Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2007-07-05
ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3104
ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3104 text/xml public 2025-07-30T21:07:31 2013-04-05 Raad voor de Rechtspraak nl BB3104 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2007-07-05 04/01575 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N 2008/3.1.1 NTFR 2007/1611 FutD 2007-1693 Viditax (FutD) 2007090705 Viditax (FutD) 2009042409 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3104 text/html public 2013-04-05T01:49:58 2007-09-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3104 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-07-2007 / 04/01575 De overgangsmaatregel leidt volgens belanghebbende in feite tot ongeoorloofde discriminatie van niet inwoners. Zij hebben meestal geen Box I inkomen, inwoners wel. Artikel 26 BUPO en artikel 14 EVRM jº artikel 1 Eerste Protocol verbieden Nederland, naar belanghebbende stelt, op deze wijze te discrimineren. De Inspecteur stelt zich op het standpunt, dat artikel 1 van het Eerste Protocol weliswaar het ongestoorde genot van eigendom garandeert maar dat, zo er al een inbreuk is op eigendom, die inbreuk hier een blijkens jurisprudentie van het EHRM vereist legitiem doel dient en niet tot disproportionele gevolgen leidt, nu er door de wetgever een afweging heeft plaatsgehad, waarbij aan voor- en achterwaartse verliescompensatie over de datum van 1 januari 2001 heen om reden van eenvoud bij de uitvoering beperkingen werden gesteld, waarbij ook aan bepaalde groepen voordelen werden toegekend. De wetgever heeft naar het oordeel van het Hof de gevolgen van samenloop van het oude en het nieuwe recht zo goed mogelijk proberen te regelen. Hij heeft daarbij keuzes moeten maken. De daarvoor gegeven rechtvaardiging is met name gebaseerd op vereenvoudiging en het voorkomen van complicaties bij de uitvoering. De wetgever wilde niet allerlei systemen naast elkaar laten bestaan. De overgangsregeling dient daarmee naar het oordeel van het Hof een legitiem doel. Zo er al sprake is van discriminatie, bestaat daarvoor met het argument van de uitvoerbaarheid naar het oordeel van het Hof een objectieve en redelijke rechtvaardiging. BELASTINGKAMER Nr. 04/01575 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (Israël) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 60.352,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op woensdag 5 juli 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.4. Belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting beiden een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. 1.5. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding. 1.6. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 juni 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Tijdens de Parlementaire behandeling van de overgangsmaatregel is onder meer het volgende gezegd: 'Door in het eerste lid te verwijzen naar artikel 7.2.1 (Bew.: thans art. 7.2), vierde lid, wordt zeker gesteld dat buitenlandse belastingplichtigen de onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ontstane verliezen (zowel de verliezen die betrekking hebben op de jaren van binnenlandse belastingplicht als de verliezen die betrekking hebben op de jaren van buitenlandse belastingplicht) die niet meer verrekenbaar zijn met aan het kalenderjaar 2001 voorafgaande kalenderjaren, kunnen verrekenen met inkomen uit werk en woning in Nederland.' MvT Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, blz. 91. 'Verliezen - andere dan verliezen uit aanmerkelijk belang - uit de jaren vóór 2001 kunnen volgens de nu geldende verliesverrekeningssystematiek worden verrekend met het inkomen uit de drie voorafgaande en (ten minste) de acht volgende jaren. Voorgesteld wordt de op 1 januari 2001 nog niet verrekende verliezen uit de jaren vóór 2001 alleen te verrekenen met het progressief belastbaar inkomen in box I. Dit geldt dan ook voor eventuele verliezen die zijn voortgevloeid uit vermogensinkomsten. Deze inkomsten kennen onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 immers geen eigen regime. Door de verrekening tot box I te beperken is de regeling eenvoudig uitvoerbaar en voor veruit de meeste belastingplichtigen ook het voordeligst. De regeling is eenvoudig uitvoerbaar, omdat de mogelijkheid om verliezen van jaren vóór 2001 te verrekenen met inkomen uit box III (inkomen uit sparen en beleggen) afzonderlijk gecreëerd zou moeten worden. Box III kent immers geen regeling voor verliesverrekening, aangezien het forfaitair rendement minimaal op nihil wordt gesteld. De regeling is voor veruit de meeste belastingplichtige het voordeligst, omdat verrekening met progressief belast inkomen in de meeste gevallen voordeliger is dan verrekening met proportioneel belast inkomen uit aanmerkelijk belang (box II) of inkomen uit sparen en beleggen (box III).' MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, blz. 12-13. De overgangsmaatregel voor oude verliezen zoals die van belanghebbende is gekozen in verband met de uitvoerbaarheid en omdat die voor verreweg de meeste belastingplichtigen gunstiger is. Naar het oordeel van het Hof kan dan door de inwoners van Nederland die er op achteruitgaan zijn niet gezegd worden, dat die keuze van de wetgever niet gerechtvaardigd is. Belanghebbende klaagt daar ook niet over. Zijn klacht komt er op neer, dat vooral buitenlanders hierdoor worden getroffen. 