Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2014-12-04
ECLI:NL:GHSHE:2014:5126
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,259 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak: 4 december 2014
Zaaknummer: HV 200.126.565/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/242258 / FA RK 12-365_2
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats],
appellant in principaal appel,
verweerder in incidenteel appel,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats],
verweerster in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. H.H.C.Th. Mulders.
5De beschikking d.d. 12 september 2013
Bij die beschikking heeft het hof onder meer:
een deskundigenonderzoek gelast zoals in het lichaam van die beschikking vermeld;
tot deskundige benoemd mevrouw drs. I. Sandig (psycholoog) met dien verstande dat zij zich kan laten bijstaan door mevrouw mr. L. Stam (advocaat);
in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot 13 januari 2014.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het deskundigenbericht van mevrouw drs. I. Sandig en mevrouw mr. L. Stam, ingekomen ter griffie van het hof op 7 juli 2014.
6.2.
Het hof heeft partijen bij brief d.d. 8 juli 2014 onder meer in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie te geven op de inhoud van voornoemd deskundigenbericht.
6.3.
Bij V8-formulier, ingediend door de advocaat van de moeder op 5 augustus 2014, heeft de moeder het hof bericht dat zij het rapport van de deskundigen onvolledig vindt. Er is door de deskundigen onvoldoende aandacht besteed aan haar gevoelens en ervaringen met de vader. De moeder is continu door de vader belaagd en geïntimideerd. De moeder stelt dat zij door alle gebeurtenissen in de afgelopen jaren is getraumatiseerd. De moeder stelt verder dat geen normale communicatie en/of overleg met de vader mogelijk is en dat de vader ook geen inzicht heeft gegeven in de resultaten van de door hem met een psycholoog gevoerde gesprekken. De moeder voelt zich onbegrepen en acht een contactregeling tussen de vader en [de zoon] in strijd met de geestelijke en lichamelijke belangen van [de zoon]. De moeder acht een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk.
6.4.
De vader heeft van de mogelijkheid om op de inhoud van het deskundigenbericht te reageren geen gebruik gemaakt.
6.5.
Het hof ziet geen aanleiding om een nadere mondelinge behandeling te bepalen, nu op 30 juli 2013 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en het hof tevens heeft kennisgenomen van de inhoud van voornoemd deskundigenbericht, op grond waarvan het hof zich voldoende voorgelicht acht om in deze zaak een verantwoorde beslissing te nemen.
7De verdere beoordeling
In het principaal en incidenteel appel:
7.1.
Het hof overweegt als volgt.
7.1.1.
Ingevolge artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW), gelezen in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechter kan uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben. Voor de invulling van dit criterium zoekt het hof aansluiting bij de ontzeggingsgronden genoemd in artikel 1:377a lid 3 BW.
7.1.2.
Het hof stelt op basis van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep vast dat partijen in een zeer ernstige partnerstrijd zijn verwikkeld, waarbij diverse vormen van interventies en hulpverlening zijn ingezet. Een onbelast contact tussen de vader en [de zoon] is desondanks niet tot stand gekomen. Zo heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch bij vonnis van 10 februari 2012 een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- opvoedingstaken vastgesteld. Na twee contacten tussen de vader en [de zoon] heeft de moeder aangegeven niet meer te willen meewerken aan deze contacten. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft vervolgens in de bodemzaak bij beschikking van 20 juni 2012 bepaald dat de vader gerechtigd is tot begeleide contactmomenten met [de zoon] in het omgangshuis van Stichting De Combinatie te [plaats]. Vast staat dat er twee begeleide contactmomenten tussen de vader en [de zoon] in dat kader hebben plaatsgevonden, waarna De Combinatie heeft geconcludeerd dat het uiteindelijke doel van de verwijzing – zijnde het zelfstandig uitvoering kunnen geven aan een zorgregeling – niet is behaald. De Combinatie was van mening dat het voortzetten van het contact tussen de vader en [de zoon] op dat moment niet in het belang van [de zoon] was, omdat partijen eerst elkaar als ouders dienden te gaan respecteren. De Combinatie heeft hiervoor gespecialiseerde hulpverlening noodzakelijk geacht. [de zoon] is vervolgens bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 augustus 2012 onder toezicht van stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting) gesteld omdat de kinderrechter had geconstateerd dat [de zoon] tussen de ouders klem of verloren dreigde te raken. De kinderrechter heeft daarbij overwogen dat het van belang is dat de gezinsvoogd de ouders begeleidt en aanwijzingen kan geven met – onder meer – tot doel dat [de zoon] ongestoord contact met zowel de vader als de moeder kan hebben. Het hof stelt vast dat ook de ondertoezichtstelling van [de zoon] niet tot een onbelast contact tussen de vader en [de zoon] heeft geleid, nu uit de brief van de stichting aan de rechtbank van 7 maart 2013 volgt dat de stichting van mening is dat het op dat moment niet in het belang van [de zoon] was om contact met de vader te hebben. De gezinsvoogd heeft gedurende de ondertoezichtstelling ervaren dat de ouders geen vertrouwen in elkaar hebben en dat het hen niet lukt om op een respectvolle manier over elkaar te praten en met elkaar om te gaan.
Als ultimum remedium heeft het hof bij voormelde tussenbeschikking van 12 september 2013 een deskundigenonderzoek gelast. Uit het deskundigenbericht komt – voor zover thans van belang – naar voren dat de moeder niet in staat is de vader ruimte te bieden voor contact met [de zoon]. De moeder ziet geen enkel positief aspect voor [de zoon] aan het hebben van contact met de vader. Integendeel, zij ziet het contact met de vader als een bedreiging voor de ontwikkeling van [de zoon]. De moeder wenst daarom geen enkel contact tussen de vader en [de zoon] en is tevens op geen enkele manier bereid om te zoeken naar een vorm van verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen haarzelf en de vader.
7.1.3.
Het hof zal onder de gegeven omstandigheden het verzoek van de moeder om de door de rechtbank 's-Hertogenbosch bij beschikking van 22 december 2009 bepaalde regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, alsnog dienen toe te wijzen, met dien verstande dat het hof de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van 4 december 2014, de datum van deze beschikking, zal beëindigen.
Dictum
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 april 2013,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 december 2009, voor zover het betreft de daarbij vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
bepaalt dat de bij voornoemde beschikking vastgestelde verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [de zoon], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], met ingang van 4 december 2014 wordt beëindigd;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M Mertens-Steeghs, C.D.M. Lamers en M.C. Bijleveld-van der Slikke en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014.