Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-11-09
ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2522
ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2522 text/xml public 2026-04-20T10:09:23 2013-04-05 Raad voor de Rechtspraak nl BA2522 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-11-09 03/01502 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N 2007/37.10 met annotatie van Redactie NTFR 2007/731 DouaneUpdate 2007-0259 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2522 text/html public 2013-04-05T01:16:37 2007-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2522 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-11-2006 / 03/01502 Het geschil betreft het antwoord op de vragen: I. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van een onvoldoende motivering van deze naheffingsaanslag vóór het opleggen daarvan? II. Is de aanslag terecht opgelegd? III. Dient de naheffingsaanslag op de voet van artikel 88 van de Wet op de accijns verminderd te worden met het tijdens het transport verloren gegane gedeelte van de zending van het AGD 4? IV. Kan de belanghebbende zich met vrucht beroepen op door de Inspecteur opgewekt vertrouwen? BELASTINGKAMER Nr. 03/01502 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X N.V. te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hierna te melden naheffingsaanslag accijns. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan de belanghebbende is met dagtekening 19 juni 2002 onder aanslagnummer 1 over het tijdvak 25 februari 2001 tot en met 25 maart 2001 een naheffingsaanslag ten bedrage van fl. 13.017,54 aan accijns van bier opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 232,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 oktober 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de belanghebbende, de heer A, verbonden aan B, te Q, en namens de Inspecteur, de heer C, verbonden aan het vorengenoemde onderdeel van de rijksbelastingdienst. De zaak is met instemming van partijen tegelijk behandeld met de zaak bij het Hof bekend onder kenmerk BK-02/04825. 1.4. De belanghebbende en de Inspecteur hebben op deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. 1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.1. De belanghebbende produceert bier. Zij is in het bezit van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats. 2.2. Op 25 januari 2001 maakt de belanghebbende een administratief geleidedocument (hierna: het AGD) op met nummer 2 ter zake van een partij 14.250 liter bier. Het AGD bevat onder meer de volgende gegevens: – Onder afzender in vak 1 de naam en adres van de belanghebbende. – Onder geadresseerde en plaats van levering in vak 7 en 7a: D AB, A-straat 1, 00000 R, S. – Onder datum verzending vak 16: 25 januari 2001. – Onder reistijd vak 17: 72 uur. – In vak 18a: 22 plts = 1452 BOX 20X50 CL BOTTLE X BEER. – Onder goederencode vak 19a: 3. – Onder hoeveelheid vak 20a: 14.250 ltrs. – Onder brutogewicht vak 21a: 24.131 kg. – Onder aantekening van ontvangst- of uitvoerdocument in vak C staat: datum 31/1 en plaats A-straat 1, zending conform, naam en handtekening E, D AB, S 31/1. 2.3. Op 16 maart 2001 maakt de belanghe The company has been deregistered as a warehousekeeper 2001-07-31. From the material collected at the company can be concluded that the company has received three of the deliveries concerned. Two of the deliveries cannot be confirmed. Confirmed deliveries: 2001-01-05, X Beer, invoice No CMR 8 2001-01-25, X Beer, invoice No CMR 9 2001-03-02, X Beer, invoice No CMR 10 Not confirmed deliveries: 2001-01-25, X Beer, invoice No CMR 11 2001-03-16, X Beer/G, invoice No CMR 12.'. 2.8. In een brief van 7 juni 2002 schrijft de Inspecteur aan de belanghebbende, voor zover te dezen relevant, het volgende: 'Naar aanleiding van de controle door de Zweeds fiscale autoriteiten op de goederenontvangst van AGD nr. 2 d.d. 25-01-2001 met CMR11 en AGD nr. 4 d.d. 16-03-2001 met CMR12 is gebleken dat betreffende zendingen niet conform zijn geleverd. De documenten worden als niet gezuiverd aangemerkt. Voor de verschuldigde accijns wordt o.g.v. art. 20 AWR een naheffingsaanslag opgelegd en verhoogd met heffingsrente ingevolge art. 30f AWR. Niet voldaan werd aan art. 2a van het Uitvoeringsbesluit Accijns, art. 19 van Richtlijn 92/12/EEG en art. 2, lid 3, letter b, van de Wet op de Accijns. Ingevolge art. 1, lid 1, letter a, juncto lid 2, van de Wet op de Accijns, wordt accijns verschuldigd ter zake van de uitslag. Ingevolge art. 51, lid 1, en artikel 52 van de Wet op de Accijns wordt de accijns geheven bij de vergunninghouder en wordt deze verschuldigd op het tijdstip van uitslag. Tijdvak van verschuldigdheid ingevolge art. 53 lid 1, van de Wet op de accijns is de maand maart 2001. Betreffende uitslag is niet opgenomen in de periodieke AGP- aangifte 13.'. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vragen: I. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van een onvoldoende motivering van deze naheffingsaanslag vóór het opleggen daarvan? II. Is de aanslag terecht opgelegd? III. Dient de naheffingsaanslag op de voet van artikel 88 van de Wet op de accijns verminderd te worden met het tijdens het transport verloren gegane gedeelte van de zending van het AGD 4? IV. Kan de belanghebbende zich met vrucht beroepen op door de Inspecteur opgewekt vertrouwen? De belanghebbende is van oordeel dat vragen I, III en IV bevestigend en vraag II ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken, waaronder de onder 1.4 vermelde pleitnota's, de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, kort weergegeven, toegevoegd: De belanghebbende – Zowel de Horizontale Richtlijn als de Leidraad Accijns sluit bepaalde vormen van bewijs niet uit. – Er wordt gewezen op de uitspraak van Hof Amsterdam, V-N 2001/48.1. – In de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2003 wordt betoogd, dat voor de heffing op de voet van artikel 86a wet op de accijns niet duidelijk is wat het heffingsmoment is. Uit artikel 52a van de Wet op de accijns volgt niet duidelijk wat het heffingsmoment is. – De Zweedse zaak wijkt af van de valse stempelzaken. In de Zweedse zaak hebben de Zweedse autoriteiten geprobeerd contact te zoeken met de Zweedse persoon, die de goederen heeft opgeslagen, hetgeen niet lukte. – Uit het rapport van de schade-expert in de Zweedse zaak blijkt, dat de goederen onderweg zijn geweest en beschadigd. De goederen hebben Nederland verlaten. – Nadat Uw Hof erop heeft gewezen, dat de plaats van expertise Q is wordt opgemerkt, dat de flesjes niet zijn teruggestuurd en deze daar zijn vernietigd en dat alleen de papieren zijn teruggestuurd. De goederen hebben Nederland verlaten en de onregelmatigheid heeft buiten Nederland plaatsgevonden. – Alhoewel de naheffingsaanslagen kleine bedragen betreffen hecht de belanghebbende aan duidelijkheid, omdat uitvoer naar het bu Artikel 2, eerste lid van de Wet op de accijns (hier en hierna in de tekst geldend in het jaar 2001) bepaalt, dat onder uitslag wordt verstaan het brengen van een accijnsgoed buiten een plaats die voor dat soort accijnsgoed als accijnsgoederenplaats is aangewezen. 4.6. Artikel 2, derde lid, aanhef, onderdeel c van de Wet op de accijns bepaalt, dat als uitslag niet wordt aangemerkt het brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een in een andere lidstaat gevestigd geregistreerd bedrijf. 4.7. Ingevolge artikel 52 van de Wet op de accijns wordt de accijns verschuldigd op het tijdstip van de uitslag. Voorts bepaalt artikel 53 van de Wet op de accijns dat de in een tijdvak verschuldigd geworden accijns op aangifte moet worden voldaan. (In dit verband wijst het Hof op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 17 oktober 2003, nr 38 220, onder meer gepubliceerd in BNB 2004/24, r.o. 3.2.) 4.8. Artikel 6 van de Richtlijn nr. 92/12/EEG, van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop, Pb EG 1992, nr. L 76 (hierna: de Richtlijn accijns) luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt: '1. De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel 12, lid 3, aan accijnzen moeten worden onderworpen. Als uitslag tot verbruik van accijnsprodukten wordt beschouwd: a) iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling; (...) 2. De voorwaarden voor verschuldigdheid en het toe te passen accijnstarief zijn die welke op het tijdstip van verschuldigd worden van kracht zijn in de Lid-Staat waar de uitslag tot verbruik of het constateren van tekorten plaatsvindt. De accijns wordt geheven en geïnd op de door elke Lid-Staat vastgestelde wijze, waarbij de Lid-Staten dezelfde heffings- en invorderingsprocedure toepassen op nationale produkten en op produkten uit andere Lid-Staten.'. 4.9. De Hoge Raad der Nederlanden heeft in het arrest van 11 april 2003, nr 37 519, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/252 onder meer het volgende overwogen: '-3.3.2. In zijn arrest van 11 juli 2002, Liberexim, C-371/99, Jurispr. 2002, blz. I-06 227, V-N 2003/2.28, heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat onttrekking in de zin van artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn plaatsvindt door elk handelen of nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, geen toegang heeft tot onder douanetoezicht staande goederen en de in de douanewetgeving voorziene controles niet kan uitvoeren. Buiten redelijke twijfel is dat hetzelfde geldt voor onttrekken in de zin van artikel 5, lid 1, van de Richtlijn accijns, nu het Hof van Justitie zich bij zijn uitlegging baseert op het in zijn arrest van 1 februari 2001, D. Wandel, C-66/99, Jurispr. 2001, blz. I-873, uitgelegde begrip onttrekken zoals dat voorkomt in de communautaire douanewetgeving, en niet valt in te zien dat het begrip onttrekken aan een douaneregeling in de zin van artikel 5, lid 1, van de Richtlijn accijns anders uitgelegd zou moeten worden. Tevens heeft het Hof van Justitie in het arrest Liberexim geoordeeld dat het tijdstip en de plaats van de onttrekking aan de regeling voor extern communautair douanevervoer noodzakelijkerwijze het tijdstip en de plaats zijn waar de eerste onregelmatigheid is begaan die als onttrekking aan het douanetoezicht kan worden aangemerkt.'. 4.10. Naar het oordeel van het Hof is, gelet op het vorenoverwogene, in het onderhavige geval sprake van uitslag op de momenten, dat de (eerste) onregelmatigheid met betrekking tot de litigieuze goederen is begaan. 4.11. Het rapport van expertise van 24 april 2001 vermeldt als plaats van expertise Q, terwijl voorts uit pagina 2, tweede alinea en pagina 3, onderaan van dat rapport blijkt dat de rapporteur is uitgegaan van door derden aangeleverde gegevens. Kennelijk heeft de rapporteur het 16 maart 2001 ter zake van de ontvangen goederen niet overeenstemmen met de gegevens inzake de verloren gegane goederen volgens het rapport van expertise van 24 april 2001 en, zoals onder 4.11 overwogen, de op die AGD opgenomen gegevens niet te verifiëren zijn aan de hand van het vorenbedoelde rapport. Tevens blijkt uit de op het AGD met nummer 4 d.d. 16 maart 2001 aangebrachte aantekening voor ontvangst, dat niet alle goederen zijn ontvangen. Evenmin volgt, uit de onder 2.4 en 2.5 vermelde bescheiden dat de litigieuze goederen op de plaats van bestemming zijn aangekomen. 4.19. Anders dan de Inspecteur verdedigt vloeit hieruit niet zonder meer voort dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. 4.20. In het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 januari 2006, nr 39 810, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/151 heeft de Hoge Raad, voor zover te dezen relevant, het volgend overwogen: '5.2.1. Artikel 2, lid 3, van de Wet accijns bepaalt dat niet als uitslag wordt aangemerkt het brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een derde land. Onder `derde land' moet worden verstaan elke plaats buiten het douanegebied van de Gemeenschap. Ingevolge vermeld artikel 2, lid 3, aanhef, en lid 4, moeten dan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden in acht worden genomen, die betrekking hebben op formaliteiten waaraan bij de overbrenging van de goederen dient te worden voldaan. Artikel 3, leden 1 en 2, van het Besluit accijns houden in dat het brengen van een accijnsgoed naar een derde land - behoudens in deze zaak niet van belang zijnde uitzonderingen - dient te kunnen worden aangetoond met een geleidedocument, dat wordt opgemaakt door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de goederen worden overgebracht. Gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3, van het Besluit accijns en artikel 793, lid 6bis, van de Uitvoeringsverordening Communautair wetboek (hierna: de UCDW), wordt een exemplaar van het geleidedocument aangeboden bij het in artikel 793 van de UCDW bedoelde kantoor van uitgang, en wel bij het vervullen van de in lid 1 van dit artikel vermelde formaliteiten. Dit kantoor houdt - overeenkomstig het bepaalde in artikel 183 van het Communautair douanewetboek en artikel 793 van de UCDW - toezicht op het daadwerkelijke uitgaan en zendt het ingediende exemplaar van het geleidedocument terug, overeenkomstig artikel 19, lid 4, van Richtlijn 92/12/EEG, dat wil zeggen dat vermeld exemplaar na certificering ervan voor daadwerkelijk uitgaan, door het kantoor van uitgang aan de afzender (in Nederland: de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats die de goederen voor overbrengen naar een derde land heeft verzonden) wordt teruggezonden (artikel 793, lid 6bis, van de UCDW). Dit een en ander geldt zowel voor het geval dat de goederen rechtstreeks vanuit Nederland worden gebracht naar een derde land als voor het geval dat de uitvoer plaatsvindt over het grondgebied van een andere lidstaat. -5.2.2. Artikel 793, lid 3, van de UCDW bepaalt dat het douanekantoor van uitgang zich ervan dient te vergewissen dat bij dat kantoor aangebrachte goederen in overeenstemming zijn met de aangegeven goederen en dat het toeziet op het daadwerkelijk uitgaan van de goederen. Vermeld toezicht op het daadwerkelijke uitgaan wordt in Nederland uitgeoefend aan de hand van de aangifte tot uitklaring van het schip of het luchtvaartuig en