4.3. De overgangsmaatregel leidt volgens belanghebbende in feite tot ongeoorloofde discriminatie van niet inwoners. Zij hebben meestal geen Box I inkomen, inwoners wel. Artikel 26 BUPO en artikel 14 EVRM jº artikel 1 Eerste Protocol verbieden Nederland, naar belanghebbende stelt, op deze wijze te discrimineren. De Inspecteur stelt zich op het standpunt, dat artikel 1 van het Eerste Protocol weliswaar het ongestoorde genot van eigendom garandeert maar dat, zo er al een inbreuk is op eigendom, die inbreuk hier een blijkens jurisprudentie van het EHRM vereist legitiem doel dient en niet tot disproportionele gevolgen leidt, nu er door de wetgever een afweging heeft plaatsgehad, waarbij aan voor- en achterwaartse verliescompensatie over de datum van 1 januari 2001 heen om reden van eenvoud bij de uitvoering beperkingen werden gesteld, waarbij ook aan bepaalde groepen voordelen werden toegekend. De wetgever heeft naar het oordeel van het Hof de gevolgen van samenloop van het oude en het nieuwe recht zo goed mogelijk proberen te regelen. Hij heeft daarbij keuzes moeten maken. De daarvoor gegeven rechtvaardiging is met name gebaseerd op vereenvoudiging en het voorkomen van complicaties bij de uitvoering. De wetgever wilde niet allerlei systemen naast elkaar laten bestaan. De overgangsregeling dient daarmee naar het oordeel van het Hof een legitiem Er wordt formeel geen onderscheid gemaakt naar woonplaats. 4.8. Belanghebbende stelt, dat de overgangsmaatregel in feite wel naar woonplaats discrimineert, omdat - naar hij stelt - vooral buitenlanders er door getroffen worden. De Inspecteur weerspreekt dit. Hij heeft onderzocht om hoeveel gevallen het gaat. Op de 22.000 door hem onderzochte gevallen van buitenlanders met box III inkomen bleken er slechts vier, die zoals belanghebbende hun verliezen na 2000 kwijt zijn geraakt. Dat is volgens de Inspecteur een te verwaarlozen aantal. De Inspecteur stelt verder, dat ook binnenlandse belastingplichtigen met dit verlies geconfronteerd zijn. Ook binnenlandse belastingplichtigen met uitsluitend box III inkomen zagen en zien hun verliezen gaandeweg verdampen, aldus de Inspecteur. De maatregel treft dus feitelijk niet alleen buitenlanders. Er is volgens de Inspecteur om die beide redenen ook materieel geen sprake van enig onderscheid. 4.9. Het is naar het oordeel van het Hof niet goed na te gaan of vooral buitenlanders verliescompensatie verloren hebben zien gaan als gevolg van de overgangsmaatregel. Op belanghebbende rust de bewijslast zijn stelling aannemelijk te maken. Hij heeft daartoe gesteld, dat buitenlanders hun Box I inkomen in de werkstaat zullen aangeven en dus vaker in Nederland geen Box I inkomen zullen hebben dan inwoners van Nederland. Dat is juist en mogelijk reden de bewijslast te verleggen naar de Inspecteur. De Inspecteur heeft dat niet afgewacht en zich daar met onderzoek op voorbereid. Hij heeft zich daarbij echter - naar het oordeel van het Hof terecht - beperkt tot de gevallen, waarin als gevolg van de overgangsregeling verliescompensatie verloren is gegaan en die aantallen, te weten 4 van de 22.000, zijn ook naar het oordeel van het Hof te verwaarlozen. Ook in het Europese recht geldt, dat het om relevante aantallen moet gaan. Vier gevallen vormen onvoldoende reden de overgangsregeling opzij te zetten. Dat zou een disproportionele maatregel zijn. Het Hof ziet ook geen reden de Inspecteur te gelasten zulks verder te onderzoeken. De meeste buitenlanders hadden kennelijk geen compensabele verliezen eind 2000. Dat komt het Hof niet onaannemelijk voor. 4.10. Het Hof komt tot het oordeel, dat niet gebleken is, dat Nederland buitenlanders discrimineert op enige door het EG verdrag verboden wijze. 4.11. Niet in geschil is dat de overgangsregeling inwoners en niet inwoners te dezen gelijk behandelt. Dan is, naar de Inspecteur terecht stelt, van een door artikel 56 EG-Verdrag verboden belemmering geen sprake (HvJ EG 3 februari 2006, C-513/03, zaak van Hilten). 4.12. Gelet op al het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. 5. Griffierecht Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. 6. Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. 7 Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan op 5 juli 2007 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, A. Bijlsma en J. Swinkels, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 5 juli 2007 Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen