en/of zulks terwijl toen op beide rijbanen van voormelde weg, de Ringbaan-Zuid, ten behoeve van voormelde wegwerkzaamheden een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur van kracht was, aangeduid middels het verkeersbord "A-1" van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (aanduidende: "50"), met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig rijdende met een snelheid, gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur, althans rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in ieder geval – gezien de voren omschreven verkeersomstandigheden – rijdende met een aanzienlijk hogere snelheid dan toen voor een veilig verkeer ter plaatse vereist was en/of zonder (voldoende) rekening te houden met en/of zonder (voldoende) te anticiperen op de (gewijzigde) wegsituatie ter plaatse, het kruisingsvlak van genoemde kruising/splitsing van wegen zowel is genaderd, als (vervolgens) is opgereden, op het moment dat de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Renault) (rijdende over de zuidelijke rijbaan van de Ringbaan-Zuid, komende uit de richting van de Ringbaan-West en gaande in de richting van de weg, de Oude Goirleseweg) doende was die kruising/splitsing van wegen, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "van links naar rechts" op- en/of over te rijden, althans welk motorrijtuig (personenauto, Renault) zich (nagenoeg) op het kruisingsvlak van voormelde kruising/splitsing van wegen bevond, waarna hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, BMW) in botsing/aanrijding is gekomen met het motorrijtuig (personenauto, Renault), waarbij de bestuurder (genaamd: [slachtoffer] ) van voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) dodelijk letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde
Het hof acht op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Feiten
De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat alleen de snelheidsovertreding onvoldoende is voor een bewezenverklaring van – naar het hof begrijpt – het veroorzaken van gevaar op de weg. De raadsman heeft in dit verband gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215, alsmede op de omstandigheid dat de auto van het slachtoffer, [slachtoffer] , geen verlichting voerde en dat [slachtoffer] waarschijnlijk door rood is gereden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met een snelheid gelegen tussen 97 kilometer per uur en 133 kilometer per uur de in de tenlastelegging bedoelde kruising is opgereden.
De vraag is vervolgens of deze bewezenverklaarde feitelijke gedraging is aan te merken als een gedraging waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW 1994. Die vraag dient naar het oordeel van het hof bevestigend te worden beantwoord. Verdachte is de betreffende binnen de bebouwde kom gelegen kruising opgereden met een snelheid die lag tussen maar liefst bijna tweemaal en bijna driemaal de aldaar maximaal toegestane snelheid. Dit terwijl het op dat moment donker was en er wegwerkzaamheden in uitvoering waren, hetgeen de verdachte (zoals hij heeft verklaard) bekend was. Door met een zo een aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid een kruising op te rijden, zonder (voldoende) rekening te houden met en zonder te anticiperen op de gewijzigde wegsituatie, heeft verdachte naar het oordeel van het hof gevaar op de weg veroorzaakt. Hieraan doet niet af dat de door [slachtoffer] bestuurde auto (mogelijk) geen verlichting voerde. Zelfs als zou komen vast te staan dat [slachtoffer] door rood gereden is, hetgeen evenwel niet is onderzocht, zou dat het oordeel van het hof in dit geval niet anders maken.
De door de verdediging gemaakte vergelijking met de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215 gaat niet op, reeds omdat in die zaak de gemaakte snelheidsovertreding beduidend lager was dan in de onderhavige zaak.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.
Weliswaar is in deze zaak de redelijke termijn niet overschreden, maar het heeft wel bijna twee jaar geduurd voordat de zaak in eerste aanleg is behandeld en bijna anderhalf jaar voordat de zaak in hoger beroep is behandeld. Het tijdsverloop moet strafmatigend werken, aldus de verdediging.
Een ontzegging van de rijbevoegdheid zou betekenen dat verdachte zijn werk als koerier niet kan uitoefenen, waardoor hij geen inkomen heeft en zijn schulden niet kan afbetalen.
Verder moet ermee rekening gehouden worden dat het slachtoffer zich ook niet aan de verkeersregels heeft gehouden door geen verlichting te voeren en door waarschijnlijk door rood te rijden. De gevolgen van het ongeval zouden bovendien waarschijnlijk minder ernstig zijn geweest als het slachtoffer een autogordel had gedragen.
De raadsman verzoekt een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, althans een ontzegging van een gelijke duur als de rechtbank heeft opgelegd.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt, door als bestuurder van een auto binnen de bebouwde kom met een snelheid die bijna tweemaal of driemaal zo hoog was als de ter plaatse maximaal toegestane snelheid een kruising op te rijden, terwijl het op dat moment donker was en er maatregelen in verband met wegwerkzaamheden waren. Als gevolg hiervan heeft een aanrijding plaatsgevonden met de auto die bestuurd werd door [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft deze aanrijding niet overleefd. Hoe groot dit verlies is en welke gevolgen dit heeft, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van zijn moeder.
Uit het uittreksel van het justitieel documentatieregister d.d. 28 juli 2016, blijkt dat verdachte nadien herhaaldelijk is beboet wegens het onverzekerd rijden. Hiermee laat verdachte, koerier van beroep, een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel voor zijn medeweggebruikers zien.
Tegelijkertijd houdt het hof ermee rekening dat vaststaat dat [slachtoffer] geen autogordel droeg. Mogelijk waren de gevolgen minder desastreus geweest als hij die wel had gedragen.
Ook houdt het hof ermee rekening dat de vervolging van verdachte en berechting in eerste aanleg niet voortvarend is geweest, al is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Het hof benadrukt dat het bij de straftoemeting van belang is dat het, anders dan de rechtbank en door de advocaat-generaal gevorderd, niet bewezen heeft verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van artikel 6 van de WVW 1994. Wel acht het hof bewezen dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, maar dat is een overtreding.
Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend acht het hof oplegging van een taakstraf voor het hieronder te vermelden aantal uren passend en geboden.
Daarnaast zal het hof aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen voorwaardelijk. Het hof heeft bij de bepaling van de duur rekening gehouden met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Niettemin acht het hof, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid geboden. Met oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]
De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.164,42 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.082,71, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;
Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.382,71 (tweeduizenddriehonderd tweeëntachtig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente
over een bedrag van € 1.082,71 met ingang van 11 juni 2013
over een bedrag van € 1.300,00 met ingang van vandaag 15 november 2016
telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.382,71 (tweeduizenddriehonderdtweeëntachtig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente
over een bedrag van € 1.082,71 met ingang van 11 juni 2013
over een bedrag van € 1.300,00 met ingang van vandaag 15 november 2016
telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in 8 (acht) termijnen van 3 maanden, elke termijn groot € 297,83 (tweehonderdzevenennegentig euro en drieëntachtig cent);
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Aldus gewezen door
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Martens, griffier,
en op 15 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.