Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2007-02-13
ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8631
ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8631 text/xml public 2023-06-04T15:28:41 2013-04-05 Raad voor de Rechtspraak nl AZ8631 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2007-02-13 C0600293-RO Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Burgerlijk Wetboek Boek 3 Burgerlijk Wetboek Boek 3 246 Onteigeningswet Onteigeningswet 69 Rechtspraak.nl JOR 2007/162 met annotatie van A. Steneker http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8631 text/html public 2013-04-05T01:04:30 2007-02-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8631 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-02-2007 / C0600293-RO Het recht van pand is, net als het recht van hypotheek, een beperkt recht dat er toe strekt om op het daaraan onderworpen goed - in casu: de vordering tot levering - een vordering tot voldoening van een geldsom - in casu: voornoemde vordering tot schadevergoeding (zie 4.13) - bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen (artikel 3:227 BW). Derhalve komt de pandhouder slechts een verhaalsrecht toe op de opbrengst van het verpande goed. Toeëigening van het verpande goed zelf is expliciet verboden (artikel 3:235 BW) en daarom ook bepaalt artikel 3:246 lid 5 BW dat bij inning van een verpande vordering door de pandhouder het pandrecht op het geïnde komt te rusten. Dus zelfs al zou een geldig pandrecht tot stand zijn gekomen, dan nog biedt dit pandrecht geen grondslag voor toewijzing van de vordering. typ. NJ rolnr. C0600293/RO ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, zesde kamer, van 13 februari 2007, gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap [APPELLANTE], gevestigd te [plaats], appellante bij exploot van dagvaarding van 3 februari 2006, procureur: mr. E.G.M. van Ewijk, tegen: [GEÏNTIMEERDE], wonende te [plaats], geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: mr. A.T.L. van Zandvoort, op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 11 januari 2006 tussen appellante - [appellante] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie en eiser in reconventie. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 68615/HA ZA 05-530) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 3 augustus 2005, aan partijen genoegzaam bekend. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van de vordering van [appellante] en het afwijzen van de vordering in reconventie. 2.2. Bij memorie van antwoord (met één productie) heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. D.Th.J. van der Klei en [geïntimeerde] door mr. L.J.M.G. Kunzeler. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. 2.4. Daarna hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar voornoemde memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. De rechtbank heeft in r.o. 2.1-2.6 van het beroepen vonnis vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Grief 1 is tegen deze feitenvaststelling gericht en bevat de klacht, zo begrijpt het hof althans, dat de vaststelling van de feiten door de rechtbank onvolledig is. Het hof merkt op dat noch de rechtbank noch het hof gehouden is alle aspecten die een van partijen van belang acht voor de beoordeling van het geschil op te nemen in het feitenoverzicht. In zoverre faalt de grief. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen derhalve ook in hoger beroep het uitgangspunt. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zal het hof deze feiten hieronder in r.o. 4.2 integraal weergeven en voorts nog een aantal feiten nader preciseren alsmede in 4.3 een omschrijving geven van het geschil. 4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.2.1. [ Tussen [geïntimeerde] en [bedrijf 2] vinden gedurende geruime tijd onderhandelingen plaats over de voorwaarden voor overdracht en de terugverhuur van de woning. Diverse geschilpunten blijven partijen verdeeld houden, zoals de verschuldigdheid van de pachtsommen vanaf het moment van het inroepen van de koopoptie en de duur (onbepaald dan wel bepaald) van de huurovereenkomst (zie bijlage 6 CvA conv). Diverse concepten van de akte van overdracht en van de huurovereenkomsten worden over en weer gestuurd. Op 9 januari 2004 bericht de accountant van [geïntimeerde], de heer [accountant](hierna: [accountant]), de notaris dat [geïntimeerde] grotendeels in kan stemmen met het meest recente concept van de akte van levering alsmede de overeenkomst van huur, zij het dat [geïntimeerde] het niet eens is met de voorgestelde notariële afrekening. Na 1 november 2002 is door [bedrijf 2] geen pacht meer betaald. 4.2.6. Bij koopovereenkomst van 10 september 2003 (bijlage 15 bij CvA conv.) heeft [bedrijf 2] de onderneming, bekend onder de naam [bedrijf 2], verkocht aan [appellante]. In de bij deze koopovereenkomst behorende bijlage 14 met de aanduiding 'AKTE VAN LEVERING' staat ondermeer dat partijen hebben afgesproken dat op de in de koopovereenkomst aangeduide leveringsdatum de onderneming door verkoper aan koper geleverd zou worden. Voorts staat in deze akte van levering (bijlage 14 bij bijlage 15 CvA conv., p. 2): "2. Specificatie 2.1. Voor zover door middel van bovenstaande de eigendom niet als voorzien in deze overeenkomst overgaat het navolgende: (...) 4. Vorderingen - Middels deze akte en mededeling aan de debiteur." Onderaan de laatste pagina van deze akte staat een stempel van de belastingdienst te Rijswijk inhoudende dat de akte aldaar op 12 september 2003 is geregistreerd. 4.2.7. Op 15 september 2003 heeft de gemeente [gemeente] toestemming gegeven voor de overdracht van het erfpachtrecht door [geïntimeerde] aan [bedrijf 2] onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat in de transportakte een mededelingsverplichting wordt opgenomen. 4.2.8. Bij vonnis van 17 november 2004 is [bedrijf 2] failliet verklaard met benoeming van mr. K. de Jong tot curator (hierna: de curator). 4.2.9. Nadat de raadsman van [geïntimeerde] op 5 januari 2005 (bijlage 10 CvA conv.) de curator heeft verzocht uiterlijk vóór 20 januari 2005 schriftelijk te laten weten of hij zijn medewerking zal verlenen aan ondertekening van de akte van levering, heeft de raadsman bij brief van 1 februari 2005 (bijlage 13 CvA conv.) de curator medegedeeld dat [geïntimeerde] voor zover vereist de koopovereenkomst ontbindt aangezien de curator voor de gestelde termijn van 20 januari 2005 niet heeft verklaard de koopovereenkomst gestand te doen. 4.2.10. Bij brief van 6 januari 2005 (bijlage 14 CvA conv.) schrijft de raadsman van [bedrijf] aan [geïntimeerde]: "(...) Die koopoptie is al sinds 2002 onvoorwaardelijk geworden toen [bedrijf 2] die optie heeft uitgeoefend. Het onvoorwaardelijk recht op levering uit die uitgeoefende koopoptie is verkocht aan [appellante]. [appellante] is daarmee degene geworden die tot levering gerechtigd is. [appellante] zal dan ook ter zijner tijd de koopprijs betalen en de overige verplichtingen van de koopovereenkomst nakomen. Tot zekerheid dat het recht op levering ook inderdaad overgedragen zou worden aan [appellante] heeft [bedrijf 2] een pandrecht gegeven aan [appellante]. Dat pandrecht is tot stand gekomen doordat de koopovereenkomst, waarin de verpanding plaats vindt, vervolgens is geregistreerd door de belastingdienst. Deze brief dient mede ter mededeling van voornoemd pandrecht." 4.3. Bij dagvaarding van 2 juni 2005 heeft [appellante] [geïntimeerde] in rechte betrokken en, voor zover thans van belang, gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde] zal veroordelen tot het meewerken aan levering en overdracht van het vast goed (het woonhuis en het perceel tuinland). 4.4. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarna de rechtbank bij het vonnis waarvan Voor zover [appellante] met de brief van 6 januari 2005 (zie 4.2.10) bedoeld heeft tevens de cessie aan [geïntimeerde] mede te delen, ontbeert deze mededeling het gewenste effect aangezien deze is verricht na het faillissement van [bedrijf 2] waardoor een geldige overdracht wordt geblokkeerd (artikel 35 Fw). Immers, zoals hiervoor al is overwogen, is de mededeling aan [geïntimeerde] een handeling die noodzakelijk is voor de levering van het vorderingsrecht van [bedrijf 2] op [geïntimeerde] aan [appellante]. 4.10. Dit betekent dat er geen sprake is van geldige cessie. [appellante] kan derhalve niet op die grond [geïntimeerde] aanspreken tot levering. 4.11. Voor zover [appellante] haar vordering in eerste aanleg mede heeft willen baseren op contractsoverneming - zo heeft [geïntimeerde] althans de stellingen van [appellante] begrepen - heeft zij in hoger beroep expliciet aangegeven dat van contractsoverneming geen sprake is (MvG sub 62), zodat deze grondslag geen bespreking behoeft. 4.12. In eerste aanleg heeft [appellante] haar vordering voorts gebaseerd op een ten behoeve van haar gevestigd stil pandrecht op voornoemd vorderingsrecht tot levering. De grieven I en III bevatten het verwijt dat de rechtbank ten onrechte deze grondslag geheel buiten beschouwing heeft gelaten. Dit verwijt faalt. Beide grondslagen - cessie enerzijds en pandrecht anderzijds - zijn immers moeilijk met elkaar te rijmen of beter gezegd: innerlijk tegenstrijdig. Men kan immers niet tegelijkertijd zowel rechthebbende als beperkt gerechtigde van hetzelfde goed zijn (zie artikel 3:81 lid 2 sub e BW). Bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellante] echter desgevraagd haar vordering nader toegelicht en aangegeven dat zij bedoeld heeft zich primair op cessie en subsidiair op pandrecht te beroepen, namelijk voor het geval er geen geldige cessie heeft plaatsgevonden. Nu zulks in dit hoger beroep is komen vast te staan, zal het hof thans beoordelen of de subsidiaire grondslag kan leiden tot toewijzing van het gevorderde. pandrecht op vordering tot levering 4.13. [appellante] stelt dat zij een geldig pandrecht op de vordering tot levering heeft verkregen. Zij stelt in dat verband dat [bedrijf 2] 'tot zekerheid dat de overdracht zou slagen' (dagv. 1e aanleg sub 7) een pandrecht op het haar toekomende recht op levering heeft gevestigd. Bij pleidooi heeft [appellante] desgevraagd de vordering tot zekerheid waarvoor het pandrecht is gevestigd nader toegelicht: voor het geval [bedrijf 2] haar verplichting uit de overeenkomst van 10 september 2003 tot levering van het vorderingsrecht niet mocht nakomen en zij als dan verplicht wordt tot betaling van schadevergoeding aan [appellante], heeft [bedrijf 2] reeds bij voorbaat tot zekerheid van die vordering een stil pandrecht op het vorderingsrecht tot levering gevestigd. Het is mogelijk om voor deze toekomstige vordering een pandrecht te vestigen aangezien de vordering voldoende bepaalbaar is (zie artikel 3:231 BW). Er is dus sprake van een geldig hoofdrecht. 4.14. Volgens [appellante] geldt de koopovereenkomst van 10 september 2002 tevens als pandakte, althans vormen een aantal bepalingen uit de koopovereenkomst de stil-pandakte (MvG sub 68). Nu deze pandakte op 12 september 2003 is geregistreerd (zie r.o. 4.2.6), is er een geldig stil pandrecht gevestigd. Het hof kan [appellante] hierin niet volgen. Een koopovereenkomst strekt immers tot eigendomsoverdracht en dat is niet hetzelfde als het verstrekken van zekerheid. Van een wil tot het verstrekken van zekerheid - de overeenkomst tussen pandgever en pandhouder tot het verstrekken van zekerheid, ook wel aangeduid als pandovereenkomst - blijkt niet uit de 'akte van levering'(zie 4.2.6). Mitsdien is bij gebreke van een titel geen pandrecht gevestigd (artikel 3:98 juncto 3:84 BW). 4.15. Maar zelfs ingeval met [appellante] wordt aangenomen dat voornoemde 'akte van levering' tevens geldt als pandakte en er dus een geldig stil pandrecht op het recht op levering is gevestigd, kan zu