alle bij het kantoor van uitgang aangebrachte goederen, volgens een in de aangifte opgenomen specificatie (artikel 32 van het Douanebesluit; zie ook artikel 71 van de Douaneregeling). -5.2.3. Het voorgaande betekent niet dat een uitslag in de zin van artikel 2 van de Wet accijns kan worden geconstateerd op grond van de enkele omstandigheid dat de vergunninghouder niet beschikt over het geleidedocument, voorzien van de bedoelde aantekening. Die omstandigheid sluit, gezien bijvoorbeeld de mogelijkheid dat bij de verzending van het accijnsgeleidedocument een fout is gemaakt door de Met betrekking tot de overige onder 4.22 vermelde aanbiedingen van bewijs is het Hof van oordeel, dat deze te vaag en te onbepaald zijn, zodat het Hof daaraan voorbij gaat. (Arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 maart 1999, nr 34 925, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/218). 4.25. Met betrekking tot de overige onder 4.22 vermelde aanbiedingen van bewijs overweegt het Hof voorts, dat de Inspecteur in het verweerschrift, pagina 8, zesde alinea, in reactie op het (de motivering van het) beroepschrift heeft aangedrongen op het overleggen van het door de belanghebbende in punt 3.12 van het beroepschrift aangeboden bewijs. Gelet daarop, en het feit dat de belanghebbende de mogelijkheid tot het indienen van een conclusie van repliek dan wel het indienen van nadere stukken tot tien dagen vóór de zitting op de voet van artikel 8:58 van de Awb ongebruikt heeft gelaten is het Hof tevens van oordeel, dat - afgezien van het overwogene onder 4.24 - de proceseconomie met zich brengt dat de belanghebbende niet alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld te voldoen aan de door haar gedane bewijsaanbiedingen. 4.26. Gezien het vorenoverwogene is de aanslag gelet op artikel 2, eerste lid en derde lid, aanhef, onderdeel c van de Wet op de accijns juncto artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit accijns juncto artikel 86a, vierde lid van de Wet op de accijns, welke bepalingen, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, in overeenstemming zijn met de Richtlijn accijns, terecht opgelegd. 4.27. Vraag II moet bevestigend worden beantwoord. Vraag III 4.28. De belanghebbende heeft betoogd, dat het deel van de zending onder AGD 4, dat tijdens het transport verloren zou zijn gegaan moet worden aangemerkt als een verlies tijdens het vervoer, welk deel op de voet van artikel 88 van de Wet op de accijns niet als uitslag moet worden aangemerkt. 4.29. De Inspecteur heeft gesteld, dat de belanghebbende niet heeft aangetoond dat van een in artikel 88 van de Wet op de accijns bedoeld verlies tijdens het vervoer sprake is. Voorts heeft hij gesteld, dat, gelet artikel 14, tweede lid van de Richtlijn accijns, verliezen die zijn opgetreden tijdens intracommunautair vervoer van producten onder de schorsingsregeling, moeten worden geconstateerd volgens de regels van de lidstaat van bestemming en dat hieraan niet is voldaan. 4.30. Het Hof is van oordeel, dat een uitleg van artikel 88 van de Wet op de accijns conform de Richtlijn accijns meebrengt, dit artikel zo uit te leggen dat het verlies, overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14, eerste, tweede en derde lid van de Richtlijn accijns, moet zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten volgens de regels van de lidstaat van bestemming. Hieraan is niet voldaan. Zelfs indien het - gelet op het onder 4.20 vermelde arrest - de belanghebbende vrij zou staan met alle bewijsmiddelen aan te tonen dat van een in artikel 88 van de Wet op de accijns bedoeld verlies tijdens het vervoer sprake is, is het Hof van oordeel dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt, dat hiervan sprake is. Gelet op hetgeen onder 4.11 reeds is overwogen heeft de rapporteur kennelijk het rapport niet gebaseerd op eigen waarnemingen, maar op door de ontvanger gegeven informatie, die er alle belang bij had goederen als verloren aan te merken, zodat aan het rapport geen waarde kan worden toegekend. 4.31. Vraag III moet ontkennend worden beantwoord. Vraag IV 4.32. De belanghebbende heeft gesteld, dat de Inspecteur de AGD's heeft gecontroleerd tijdens een bij de belanghebbende per kwartaal plaatsgevonden hebbende periodieke controle. 4.33. Van een in rechte te beschermen vertrouwen is pas sprake als de Inspecteur bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald, dan wel de belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat de Inspecteur bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald. (Vergelijk het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 13 december 1989, nr 25 077, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/119, van 2 december 1