Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-11-24
ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4076
ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4076 text/xml public 2025-07-29T17:10:25 2013-04-05 Raad voor de Rechtspraak nl AZ4076 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-11-24 20-001676-06 Uitspraak Hoger beroep NL Strafrecht Rechtspraak.nl DouaneUpdate 2006-0860 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4076 text/html public 2013-04-05T00:49:54 2006-12-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4076 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 24-11-2006 / 20-001676-06 Uitleg begrip "voorhanden hebben" in de zin van artikel 5 Wet op de accijns. Verdachte heeft samen met een ander drie ladingen wodka aangekocht. In totaal betrof het hier een hoeveelheid van 48.416 liter wodka. Deze accijnsgoederen hebben verdachte en zijn mededader buiten de (belasting-) heffing voorhanden gehad. Parketnummer: 20-001676-06 Uitspraak : 24 november 2006 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 29 september 2004 in de strafzaak met parketnummer 02-004661-01 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1961, thans verblijvende in het [HvB]. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen d.d. 17 oktober 2006 en 10 november 2006 in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en dat het hof opnieuw rechtdoende verdachte terzake het onder 1 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de tijd van 9 (negen) maanden. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Tenlastelegging Aan verdachte is - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2001 tot en met 6 april 2001 te Middelharnis en/of Sprang-Capelle, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 van de Wet op de accijns, opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoed(eren), namelijk alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d van genoemde wet (te weten 16.068 liter wodka van het merk Rushmore en/of 16.200 liter wodka van het merk Rushmore en/of 16.248 liter wodka van het merk Rushmore, althans ongeveer in totaal 48.000 liter wodka van het merk Rushmore) voorhanden heeft/hebben gehad welke niet overeenkomstig de bepalingen inzake de Wet op de Accijns in de (belasting)heffing is/zijn betrokken. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Nu de tenlastelegging is toegesneden op alcoholhoudende producten, niet zijnde bier of wijn, leest het hof de verwijzing naar "artikel 1 lid 1 onder f" verbeterd in die zin dat kennelijk bedoeld is "artikel 1 lid 1 onder d". De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 7 maart 2001 tot en met 6 april 2001 te Middelharnis en/of Sprang-Capelle, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander in strijd met het verbod van artikel 5 l 30 maart 2001; - [bedrijf 2] heeft daarbij telkens Administratieve Geleide Documenten (hierna te noemen: AGD's) opgemaakt met als plaats van bestemming: [bedrijf 3] te Spanje; - Zending 1 is op 8 maart 2001 is afgehaald bij [bedrijf 1] te Middelharnis; - De zendingen 2 en 3 zijn door transporteur [bedrijf 5] (hierna te noemen: de transporteur) op respectievelijk 28 maart 2001 en 30 maart 2001 opgehaald bij [bedrijf 1] te Middelharnis en naar Sprang-Capelle overgebracht alwaar ze op het bedrijfsterrein van de transporteur zijn gestald; - [verdachte] heeft de oorspronkelijke AGD's van de zendingen 2 en 3 van de transporteur gekregen en heeft deze (doen) vervangen door andere AGD's en CMR-vrachtbrieven; - Bij de stukken bevindt zich met betrekking tot zending 3 een CMR inhoudende als naam van de verzender [bedrijf 6] "for [bedrijf 8] sao paulo brasil" en als plaats van verzending Mechelen; - Als geadresseerde staat op dat stuk vermeld [bedrijf 7] Zweden (bijlage D/013); - Zowel zending 3 als zending 2 zijn door[betrokkene 2], een chauffeur van de transporteur naar Zweden vervoerd in de periode eind maart, begin april 2001; - [betrokkene 2] is - terwijl hij één van deze zendingen transporteerde - op 9 april 2001 in Zweden door de autoriteiten aangehouden omdat hij "in strijd met de invoerregulatie ongeveer 17.000 liter sterke drank naar Zweden heeft ingevoerd" (bijlage 1 behorende bij AH/01); - Bij hem werd onder meer aangetroffen een bescheid waarin staat vermeld dat de lading is bestemd voor [bedrijf 3] Spanje; - [getuige] heeft op 17 mei 2001 contact gehad met [verdachte] én [medeverdachte] waarbij zij hem hebben verzekerd dat de dat de documenten met betrekking tot de aanzuivering nog zouden worden toegestuurd; - [verdachte] heeft op 28 mei 2001 AGD's ter zuivering aan [bedrijf 1]gezonden met betrekking tot de drie zendingen vodka op welke AGD's in het Spaans gestelde stempels zijn geplaatst (bijlage D/015) - De Spaanse autoriteiten hebben medegedeeld dat de op de AGD's vermelde accijnsgoederen, in tegenstelling tot de vermeldingen op de AGD's, niet in het belastingentrepot van [bedrijf 3] zijn aangekomen; - De Spaanse autoriteiten hebben tevens medegedeeld dat de afdrukken van de douanestempels en de aantekeningen op de achterzijde van de drie AGD's vals zijn. Voorts is ter terechtzitting onder meer het volgende gebleken. - [getuige] heeft verklaard dat de zendingen 1 en 2 zijn betaald, doch de derde zending niet; - In het dossier bevindt zich een stuk van de ABN-AMRO met betrekking tot een kasstorting d.d. 6 april 2001 ten bedrage van fl. 25.758,00 "ref [bedrijf 3]", ten gunste van [bedrijf 1] Middelharnis gedaan door "[medeverdachte]", welke kasstorting heeft plaatsgevonden bij een kantoor van de ABN-AMRO gevestigd aan de Antwerpsestraat te Putte; - In het dossier bevindt zich een stuk van de ABN-AMRO met betrekking tot een kasstorting op 19 maart 2001 ten bedrage van fl. 25.548,12, ordernr. 138077, ten gunste van [bedrijf 1] Middelharnis gedaan door "[bedrijf 3] Espana, welke kasstorting heeft plaatsgevonden bij een kantoor van de ABN-AMRO gevestigd aan de Antwerpsestraat te Putte; - de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [verdachte] de loopjongen van [medeverdachte] is. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien en tevens het bovenstaande in aanmerking nemend, staat naar het oordeel van het hof niet alleen vast dat [verdachte] de bewezenverklaarde hoeveelheden accijnsgoederen voorhanden had, terwijl deze niet overeenkomstig de bepalingen inzake de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken maar dat dit evenzeer geldt voor [medeverdachte] nu er tussen [verdachte] en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. [verdachte] en [medeverdachte] hebben bij [bedrijf 2]/[bedrijf 1] een drietal partijen wodka besteld. Zij hebben het doen voorkomen alsof de partijen - onder opschorting van de accijns - naar Spanje zouden worden vervoerd naar [bedrijf 3], terwijl in ieder g